Loden jaren (Italiaans: anni di piombo, ook wel Jaren van Lood) is de gangbare benaming voor een periode van ernstige sociale en politieke conflicten en politiek geweld in Italië, vanaf het einde van de jaren 1960 tot in de jaren 1980. De periode werd gekenmerkt door terrorisme, bomaanslagen, ontvoeringen, politieke moorden, gewapende overvallen en gewelddadige confrontaties waarbij zowel extreemlinkse als extreemrechtse organisaties betrokken waren.
Een algemeen aanvaarde exacte afbakening bestaat niet. De bomaanslag op de Piazza Fontana in Milaan op 12 december 1969 geldt vaak als een symbolisch beginpunt. Een recente wetenschappelijke dataset over de Loden jaren bestrijkt de jaren 1969–1988 en bevat meer dan 7.800 geregistreerde gebeurtenissen van politiek geweld. Het geweld nam in de eerste helft van de jaren 1980 sterk af, hoewel gewapende extreemlinkse organisaties nog tot later in dat decennium aanslagen pleegden.
De bekendste extreemlinkse terroristische organisatie waren de Rode Brigades (Brigate Rosse, BR), die onder meer verantwoordelijk waren voor de ontvoering en moord op de christendemocratische politicus en voormalig premier Aldo Moro in 1978. Aan extreemrechtse zijde waren onder meer Ordine Nuovo, Avanguardia Nazionale en later de Nuclei Armati Rivoluzionari (NAR) actief. Extreemrechts terrorisme werd vooral berucht door bomaanslagen met grote aantallen burgerslachtoffers, waaronder de aanslag op de Piazza Fontana en de bomaanslag op het station van Bologna in 1980.
Benaming en afbakening De Italiaanse uitdrukking anni di piombo betekent letterlijk "jaren van lood", waarbij lood een associatie oproept met kogels en gewapend geweld. De benaming werd vanaf het begin van de jaren 1980 algemeen gebruikt voor het voorafgaande tijdvak van politieke gewelddadigheid.
De periode laat zich moeilijk tot twee vaste jaartallen beperken. De Piazza Fontana-aanslag van december 1969 is een veelgebruikt beginpunt, maar politiek geweld en radicalisering waren al eerder aanwezig. Evenmin kwam het terrorisme op één duidelijk moment tot een einde. De activiteit van de voornaamste terroristische organisaties verminderde sterk gedurende de jaren 1980. De Rode Brigades waren volgens het Italiaanse encyclopedische instituut Treccani tegen het einde van dat decennium in wezen verdwenen als organisatie, hoewel later nog aanslagen onder verwante benamingen werden gepleegd.
Omdat onderzoekers uiteenlopende definities hanteren van terrorisme, politiek geweld, slachtoffers en de onderzochte periode, bestaan er verschillende statistieken over de omvang van het geweld. Het is daarom niet mogelijk één onbetwist totaal voor het aantal aanslagen of slachtoffers te geven zonder de gebruikte definitie en tijdsafbakening te vermelden.
Achtergrond
Sociale mobilisatie en politieke polarisatie De Loden jaren ontstonden tegen de achtergrond van ingrijpende veranderingen in de Italiaanse samenleving. De snelle economische ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog, verstedelijking, binnenlandse migratie en de expansie van industrie en hoger onderwijs veranderden de sociale verhoudingen. Vanaf het einde van de jaren 1960 groeiden studentenprotesten en arbeidsconflicten. Vooral in 1968 en tijdens de zogenoemde Autunno caldo ("hete herfst") van 1969 vonden op grote schaal stakingen, bedrijfsbezettingen en demonstraties plaats.
Politicoloog Donatella della Porta plaatst de ontwikkeling van politiek geweld in Italië in de bredere context van cycli van protest, de reacties van de staat daarop en processen van radicalisering binnen sociale bewegingen. Politiek geweld was daarmee niet uitsluitend het werk van reeds bestaande clandestiene organisaties, maar ontwikkelde zich gedeeltelijk vanuit bredere sociale en politieke conflicten.
Italië kende daarnaast een sterk gepolariseerd politiek bestel. De Democrazia Cristiana (DC) was gedurende het grootste deel van de naoorlogse periode de centrale regeringspartij, terwijl de Italiaanse Communistische Partij (PCI) een van de grootste communistische partijen van West-Europa was. Naast de parlementaire partijen ontstonden zowel radicaal-linkse als neofascistische buitenparlementaire bewegingen. Slechts een deel daarvan koos uiteindelijk voor clandestien of terroristisch geweld.
Het onderscheid tussen radicale protestbewegingen en terroristische organisaties is daarbij van belang. Onderzoek naar revolutionair terrorisme beschrijft hoe ondergrondse gewapende groepen ontstonden toen delen van de bredere protestbeweging terugliepen, waarna deze organisaties zich steeds verder konden isoleren van de sociale bewegingen waaruit zij gedeeltelijk waren voortgekomen.
Extreemrechts geweld en de strategie van de spanning
Piazza Fontana Op 12 december 1969 ontplofte in de Banca Nazionale dell'Agricoltura aan de Piazza Fontana in Milaan een bom. Daarbij kwamen zeventien mensen om het leven en raakten 88 mensen gewond. De aanslag werd een keerpunt in de naoorlogse Italiaanse geschiedenis en geldt vaak als het symbolische begin van de Loden jaren.
De eerste onderzoeken richtten zich sterk op anarchistische kringen. Later verschoof het onderzoek naar neofascistische milieus en werd de aanslag verbonden met extreemrechtse netwerken. De langdurige en gecompliceerde gerechtelijke procedures rond de aanslag leidden echter niet tot een eenvoudige, allesomvattende juridische vaststelling van de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. De zaak werd daardoor tevens een belangrijk element in het publieke debat over staatsinstellingen, veiligheidsdiensten en politieke manipulatie.
Strategie van de spanning Voor een reeks bloedige aanslagen uit deze periode wordt de term strategia della tensione ("strategie van de spanning") gebruikt. Daarmee wordt een strategie aangeduid waarbij terreur en maatschappelijk ontwrichtend geweld angst, onzekerheid en politieke spanning moesten vergroten. Vooral extreemrechtse aanslagen op openbare plaatsen zijn met dit begrip in verband gebracht.
Naast de Piazza Fontana-aanslag behoren onder andere de aanslag op de Piazza della Loggia in Brescia in 1974, de aanslag op de trein Italicus in hetzelfde jaar en de aanslag op het station van Bologna in 1980 tot de bekendste massale aanslagen van extreemrechtse signatuur uit deze periode.
Onderzoek naar extreemrechts terrorisme benadrukt tegelijk dat de relatie tussen terroristische organisaties en delen van het staatsapparaat niet tot één eenvoudig verklaringsmodel kan worden teruggebracht. Historicus Tobias Hof wijst zowel op contacten en steun vanuit delen van staats- en veiligheidsstructuren als op de zelfstandige ideologie, interne dynamiek en handelingsvrijheid van extreemrechtse terroristische groepen. Algemene beweringen dat alle extreemrechtse aanslagen rechtstreeks door "de staat" zouden zijn georganiseerd, gaan daarom verder dan wat de historiografie voor de afzonderlijke gevallen kan aantonen.
Ook de mogelijke betekenis van geheime anticommunistische structuren zoals Operatie Gladio is onderwerp geworden van politieke onderzoeken, geschiedschrijving en complottheorieën. De bewijspositie verschilt echter sterk van geval tot geval. De gedocumenteerde aanwezigheid van geheime netwerken of van contacten tussen extremisten en personen uit staatsorganen vormt op zichzelf geen bewijs dat één centrale organisatie achter de verschillende terroristische aanslagen zat.
Extreemlinks terrorisme
Rode Brigades Aan extreemlinkse zijde vormden de Rode Brigades de bekendste en langdurigste terroristische organisatie. De BR ontstonden rond 1970 in het milieu van radicaal-linkse activisten in de geïndustrialiseerde delen van Noord-Italië. In hun ideologie beschouwden zij de Italiaanse staat als onderdeel van een kapitalistisch en imperialistisch systeem waartegen een revolutionaire gewapende strijd moest worden gevoerd.
De activiteiten begonnen onder meer met sabotage, brandstichting en ontvoeringen. In de loop van de jaren 1970 escaleerde het geweld en pleegden de Rode Brigades aanslagen en moorden op onder anderen politieagenten, magistraten, ondernemers, journalisten en politici. Andere gewapende organisaties aan de radicale linkerzijde waren onder meer Prima Linea en verschillende kleinere groepen.
De ontwikkeling van deze organisaties verliep niet als een automatisch gevolg van de protestbewegingen van 1968 en 1969. Sánchez-Cuenca beschrijft juist een proces waarbij clandestiene gewapende groepen steeds meer van bredere bewegingen geïsoleerd raakten en geweld mede een middel werd om de ondergrondse organisatie zelf in stand te houden.
Ontvoering en moord op Aldo Moro Het meest geruchtmakende optreden van de Rode Brigades was de ontvoering van Aldo Moro, voormalig premier, voorzitter van de Democrazia Cristiana en een van de invloedrijkste Italiaanse politici van zijn tijd.
Op 16 maart 1978 vielen leden van de Rode Brigades Moro's konvooi aan in de Via Fani in Rome. De vijf leden van zijn beveiliging werden gedood en Moro werd ontvoerd. De ontvoering vond plaats op een politiek gevoelig moment. Moro had een belangrijke rol gespeeld in de toenadering tussen de Democrazia Cristiana en de PCI, in het kader van de politieke strategie die samenhing met het zogenoemde historisch compromis.
Moro werd 55 dagen gevangen gehouden. Tijdens zijn gevangenschap stuurde hij verschillende brieven aan politici, partijgenoten en familieleden. De ontvoering leidde tot een felle discussie over de vraag of de overheid en politieke partijen met de Rode Brigades moesten onderhandelen. De voornaamste regeringspartijen en de PCI hielden vast aan een lijn waarbij geen politieke concessies aan de terroristische organisatie werden gedaan.
Op 9 mei 1978 doodden de Rode Brigades Moro. Zijn lichaam werd aangetroffen in de kofferbak van een auto in de Via Caetani in Rome. De moord had grote politieke en maatschappelijke gevolgen en geldt als een keerpunt in de geschiedenis van het Italiaanse linkse terrorisme. Volgens Treccani begon voor de Rode Brigades na de zaak-Moro een proces van neergang, dat samenhing met effectiever optreden van de staat, interne verdeeldheid, de samenwerking van voormalige terroristen met justitie en het bredere verval van politiek radicalisme.
Bomaanslag in Bologna Op 2 augustus 1980 ontplofte een bom in de wachtzaal van het centraal station van Bologna. De explosie en de daaropvolgende instorting van een deel van het stationsgebouw kostten 85 mensen het leven; meer dan 200 mensen raakten gewond. Het was de dodelijkste terroristische aanslag in het naoorlogse Italië.
Voor de aanslag werden na langdurige procedures leden van de neofascistische Nuclei Armati Rivoluzionari veroordeeld, onder wie Valerio Fioravanti en Francesca Mambro. De gerechtelijke nasleep bracht daarnaast obstructie en misleiding tijdens het onderzoek aan het licht. In afzonderlijke procedures werden onder anderen personen uit de militaire inlichtingendienst en Licio Gelli, leider van de clandestiene vrijmetselaarsloge P2, veroordeeld wegens misleiding of het belemmeren van het onderzoek.
De bevindingen rond Bologna vormen daarmee een gedocumenteerd voorbeeld van ernstige obstructie door personen die verbonden waren aan staats- en clandestiene structuren. Zij rechtvaardigen echter niet zonder aanvullend bewijs de conclusie dat alle terroristische aanslagen van de Loden jaren vanuit één centraal complot werden geleid.
Bestrijding en neergang van het terrorisme Vanaf het einde van de jaren 1970 en vooral in de eerste helft van de jaren 1980 wist de Italiaanse staat de gewapende organisaties steeds verder terug te dringen. Politie en justitie arresteerden grote aantallen activisten en leiders. Daarnaast speelden wettelijke regelingen voor terroristen die met justitie samenwerkten — de zogenoemde pentiti — een rol bij het verkrijgen van informatie over clandestiene netwerken.