De Mouvement Fédéraliste Européen (MFE) of Europese Federalistische Beweging (EFB) (in Engelstalige historische literatuur ook supranational European Federalist Movement, sMFE) was een Europese federalistische organisatie die in 1959 ontstond door de supranationale reorganisatie van de overgebleven Unie van Europese Federalisten (UEF). De reorganisatie volgde op de splitsing van de UEF in 1956 tussen een stroming rond onder anderen Altiero Spinelli, die een constitutionele mobilisatiestrategie voorstond, en federalisten die meer nadruk legden op geleidelijke Europese integratie en beïnvloeding van nationale regeringen.Historical Archives of the European Union (AHUE), Union européenne des fédéralistes, historische notitie door Catherine Previti Allaire, 1992; met verwijzing naar Catherine Previti Allaire, "Considérations historiques en marge de l’inventaire du fonds Union européenne des fédéralistes (1949-1991)", Ricerche Storiche, jrg. 26, nr. 2, 1996, pp. 469–482. Geraadpleegd op 15 augustus 2026.

De federalisten die zich in 1956 van de UEF afscheidden verenigden zich in de Action européenne fédéraliste (AEF). De stroming rond Spinelli bleef binnen de UEF en vormde deze op een buitengewoon congres in Parijs op 28 juni 1959 om tot een organisatie waarin individuele leden en regionale afdelingen rechtstreeks deel uitmaakten van een Europese structuur.Sergio Pistone, The Union of European Federalists: From the Foundation to the Decision on Direct Election of the European Parliament (1946–1974), Milaan: Giuffrè, 2008, in het bijzonder pp. 108 en 114–115. Online versie. Het MFE bleef streven naar een Europese federatie, maar zijn strategie verschoof in de jaren 1960 geleidelijk van een campagne voor een rechtstreeks geïnitieerd constitutioneel proces naar de democratisering en versterking van de bestaande Europese Gemeenschappen.

Achtergrond De UEF was in december 1946 in Parijs opgericht als overkoepelende organisatie van verschillende Europese federalistische bewegingen. In haar beginjaren omvatte zij uiteenlopende federalistische tradities en organisaties, waaronder de Europa-Union, de Britse Federal Union, de Italiaanse Movimento Federalista Europeo en de Franse beweging La Fédération.

Na de mislukking van de plannen voor een Europese Defensiegemeenschap en een Europese Politieke Gemeenschap in 1954 ontstond binnen de UEF een fundamentele discussie over de te volgen strategie. De historische beschrijving van de Historische Archieven van de Europese Unie onderscheidt daarbij een door vooral Duitse en Nederlandse federalisten gedragen, zogenoemde possibilistische stroming en een rond Spinelli gevormde, zogenoemde maximalistische stroming. De eerste wilde via politieke beïnvloeding en stapsgewijze overdracht van nationale bevoegdheden vooruitgang boeken. Spinelli en zijn medestanders meenden daarentegen dat nieuwe regeringsinitiatieven onvoldoende waren en wilden de publieke opinie mobiliseren voor de instelling van een Europese grondwetgevende vergadering.

Deze tegenstelling kwam eveneens tot uitdrukking in het Congres van het Europese Volk (Frans: Congrès du Peuple Européen, CEP), een campagne waarmee federalisten burgers rechtstreeks bij de eis voor een Europese constituerende macht wilden betrekken. De campagne sloot aan bij Spinelli's opvatting dat Europese politieke eenwording niet uitsluitend door regeringen tot stand moest worden gebracht, maar ook door politieke mobilisatie van Europese burgers.Aliénor Ballangé, La démocratie communautaire, Parijs: Éditions de la Sorbonne, 2022, hoofdstuk 5, "« Faire l'Europe dépend de vous » : le peuple comme acteur de la construction européenne", online.

Splitsing van de UEF De organisatorische breuk voltrok zich in de loop van 1956. De precieze datering verschilt enigszins naargelang de bron. Pistone beschrijft dat de Nederlandse federalistische organisatie op 22 juni haar samenwerking met de UEF beëindigde en dat Europa-Union Deutschland (EUD) op 30 juni volgde. Op 16 september 1956 richtten de EUD, de Nederlandse federalisten en La Fédération in Weilburg de Action Européenne Fédéraliste op. De historische notitie van de Historische Archieven van de Europese Unie dateert de scheuring als institutionele gebeurtenis in november 1956, toen Europa-Union en de Nederlandse Beweging van Europese Federalisten (BEF) zich met La Fédération in de AEF verenigden.

De aanhangers van de constitutionele strategie rond Spinelli bleven binnen de UEF. Daardoor bestonden vanaf 1956 twee concurrerende internationale federalistische verbanden. De tegenstelling betrof niet het algemene streven naar Europese eenwording, maar vooral de politieke strategie, de beoordeling van de nieuwe Europese Gemeenschappen en de organisatorische vorm van de federalistische beweging.Paolo Caraffini, "De Gaulle, the ‘Empty Chair Crisis’ and the European Movement", Perspectives on Federalism, jrg. 7, nr. 2, 2015, pp. E-164–E-194, online.

Omvorming tot een supranationale beweging Binnen de resterende UEF groeide vervolgens het streven om ook de eigen organisatie volgens supranationale beginselen in te richten. Op het zevende buitengewone congres van de UEF, gehouden in Parijs op 28 juni 1959, werd een nieuwe organisatiestructuur aangenomen en ontstond het supranationale Mouvement fédéraliste européen. Ook de Historische Archieven van de Europese Unie dateren de omzetting van de UEF in het MFE in 1959. Caraffini beschrijft dezelfde reorganisatie als de vorming van het Supranational European Federalist Movement uit de oude UEF.Paolo Caraffini, "De Gaulle, the ‘Empty Chair Crisis’ and the European Movement", Perspectives on Federalism, jrg. 7, nr. 2, 2015, in het bijzonder pp. E-167–E-169.

De hervorming had niet alleen betrekking op de naam. In de nieuwe statuten werden regionale organisaties de basiseenheden van de beweging. Hun vertegenwoordigers namen aan het Europese congres deel zonder daar autonome nationale bewegingen te vertegenwoordigen. Nationale commissies behielden voornamelijk uitvoerende, administratieve en propagandistische taken, terwijl de algemene politieke lijn op Europees niveau werd vastgesteld. Individuele leden sloten zich rechtstreeks aan bij het MFE. Daarmee wilde de beweging het vroegere model van samenwerking tussen grotendeels autonome nationale organisaties vervangen door één Europese vereniging van individuele federalisten.

In 1960 beschikte het supranationale MFE volgens Pistone over organisaties in onder meer Frankrijk, Italië, België, West-Duitsland, Zwitserland en Nederland en onderhield het daarnaast betrekkingen met federalistische organisaties in andere Europese landen.

Congres van het Europese Volk Het Congres van het Europese Volk was nauw verbonden met de constitutionele strategie die aan de oprichting van het MFE voorafging. Vanaf 1957 organiseerden de initiatiefnemers op verschillende plaatsen informele verkiezingen waarbij burgers afgevaardigden voor het congres konden kiezen. Het doel was geen officiële volksvertegenwoordiging te vormen, maar politieke steun zichtbaar te maken voor het idee dat Europese burgers zelf aanspraak konden maken op een rol in een Europees constitutioneel proces.Aliénor Ballangé, La démocratie communautaire, Éditions de la Sorbonne, 2022, hoofdstuk 5, online.

Na de reorganisatie van 1959 werden het MFE en het CEP organisatorisch steeds sterker met elkaar verbonden. Op het MFE-congres in Straatsburg van januari 1960 werd de door het CEP gebruikte verkiezingsmethode als instrument voor politieke mobilisatie onderschreven. De organisatorische integratie van beide verbanden werd in februari 1962 in Lyon voltooid, tegelijk met de laatste bijeenkomst van het CEP.

Strategische ontwikkeling in de jaren 1960 Hoewel het MFE aanvankelijk kritisch stond tegenover de Verdragen van Rome en tegenover een integratieproces dat naar zijn oordeel te sterk door nationale regeringen werd beheerst, wijzigde de beweging in de jaren 1960 geleidelijk haar praktische opstelling. Tegenover de door de Franse president Charles de Gaulle verdedigde intergouvernementele benadering ging het MFE de bestaande communautaire instellingen en verdere ontwikkeling van de Europese verdragen nadrukkelijker verdedigen.

Tijdens de lege-stoelcrisis van 1965 pleitte het MFE volgens de Historische Archieven van de Europese Unie voor hervatting van de onderhandelingen. Na de Europese top van Den Haag van december 1969 werd de reformistische koers verder bevestigd. Het einddoel bleef een Europese federatie, maar de beweging concentreerde haar campagnes steeds meer op institutionele hervormingen, met name de rechtstreekse verkiezing van het Europees Parlement en uitbreiding van diens bevoegdheden.

Deze verschuiving verminderde een belangrijk deel van de strategische afstand tussen het MFE en de AEF. Beide organisaties kwamen in de tweede helft van de jaren 1960 geleidelijk nader tot elkaar, mede doordat de verdediging en democratisering van de bestaande Europese instellingen voor beide stromingen belangrijker werd.

Hereniging met de AEF De hereniging van de twee federalistische stromingen was geen gebeurtenis op één enkele datum. De historische notitie van de Historische Archieven van de Europese Unie vermeldt een statutaire hereniging van MFE en AEF in december 1971. Het bewaard gebleven UEF-archief onderscheidt in zijn ordening eveneens dossiers van het MFE over 1959–1971 en van de AEF over 1956–1971, gevolgd door documenten van de herenigde UEF vanaf 1972.Historical Archives of the European Union, UEF – Union européenne des fédéralistes, fondsbeschrijving, geraadpleegd op 15 augustus 2026.

Het organisatorische herenigingsproces liep daarna nog door. Volgens Pistone bereidde een gemeenschappelijk MFE-AEF-comité nieuwe statuten en een gemeenschappelijke politieke verklaring voor. Deze documenten werden op 17 december 1972 in Parijs goedgekeurd. Van 13 tot 15 april 1973 vond in Brussel vervolgens het eerste congres van de opnieuw verenigde UEF plaats, waar de nieuwe statuten werden aangenomen.Sergio Pistone, The Union of European Federalists: From the Foundation to the Decision on Direct Election of the European Parliament (1946–1974), Milaan: Giuffrè, 2008, pp. 186–191.

De nieuwe UEF behield belangrijke elementen van het supranationale organisatiebeginsel dat in 1959 in het MFE was ingevoerd. Zij bestond uit individuele leden en Europese organen die door een Europees congres werden gekozen, maar gaf de nationale organisaties opnieuw meer autonomie bij de uitvoering van de gezamenlijk vastgestelde politieke lijn.

Historische bronnen en archief Een belangrijk archiefbestand voor de geschiedenis van het MFE berust bij de Historische Archieven van de Europese Unie in het European University Institute in Florence. Het fonds van de UEF omvat materiaal over de UEF vóór de splitsing, de AEF, het MFE en de herenigde UEF. De archiefbeschrijving onderscheidt onder meer UEF-documentatie uit 1946–1959, AEF-documentatie uit 1956–1971, MFE-documentatie uit 1959–1971 en UEF-documentatie vanaf 1972.

De geschiedenis van de organisatie is daarnaast behandeld in academisch onderzoek naar Europese integratie en Europese federalistische bewegingen. Naast de monografie van Sergio Pistone behandelen onder anderen Aliénor Ballangé en Paolo Caraffini de ontwikkeling van de federalistische strategie, de breuk tussen de verschillende federalistische stromingen en hun houding tegenover de Europese Gemeenschappen.

Zie ook Movimento Federalista Europeo uit 1943 Altiero Spinelli Unie van Europese Federalisten Europese integratie

Categorie:Geschiedenis van de Europese Unie Categorie:Politiek van de Europese Unie