De Slag bij Rumbeke was een van de laatste veldslagen van de Achttiendaagse Veldtocht en vond plaats op maandag 27 mei 1940 in en rond de Belgische gemeente Rumbeke bij Roeselare.

Nadat Duitse troepen tussen 24 en 25 mei de Leie waren overgestoken, schoof de frontlijn steeds verder op in de richting van de Belgische en Franse kust. Ten zuiden van Roeselare hadden Belgische troepen zich op 26 en 27 mei ingegraven als onderdeel van een langgerekte verdedigingslijn die liep van de Franse kust tot aan het Afleidingskanaal van de Leie. Terwijl de evacuatie van het Britse Expeditieleger (BEF) en Franse troepen uit Duinkerken volop aan de gang was, trachtte het toen sterk verzwakte Belgische leger de Duitse opmars zo lang mogelijk te vertragen. Op 27 mei werd daarom langs de hele frontlijn op verschillende plaatsen nog hevig gevochten. Ook in Rumbeke kwamen Belgische en Duitse troepen tegenover elkaar te staan. De gevechten zouden 89 slachtoffers eisen, in de laatste uren van de Achttiendaagse Veldtocht. Leiefront Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd het Belgische leger door de snelle Duitse opmars geleidelijk naar het westen teruggedrongen. De doorbraak van Duitse pantsertroepen in de Ardennen bij Sedan, Dinant en Monthermé, en de daaropvolgende omsingeling van de geallieerde legers in België en Noord-Frankrijk, maakten achtereenvolgens de verdedigingslinies aan het Albertkanaal, de KW-linie en de Schelde onhoudbaar. Vanaf 23 mei vormde de Leie de belangrijkste Belgische verdedigingslinie, tot Duitse troepen de waterloop tussen 24 en 25 mei bij Kortrijk al overschreden. De gevechten aan en achter de Leie waren onderdeel van de laatste krachtinspanning van het Belgische leger, terwijl de Britse evacuatie uit Duinkerke inmiddels was begonnen. Rumbeke in de vuurlijn links|miniatuur|231x231px|Belgische posities in Rumbeke op 27 mei 1940 Op de avond van 26 mei waren de landerijen rond Rumbeke onderdeel geworden van een nieuwe Belgische verdedigingsgordel ten zuiden van Roeselare. Luitenant-generaal Bogaerts, bevelhebber van het 4e Legerkorps, liet de reeds door het 1e Regiment Grenadiers aangelegde stellingen overnemen door de 10e en 6e Infanteriedivisie. Ten zuidwesten van Rumbeke liep de eerste linie vanaf de oude spoorlijn Roeselare-Menen over de gehuchten Zilverberg, Bergmolens en Cayphas, waar het 1e Regiment Grenadiers veldstellingen bezette. Ten zuiden en zuidoosten van Rumbeke namen het 3e Regiment Jagers te Voet en het 9e Linieregiment de verdediging over. Hun eerste linie liep er door de gehuchten Maillardslinde (Maria's-Linde) en Armoede tot aan het kanaal Roeselare-Leie. Daarachter lag een tweede echelon, dat onder meer over de gehuchten De Ruiter, Sint-Elooi en Kazand liep. De inplaatsstelling van de troepen duurde tot de ochtend van 27 mei en verliep onder Duits artillerievuur. Vooral het 3e Regiment Jagers te Voet verkeerde in een precaire toestand: het regiment was door eerdere gevechten en terugtochten sterk uitgedund en kampte bovendien met tekorten aan voedsel, munitie en communicatiemiddelen.

Het terrein en camouflagemogelijkheden speelden een belangrijke rol in de verdediging. Rumbeke was in 1940 nog overwegend een landelijke gemeente met velden, hagen, grachten en verspreide hoeves. Het terrein was hoofdzakelijk vlak, met enkele hogere ruggen bij Vijfwegen en vooral Bergmolens, dat met een hoogte van 38 meter een goed uitzicht over de omgeving bood. De Belgische verdediging bestond niet uit een vooraf aangelegde versterkingslinie, maar uit haastig gegraven schuttersputten en mitrailleursnesten. Hoevegebouwen en andere bebouwing deden dienst als alternatieve bolwerken waarrond de verdediging werd geconcentreerd. Het kasteelpark van het Kaasterkasteel, bij het gehucht Vijfwegen, vormde een belangrijk steunpunt met veel camouflagemogelijkheden. links|miniatuur|327x327px|Otto von Knobelsdorff in 1944 Aan Duitse zijde was de doelstelling ruimer dan de inname van Rumbeke zelf. Het Duitse 6e Legerkorps wilde op 27 mei doorstoten naar Pittem en Tielt en daarna verder richting Lichtervelde, Kortemark en Diksmuide. De 19e Infanteriedivisie, onder leiding van Generalmajor Otto von Knobelsdorff (1886-1966) moest daarbij de linkerflank beveiligen en oprukken via het kanaal Roeselare-Leie, Roeselare en Staden. Een onder Oberst Gustav Schmidt (1894-1943) samengestelde Vorausabteilung met gemotoriseerde infanterie en artillerie kreeg de opdracht om snel de Belgische posities te verkennen, strategische hoogtes zoals Bergmolens in te nemen en een eventuele Belgische terugtocht verder te verstoren.

.

Laatste veldslag links|miniatuur|405x405px|Grenadier René Wollaert (1917-1940) uit Gentbrugge, gesneuveld te Rumbeke De eerste gevechten begonnen in de ochtend van 27 mei. Rond 07.00 uur bereikten Duitse verkenningstroepen van Vorausabteilung Schmidt de eerste huizen ten zuiden van Bergmolens. Kleine patrouilles van het Infanterie-Regiment 74, ondersteund door antitankkanonnen, drongen voorzichtig verder door. De Duitse verkenning had niet alleen tot doel de Belgische posities vast te stellen, maar ook strategische punten en hoogtes in handen te krijgen. Vooral Bergmolens vormde een belangrijk doelwit. De Belgische troepen waren op dat moment nog volop bezig hun stellingen te verbeteren en munitie aan te voeren. De eerste Duitse aanvallen liepen echter op weerstand van de grenadiers vast. Ook in de omgeving van het kasteelpark werden Duitse stoottroepen teruggedrongen. De gevechten in de voormiddag maakten duidelijk dat de Belgische linie niet zonder grote weerstand zou bezwijken, zoals von Knobelsdorff aanvankelijk verwachtte. De Duitse artillerie nam daarop de Belgische linie in het vizier, met een hevig bombardement dat verschillende slachtoffers veroorzaakte. miniatuur|332x332px|Aanvalsschets 9./IR59 op 27 mei 1940 miniatuur|286x286px|Infanteristen van het IR59 evacueren een gewonde uit de vuurlijn bij Armoede (Rumbeke) op 27 mei 1940 In de namiddag verschoof het zwaartepunt naar het zuidelijke en zuidoostelijke deel van Rumbeke. Omstreeks 14.00 uur kreeg het Duitse Infanterie-Regiment 59 opdracht om de Belgische stellingen tussen Maillardslinde en het kanaal Roeselare-Leie te doorbreken en vervolgens de rand van de dorpskern te bereiken. Na voorbereidend hevig artillerie- en mortiervuur begon de aanval omstreeks 18.00 uur. Het III./IR59 en II./IR59 wisten aanvankelijk delen van de voorste stellingen van het 3e Regiment Jagers te Voet te overrompelen. De gevechten ontaardden op verschillende plaatsen in man-tegen-mangevechten en huis-aan-huisgevechten. Vooral rond Armoede, hoeve Wervickhove en de hoger gelegen voormalige Duitse militaire begraafplaats in de Oekensestraat boden Belgische troepen van het 3e Jagers en het 9e Linie hardnekkig weerstand. Het I/IR59 rukte ondertussen verder op tussen Armoede en Stroomke en bereikte uiteindelijk de zuidrand van de Rumbeekse dorpskern. De onverwacht hevige tegenstand wakkerde bij de Duitse troepen het wantrouwen tegenover de burgerbevolking aan, uit vrees voor franc-tireurs. Duitse militairen dreven daarop een grote groep inwoners van het gehucht Armoede in de richting van Lendelede om hen daar als gevangenen in de kerk op te sluiten. Na de Belgische capitulatie lieten ze de inwoners ongedeerd vrij, waarna zij naar huis terugkeerden.

Rond 20.00 uur dreigde de Belgische verdediging in verschillende sectoren te worden doorbroken. Het 3e Jagers en het 9e Linie waren op sommige plaatsen teruggeslagen en het I./IR59 was tot aan de rand van Rumbeke doorgedrongen. Toch volgde geen volledige doorbraak. De Belgische 6e Infanteriedivisie zette met restanten van de 9e en 10e Compagnie Jagers te Voet een tegenaanval in om verloren stellingen bij Maillardslinde te heroveren. Met steun van de Grenadiers, artillerie en enkele T13-tanks slaagden ze erin de Duitse infiltranten terug te dringen. Het Duitse II./IR59 en III./IR59 moesten zich uiteindelijk tot hun uitgangsstellingen bij Oekene terugtrekken. Het I./IR59 kon zijn opmars langer voortzetten en bereikte rond 21.30 uur de gemeentelijke begraafplaats in de Kwadestraat, maar kreeg vervolgens eveneens het bevel de aanval te staken en zich terug te trekken tot de Babilliebeek. In de sector van het 1e Regiment Grenadiers hield de Belgische verdediging stand. De gevechten in Rumbeke hadden daarmee de Duitse opmars richting Rumbeke en Roeselare aanzienlijk afgeremd, hoewel de Duitsers elders aan het Leiefront wel belangrijke terreinwinst boekten. Otto von Knobelsdorff was onder de indruk van de weerstand die de Belgische troepen bij Rumbeke hadden geboden. "Es war der letzte Kampf der Belgier, ehe sie die Waffen streckten, und sie schlugen sich an diesem Tage hervorragend" (Het was het laatste gevecht van de Belgen voordat ze de wapens neerlegden, en ze hebben zich die dag uitstekend geweerd), schreef hij in zijn memoires.

Nasleep links|miniatuur|306x306px|Zichtbare oorlogsschade (2009) door de inslag van granaatsplinters aan de oostelijke gevel van de conciërgewoning van het Kasteel van Rumbeke. De Belgische capitulatie werd in de vroege ochtend van 28 mei officieel van kracht. De Duitse artillerie staakte de beschietingen en een stilte viel over het voormalige front. Belgische troepen hadden hun stellingen in Rumbeke inmiddels verlaten en zich naar het noorden teruggetrokken. Duitse troepen namen de verlaten Belgische stellingen in en troffen er een zwaar gehavend landschap aan, met vernielde huizen, brandende stallingen, achtergelaten wapens en militair materieel. Voor veel Belgische militairen volgde krijgsgevangenschap, al raakten de colonnes door de chaos van de capitulatie snel versnipperd en konden sommigen naar huis ontsnappen. Tegelijk bleven honderden gewonden in de streek achter. De Duitse 19e Infanteriedivisie registreerde honderd gewonden op 27 mei, van wie er naar schatting 61 in Rumbeke gevallen kunnen zijn. Aan Belgische zijde zijn de cijfers door de chaotische omstandigheden na de capitulatie niet met zekerheid vast te stellen. miniatuur|309x309px|Korporaal Oswald Robyn uit Eksaarde (1918–1940) was tot juni 1967 begraven op het ereperk van de gemeentelijke begraafplaats in Rumbeke. Daarna werd zijn graf overgebracht naar de Belgische militaire begraafplaats in De Panne (Graf E-246) Een speciaal door de gemeente aangestelde bergingsploeg bekommerde zich over de gesneuvelde Belgische militairen op het grondgebied. Ze maakten de voorlopige veldgraven open, hielpen bij de identificatie van de slachtoffers en zetten ze bij op het ereperk van de gemeentelijke begraafplaats. Veel gesneuvelden zijn al tijdens de oorlog door de familie gerepatrieerd, tot de bezetter hierop op 1 mei 1941 een verbod invoerde. Tot juni 1967 bleef het ereperk in Rumbeke behouden, waarna de acht resterende graven zijn overgebracht naar de militaire begraafplaatsen van De Panne, Leopoldsburg en Boncelles. De Duitse veldgraven vielen onder het beheer van een Wehrmacht-Gräberoffizier, die verantwoordelijk was voor de registratie, het bergen en het begraven van gesneuvelde militairen. De Duitse oorlogsslachtoffers van de veldslag in Rumbeke rusten vandaag op de Duitse militaire begraafplaats in Lommel. links|miniatuur|307x307px|Oberleutnant Paul Lojewski (1906-1940) sneuvelde tijdens de Slag bij Rumbeke en rust vandaag in Lommel (Blok 42 Graf 435)