Marcel Blum (geboren in 1883) was een Belgische ondernemer en bestuurder binnen de Joodse gemeenschap. Hij was voorzitter van de Israëlitische Gemeenschap van Brussel en werd in december 1942 voorzitter van de Vereeniging van Joden in België (VJB; Frans: Association des Juifs en Belgique, AJB). Deze door de Duitse bezetter ingestelde dwangorganisatie vervulde tijdens de Holocaust in België een functie die vergelijkbaar was met die van de Joodse raden in andere bezette landen. Blum volgde grootrabbijn Salomon Ullmann op en leidde de vereniging gedurende de laatste twee jaren van de Duitse bezetting.
Maatschappelijke positie Blum was ondernemer en wordt in een wetenschappelijke bronnenuitgave omschreven als fabriekseigenaar. Voor de oorlog maakte hij deel uit van de bestuursraad van de Israëlitische Gemeenschap van Brussel. Na de heroprichting van deze gemeenschap tijdens de bezetting werd hij er voorzitter. Historica Laurien Vastenhout vermeldt dat Blum in 1940 het enige in Brussel achtergebleven bestuurslid van deze gemeenschap was.
Duitse bezetting De Duitse militaire overheid richtte de VJB op bij verordening van 25 november 1941. Alle Joden die in België verbleven, moesten lid worden. De vereniging werd belast met onder meer sociale bijstand en Joods onderwijs, maar moest tevens als uitvoerend orgaan voor anti-Joodse voorschriften optreden.
Blum was in de zomer van 1942 nog geen voorzitter van de VJB. Als voorzitter van de Brusselse Israëlitische Gemeenschap behoorde hij op 1 augustus 1942 wel tot de ondertekenaars van een oproep tot gehoorzaamheid die met de bevelen voor de zogenoemde tewerkstelling werd verspreid. Deze bevelen maakten deel uit van de voorbereidingen voor de deportaties vanuit België.
Op 24 september 1942 liet de Duitse veiligheidsdienst Blum, Ullmann en andere bestuurders van de VJB naar het Fort van Breendonk overbrengen. Zij werden beschuldigd van onder meer passief verzet en sabotage. Na tussenkomsten van Belgische prominenten werden zij op 3 oktober vrijgelaten.
Ullmann diende op 8 oktober 1942 zijn ontslag als voorzitter in. Over zijn opvolging ontstond vervolgens onenigheid tussen het centrale bestuur van de VJB, het Duitse militaire bestuur en de Sicherheitspolizei und SD. Verschillende kandidaten werden afgewezen. In december 1942 bereikten de betrokken partijen overeenstemming over Blum als nieuwe voorzitter.
Voorzitterschap van de VJB Blum leidde het centrale bestuur in een periode waarin de VJB enerzijds onder Duits toezicht bleef functioneren en anderzijds sociale hulp verleende aan de steeds verder vervolgde Joodse bevolking. De verhouding tussen de legale VJB en het clandestiene Joodsch Verdedigingscomiteit (JVC) was daarbij complex. De VJB was zelf geen verzetsorganisatie, maar sommige bestuurders en personeelsleden gebruikten haar kantoren, financiële middelen en legale infrastructuur voor clandestiene activiteiten.
Volgens Vastenhout behoorde Blum tot de centrale bestuurders die hun positie in de tweede helft van de bezetting gebruikten om illegale activiteiten mogelijk te maken. Blum verklaarde zelf in 1964 dat de VJB nauw met diensten van het JVC had samengewerkt. Hij stelde tevens dat via de legale hulporganisaties overheidsgeld clandestien was verdeeld en omschreef de VJB achteraf als een officiële dekmantel voor illegale activiteiten. Deze verklaringen dateren van na de oorlog.
Blum bleef voorzitter gedurende de laatste twee jaren van de bezetting. De laatste vergadering van het centrale bestuur vond volgens historicus Maxime Steinberg niet meer in de officiële zetel van de VJB plaats, maar in de bedrijfsgebouwen van Établissements Blum et fils.
Naoorlogse onderzoeken Na de bevrijding onderzocht het Belgische militaire gerecht het optreden van de leiding van de VJB. Een afzonderlijk onderzoek tegen Blum wegens mogelijke economische collaboratie op grond van artikel 115 van het Strafwetboek werd op 24 februari 1945 zonder gevolg gesloten.
In het bredere onderzoek naar het centrale bestuur werden Blum, Ullmann, Maurice Benedictus en Salomon Van den Berg op 14 juni 1947 van rechtsvervolging ontslagen. Het krijgsauditoraat motiveerde deze beslissing met de opvatting dat de bestuurders een politiek van het minste kwaad hadden gevolgd en meenden in het algemene belang van de Joodse gemeenschap te handelen.
Het onderzoeksrapport Gewillig België uit 2007 kwalificeerde het naoorlogse gerechtelijke onderzoek echter als oppervlakkig. De onderzoekers hadden weinig aanvullende documenten of getuigen gezocht en hadden verschillende centrale aspecten van het functioneren van de VJB niet onderzocht. Het ontslag van rechtsvervolging was derhalve geen vonnis dat na een volledig proces over Blums optreden werd uitgesproken.
Zie ook
Holocaust in België Joodsch Verdedigingscomiteit Kazerne Dossin
Bronnen, noten en/of referenties
Categorie:Belgisch bestuurder Categorie:Belgisch ondernemer Categorie:Belgisch persoon in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Jodendom in België