Maria Angela Ursula Anna Catharina Philbert (Den Helder, 1 september 1861 – Avranches, 7 mei 1930), doorgaans Marie Philbert en binnen de familie Mies genoemd, was een Nederlands-Franse schrijfster. Als dochter van de Franse consul-generaal Charles-Marie Philbert werd zij in Nederland geboren en bracht zij door diens diplomatieke loopbaan een belangrijk deel van haar jeugd door in Nederland en Denemarken; zij schreef zowel in het Nederlands als in het Frans.
Zij publiceerde vanaf de jaren 1880 oorspronkelijke verhalen, schetsen en novellen in Nederlandse literaire tijdschriften, met name in Het Leeskabinet. Haar werk verscheen ook als feuilleton in Nederlands-Indië en later in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift.Marie Philbert, "De markies van Tombelaine. Normandische schets", Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg. 8, 1898, p. 37 e.v.; opgenomen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL).
Kunsthistorica Hanneke van Asperen, die Philberts bijdrage aan het Album Rotterdam-Krakatau onderzocht, beschrijft haar als een productief schrijfster.Hanneke van Asperen, "Album Rotterdam-Krakatau", 15 januari 2025, later bijgewerkt, hannekevanasperen.nl.
Een Rotterdamse krant omschreef haar in 1884 als een stadgenote die ook in het Frans schreef.Rotterdamsch Nieuwsblad, 4 januari 1884.
Jonge jaren
Philbert werd op 1 september 1861 in Den Helder geboren als dochter van de Franse diplomaat en orgeldeskundige Charles-Marie Philbert en Anna Elisabeth Overtoom.Geboorteakte Den Helder, 1861, Maria Angela Ursula Anna Catharina Philbert, geboren 1 september 1861. Philbert was van adellijke komaf.René Verwer, Cavaillé-Coll en Nederland. Een studie naar het werk van Cavaillé-Coll en diens invloed in Nederland in de periode 1875–1924, proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 2008, p. 103. Verwer vermeldt dat Charles-Marie Philbert uit een adellijk geslacht stamde en verwijst voor diens biografische gegevens onder meer naar Jos. A. Verheijen, "Charles Marie Godefroi Philbert", Het Orgel, jrg. 9, nr. 6, augustus 1894, pp. 4–6. Marie was het oudste kind uit het gezin en had zes jongere broers en zussen, waarvan er één jong overleed.
Door de diplomatieke loopbaan van haar vader bracht Philbert naast in Den Helder, Amsterdam en Rotterdam een deel van haar jeugd buiten Nederland door. Het gezin woonde onder meer in Helsingør in Denemarken, waar haar vader Frans consul was.Dagboek van Marie Philbert, familiearchief; gebruikt voor haar persoonlijke herinneringen aan onder meer het verblijf van het gezin in Denemarken. Uit het bewaard gebleven dagboek van Marie blijkt dat zij over het gezinsleven, reizen en gebeurtenissen uit haar omgeving schreef.
Op 1 mei 1884 verrichtte Philbert in Delfshaven de doop van het raderstoomschip Ville du Hâvre, dat door de Maatschappij De Maas was gebouwd voor de Britse firma Watkins & Co. Haar vader was bij de tewaterlating aanwezig. De Nieuwe Rotterdamsche Courant berichtte dat de plechtigheid werd verricht door „mejuffrouw Philbert, dochter van de Franse consul alhier”.
Schrijverschap Haar kerstvertelling La Croix de Skotterup, een herinnering aan Denemarken, werd in het Rotterdamsch nieuwsblad van 5 februari 1883 positief besproken. De recensent noemde het „een lief verhaaltje, zooals we ze gaarne lezen” en prees ook de verzorgde uitvoering van de uitgave bij de Rotterdamse uitgevers Van Hengel en Eeltjes.Rotterdamsch nieuwsblad, 5 februari 1883, boekbespreking van La Croix de Skotterup.
Vanaf ten minste 1884 publiceerde Philbert literair werk in Het Leeskabinet, een Nederlands letterkundig tijdschrift. Haar naam verscheen gedurende meerdere opeenvolgende jaren in de inhoudsopgaven en aankondigingen van het tijdschrift.Algemeen Handelsblad, 3 januari 1884.Rotterdamsch Nieuwsblad, 5 februari 1885.Rotterdamsch Nieuwsblad, 6 januari 1886.Rotterdamsch Nieuwsblad, 8 maart 1887.
In januari 1884 verscheen ’t Kerstkindje, dat in het Algemeen Handelsblad werd aangekondigd als een "oorspronkelijke schets" van Marie Philbert. Het Rotterdamsch Nieuwsblad besteedde eveneens aandacht aan de bijdrage en omschreef haar als "onze stadgenoote mej. Marie Philbert, die ook in ’t Fransch schrijft".
In 1885 volgde Holger Danske, door de contemporaine pers aangeduid als een "oorspronkelijke vertelling".Het Vaderland, 5 februari 1885. De titel verwijst naar de Deense sagenfiguur Holger Danske en sluit aan bij de Deense omgeving waarmee Philbert door het verblijf van haar familie in Helsingør vertrouwd was.
In 1886 verschenen ten minste twee nieuwe werken van haar in Het Leeskabinet. Voor één keer op de planken werd als kerstvertelling gepubliceerd.Oprechte Haarlemsche Courant, 7 januari 1886.Het Vaderland, 7 januari 1886.Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage, 13 januari 1886.De portefeuille, 23 januari 1886. Het verhaal kreeg een aanzienlijk ruimere verspreiding doordat het in februari 1886 als feuilleton werd afgedrukt in het Soerabaijasch Handelsblad in Nederlands-Indië.Soerabaijasch Handelsblad, 23 en 24 februari 1886, feuilleton Voor één keer op de planken, door Marie Philbert.
Later dat jaar verscheen Het kruis bij Skotterup, in de pers aangeduid als een novelle.Oprechte Haarlemsche Courant, 4 december 1886: "Het kruis bij Skotterup. Eene Novelle, door Marie Philbert".Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage, 6 december 1886.Rotterdamsch Nieuwsblad, 8 december 1886. Skotterup ligt bij Helsingør, waar het gezin Philbert eerder had gewoond. De titel vormt daarmee opnieuw een duidelijke geografische verbinding met haar Deense jaren.
In 1887 publiceerde Het Leeskabinet De laatste op de schans.Het Vaderland, 7 februari 1887.
Album Rotterdam-Krakatau Marie Philbert leverde ook een bijdrage aan het Album Rotterdam-Krakatau. Kunsthistorica Hanneke van Asperen, die haar bijdrage aan dit album onderzocht, beschrijft Philbert als een productief schrijfster en wijst onder meer op haar bijdragen aan Bato en Het Leeskabinet, haar Franstalige werk en het verhaal Loods Peter.
Het Album Rotterdam-Krakatau ontstond na de uitbarsting van de Krakatau (vulkaan) in 1883 als een literair en artistiek liefdadigheidsproject. Schrijvers en kunstenaars stelden werk beschikbaar voor het album, waarvan de verkoop geld moest opbrengen voor de slachtoffers van de ramp in Nederlands-Indië. Marie Philbert behoorde tot de auteurs die hieraan meewerkten; een fragment van haar verhaal Loods Peter werd in het album opgenomen.
Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift Meer dan tien jaar later verscheen opnieuw werk van Philbert. In 1898 publiceerde Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift haar De markies van Tombelaine. Normandische schets.
De markies van Tombelaine. Normandische schets (1898) speelt zich af rond Mont Saint-Michel en Tombelaine. De wees Reine groeit op in het huis van Guy Benoist en zijn moeder. Tussen Reine en Guy ontstaat liefde, maar door de afwijzende houding van Guys moeder komt het niet tot een huwelijk. Reine trouwt met een andere man en Guy trekt zich terug als wachter op Tombelaine. Jaren later, na een ongelukkig huwelijk en de dood van haar man en kind, keert Reine terug. Wanneer zij Guy wil opzoeken, bedreigt het opkomende tij hem op de zandvlakten rond Mont-Saint-Michel. De bevolking kent de eenzame wachter inmiddels als ‘de Markies van Tombelaine’.
Het verhaal werd geïllustreerd door Jan Hoynck van Papendrecht, een destijds vooraanstaand illustrator en aquarellist die tevens aan de redactie van Elsevier verbonden was, en door Netty van der Waarden.Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg. 8, 1898, deel XVI, inhoudsopgave: De markies van Tombelaine, p. 37, illustraties door Hoynck van Papendrecht en Van der Waarden; Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
Historische achtergrond en Bordewijk Tombelaine kende vanaf de middeleeuwen een traditie van afzondering. In de elfde eeuw verbleef de monnik Robert de Tombelaine er als kluizenaar.Zie over Robert de Tombelaine en de kluizenaarstraditie op Tombelaine: Les saints dans la Normandie médiévale, Presses universitaires de Caen.
Ook in de negentiende eeuw werden personen met een teruggetrokken bestaan op Tombelaine in verband gebracht. De Revue de l’Avranchin beschreef in 1888 een jonge man uit Aucey die Tombelaine had gehuurd, zich op het eiland vestigde, er een houten hut bouwde, een boot vervaardigde en grond bewerkte. Het artikel duidde hem aan als de "roi de Tombelaine" en de "ermite de Tombelaine".“Le roi et le marquis de Tombelaine”, Revue de l’Avranchin, 1888, p. 593. Hetzelfde artikel beschreef daarnaast afzonderlijk Joseph-Marie Gautier (1853–1892), een visser en gids die onder de bijnaam „markies van Tombelaine” bekendstond. Hij kwam in 1892 om het leven nadat hij op de slikken door de opkomende vloed was verrast.
In 1898 publiceerde Marie Philbert De markies van Tombelaine. Normandische schets in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift. Vijfentwintig jaar later publiceerde F. Bordewijk een vertelling met de titel De markies van de Tombelaine, die in mei en juni 1923 als feuilleton verscheen in De Vrijheid.F. Bordewijk, “De markies van de Tombelaine”, De Vrijheid, mei–juni 1923; zie tevens de drukgeschiedenis in F. Bordewijk, Verzamelde verhalen, DBNL. Ook in Bordewijks vertelling gaat het om een jonge man die zich op Tombelaine vestigt en door de plaatselijke bevolking de markies van Tombelaine wordt genoemd.F. Bordewijk, “De markies van de Tombelaine”, in: Verzamelde verhalen, DBNL.
Bordewijk bewerkte zijn vertelling later tot een verkorte en herschreven versie, die in 1959 onder de titel De markies van Tombelaine werd opgenomen in de bundel De Zigeuners.F. Bordewijk, Verzamelde verhalen, “Drukgeschiedenis”, DBNL. Literatuuronderzoeker Mieke Tillema, die in 1988 een essay schreef over vermeend plagiaat bij Bordewijk, omschreef zijn tekst uit 1923 als het "oerverhaal" van de latere versie.Mieke Tillema, “De hoogten van Conan Doyle, de trog van Bordewijk”, Hollands Maandblad, 1988, DBNL. Een rechtstreeks verband tussen de vertellingen van Philbert en Bordewijk is niet aangetoond. In het essay blijft de versie van Marie Philbert uit 1898 onbenoemd.
Dagboek Een uitzonderlijke bron voor Philberts persoonlijke leven vormt het bewaard gebleven dagboek van Marie. Haar aantekeningen geven een zeldzaam inkijkje in het dagelijks leven van een negentiende-eeuws diplomatengezin en in de diplomatieke, culturele en wetenschappelijke kringen waarin de familie zich bewoog.
Zij beschreef onder meer bezoeken aan haar tante Caroline Le Filleul de La Chapelle in Parijs, persoonlijke audiënties bij prinses Augusta, zuster van de koning van Denemarken, de Wereldtentoonstelling van 1878, de eerste elektrische straatverlichting op de Boulevard des Capucines en bij de Madeleine, de verschijning van de Grote komeet van 1882 en de feestelijke ontvangst van het schip de Vega in Helsingør na de voltooiing van de Noordoostelijke Doorvaart.
Een van de meest bijzondere aantekeningen betreft het bezoek van de Franse schrijver Jules Verne aan de familie Philbert te Rotterdam. Marie noteerde op 10 juni 1881: "Hebben Jules Verne, den beroemden schrijver, die met zijn jacht de Saint-Michel III ook een bezoek aan Rotterdam bracht, en zijn broer Paul Verne en een reisgenoot den heer Rosenmann, en Buziau den avond bij ons doorgebracht."
Latere jaren