De Beweging voor de Verenigde Staten van Europa (BVSE) was een voornamelijk in Vlaanderen actieve vereniging die zich inzette voor een federaal verenigd Europa. De organisatie ontstond als Nederlandstalige of Vlaamse afdeling van de Brusselse Mouvement pour les États-Unis d'Europe (MEUE) en ontwikkelde zich onder leiding van de Antwerpse ondernemer Walter Kunnen vanaf 1961 tot een de facto zelfstandige organisatie. De BVSE verdedigde een vorm van integraal federalisme, waarbij het federalistische beginsel niet alleen op de Europese staatsordening, maar ook op politieke, sociaal-economische en culturele verhoudingen werd toegepast. Het tijdschrift Europa Eén, dat van 1961 tot 2011 verscheen, fungeerde als orgaan van de beweging.

Ontstaan en verzelfstandiging De BVSE ontstond binnen de naoorlogse beweging voor Europees federalisme. De in 1946 opgerichte Unie van Europese Federalisten (UEF) viel in 1956 uiteen in twee stromingen, de Action Européenne Fédéraliste (AEF) en het Mouvement Fédéraliste Européen (MFE). In België bestonden verscheidene, deels concurrerende federalistische groeperingen. Eind 1958 richtten bouwpromotor Jean-Florian Collin en industrieel Florimond Damman in Brussel de Mouvement pour les États-Unis d'Europe (MEUE) op. Na een conflict tussen beiden kwam Collin in contact met Walter Kunnen. In augustus 1960 werd Kunnen ondervoorzitter van de MEUE en kreeg hij de opdracht een Vlaamse afdeling uit te bouwen onder de naam Beweging voor de Verenigde Staten van Europa.

Over de precieze oprichtingsdatum bestaan verschillende dateringen. De actorendatabank van het ADVN vermeldt 1959 als oprichtingsjaar, terwijl de uitvoerige reconstructie van historicus en archivaris Tom Cobbaert de opdracht aan Kunnen in augustus 1960 situeert en de feitelijke uitbouw van de Vlaamse werking in 1961 beschrijft.

In januari 1961 verscheen het eerste nummer van Europa Eén. De BVSE richtte een permanent secretariaat in Wilrijk in en organiseerde op 30 april 1961, samen met de Vlaamse Toeristenbond, een Europees Lentetornooi in Opoeteren. In de loop van dat jaar groeide de beweging tot meer dan duizend leden. Omdat de Vlaamse afdeling inmiddels grotendeels zelfstandig tegenover de MEUE opereerde, besliste het eerste congres in oktober 1961 dat de BVSE een eigen formeel statuut moest krijgen. Kunnen werd in december tot voorzitter gekozen. De statuten van de vereniging verschenen op 22 februari 1962 in het Belgisch Staatsblad. Op 6 mei 1963 volgde de erkenning als volwaardige afdeling van de internationale AEF.

De verhouding met andere Belgische Europese bewegingen bleef niettemin moeizaam. Segers en Winand beschrijven hoe de internationaal door de AEF erkende BVSE op nationaal Belgisch niveau op weerstand stuitte. Een aanvraag om in 1964 tot de Belgische Raad van de Europese Beweging toe te treden werd door diens directiecomité met 38 stemmen tegen één afgewezen.

Doelstellingen De BVSE wilde volgens haar programma komen tot een democratische vereniging van de Europese volkeren. Zij beschouwde het federalisme als een algemeen ordeningsbeginsel dat op verschillende bestuursniveaus en eveneens op sociaal-economisch en cultureel terrein moest worden toegepast.

Ook voor de Belgische staatsstructuur werkte de BVSE een eigen federalistisch model uit. Zij wees een uitsluitend Vlaams-Waalse tweedeling af en stelde een federatie voor met één gemeenschappelijk parlement en zes zogenaamde rijksgebieden: Vlaanderen, Brabant, Limburg, Luik, Henegouwen en de Ardennen. Dit model verwierf volgens Cobbaert geen noemenswaardig politiek draagvlak. Historicus Bart De Wever beschrijft hetzelfde zesledige federalisme als een kenmerkend onderdeel van Kunnens politieke opvattingen., met name pp. 242–244.

Politiek profiel De politieke achtergrond van een aantal medewerkers van de BVSE heeft in de geschiedschrijving aandacht gekregen. In de beginperiode waren verschillende medewerkers afkomstig uit of verbonden met voormalige Verdinaso- en aanverwante solidaristische milieus. Onder anderen Staf Vermeire, Carlo Reiners, Frans De Hoon, Arthur De Bruyne en Arseen Rijckaert waren bij de BVSE betrokken. Ook leden van het solidaristische Verbond Recht en Orde (VRO) kwamen gedurende korte tijd in de beweging terecht.

De Wever waarschuwt er tegelijk voor de BVSE als geheel zonder meer als radicaal-rechts te classificeren. Hij stelt vast dat zij geen openlijke neo-Dinasobeweging was en dat Kunnen de politieke lijn van de organisatie ervan weerhield een antidemocratische of antipartijpolitieke richting uit te gaan. Kunnen zocht bovendien contacten met personen uit het Belgische en Europese politieke establishment. Cobbaert komt tot een vergelijkbare nuancering en beschrijft de BVSE als een beweging die, met uitzondering van het communisme, voor een breed politiek spectrum toegankelijk wilde blijven, ondanks de aanwezigheid van personen uit solidaristische en neo-Dinasomilieus.

De BVSE bevond zich daarmee op het raakvlak van verschillende netwerken: de Europese federalistische beweging, delen van de Vlaamse Beweging en conservatieve en solidaristische kringen. De doctorale studie van historica Klaartje Schrijvers behandelt de BVSE eveneens binnen een ruimer netwerk van naoorlogse Europese organisaties en bevestigt de affiliatie van de beweging met de AEF.

Werking De BVSE probeerde haar Europese federalistische boodschap via zowel publicaties als publieke activiteiten te verspreiden. Tot de activiteiten behoorden congressen, debatavonden, manifestaties, Europafeesten en Europese Lentetornooien. De organisatie kende aanvankelijk ook een regionale structuur met lokale afdelingen die in drie grotere gebieden zoals Vlaanderen, Brabant en Limburg waren gegroepeerd. Na interne conflicten werd de bestuursstructuur onder Kunnen sterker gecentraliseerd.

Binnen of rond de vereniging ontstonden gespecialiseerde initiatieven zoals de Eurohostessen, de Euroscouts en de Jonge Europese Federalisten. Niet al deze initiatieven bleven duurzaam aan de BVSE verbonden.

Europa Eén Het tijdschrift Europa Eén verscheen vanaf januari 1961 en vormde gedurende het grootste deel van het bestaan van de BVSE het belangrijkste publicatieorgaan. Het blad behandelde de Europese eenmaking, federalisme, de Belgische staatshervorming en de activiteiten van de vereniging. Het bleef verschijnen tot 2011.

Europese Eresenaat In 1963 richtte de BVSE de Europese Eresenaat op. Anders dan de naam mogelijk doet vermoeden, ging het niet om een wetgevend of publiekrechtelijk orgaan, maar om een protocollaire bijeenkomst waarop personen werden gehuldigd die volgens de organisatoren verdiensten voor de Europese gedachte hadden. Vanaf 1966 werd ook een Europese Persprijs uitgereikt. De Eresenaat groeide tijdens de jaren 1970 uit tot een van de belangrijkste jaarlijkse activiteiten van de BVSE.

Relatie met de Europese federalistische beweging Na de hereniging van de AEF en het MFE binnen de UEF aan het begin van de jaren 1970 werd de positie van de BVSE binnen het Belgische Europese federalisme opnieuw bepaald. Segers en Winand stellen dat de BVSE tegen die tijd in Vlaanderen de dominante AEF-structuur was geworden en bij de reorganisatie van de UEF de leiding kreeg over de noordelijke Belgische regio.

De vorming van een gemeenschappelijke Belgische UEF-structuur verliep echter conflictueus. De BVSE, UEF-Wallonië en UEF-Brussel verschilden van mening over de organisatorische vorm en de vertegenwoordiging op Belgisch niveau. Een in 1976 onder impuls van Kunnen bijeengeroepen congres richtte een UEF-België op, maar de Brusselse en Waalse afdelingen erkenden de gevolgde procedure niet. Segers en Winand beschouwen deze moeilijkheden als een voorbeeld van de manier waarop de Belgische communautaire tegenstellingen ook doorwerkten in bewegingen die in de eerste plaats Europees federalisme wilden bevorderen.

Terugloop en einde Vanaf het einde van de jaren 1970 nam de slagkracht van de BVSE geleidelijk af. De werking was financieel sterk afhankelijk geweest van Kunnen en diens ondernemingen. Vanaf 1973 ontving de vereniging daarnaast een structurele overheidssubsidie, maar die werd in 2001 stopgezet. Ook het ledenbestand en het aantal abonnees van Europa Eén namen af.

Kunnen stelde in 1992 het voorzitterschap ter beschikking. Hij werd opgevolgd door Roger Peeters, maar nam in 1998 opnieuw de leiding van de vereniging op zich. De Europese Eresenaat kon in 2010 en 2011 niet meer worden georganiseerd. Walter Kunnen overleed op 31 oktober 2011. Op 5 februari 2012 werd nog één laatste Europese Eresenaat gehouden, waarbij Kunnen postuum werd gehuldigd. Cobbaert beschouwt die bijeenkomst als het laatste wapenfeit van de BVSE; ook de Encyclopedie van de Vlaamse beweging dateert de stopzetting van de organisatie in 2012.

Archief Het archief van de BVSE werd door de familie Kunnen overgedragen aan het ADVN. Het bevat onder meer briefwisseling, bestuurs- en ledendossiers, financiële stukken, documentatie over de Europese Eresenaat en dossiers over de contacten met de UEF. Voor de jaren 1960 en 1970 vertoont het eigenlijke verenigingsarchief hiaten, die gedeeltelijk kunnen worden aangevuld met de persoonlijke archieven van medewerkers als Staf Vermeire, Arthur De Bruyne en Arseen Rijckaert. Alle 51 jaargangen van Europa Eén bleven bewaard, evenals een omvangrijke fotocollectie en filmopnamen van de Europese Lentetornooien.

Zie ook

Ligue Européenne de Coopération Économique Mouvement pour les États-Unis d'Europe Unie van Europese Federalisten Federalisme Europese integratie

Categorie:Vlaamse vereniging Categorie:Geschiedenis van de Europese Unie Categorie:Politiek van de Europese Unie