Immortale Dei is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 1 november 1885, over de christelijke inrichting van de staat en de verhouding tussen kerkelijk en burgerlijk gezag.Leo XIII, Immortale Dei, 1 november 1885, Acta Sanctae Sedis 18 (1885), pp. 161–180. De encycliek is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere kerkelijke ordinarii die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan. Zij behandelt onder meer de oorsprong en begrenzing van het staatsgezag, de verhouding tussen Kerk en staat, de plaats van godsdienst in het openbare leven en de politieke verantwoordelijkheid van katholieken.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 1–3, 13–15 en 41–50.
Leo XIII stelt dat burgerlijk gezag noodzakelijk is voor het algemeen welzijn en uiteindelijk zijn oorsprong in God heeft. Tegelijk verbindt hij de legitimiteit van gezag niet aan één bepaalde regeringsvorm: verschillende staatsvormen kunnen volgens de encycliek geoorloofd zijn wanneer zij rechtvaardig worden bestuurd en het algemeen welzijn dienen.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 3–6 en 36. Voor de verhouding tussen Kerk en staat beschrijft de encycliek twee onderscheiden machten, elk met een eigen bevoegdheidssfeer, die in aangelegenheden waarin hun bevoegdheden elkaar raken in onderlinge overeenstemming behoren te handelen.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 13–15 en 35.
Historische context Immortale Dei verscheen tijdens een periode van ingrijpende veranderingen in de verhouding tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Europese staten. De opheffing van de Kerkelijke Staat in 1870 had de zogeheten Romeinse kwestie doen ontstaan. In Duitsland was de Kulturkampf tussen de regering van Otto von Bismarck en de Katholieke Kerk gedurende het pontificaat van Leo XIII geleidelijk door compromissen afgezwakt, terwijl in Frankrijk de verhouding tussen de Kerk en de republikeinse staat een belangrijk politiek vraagstuk bleef. Kerkhistoricus Owen Chadwick karakteriseert Leo XIII als behoudend in beginsel, maar gematigder in taal en diplomatieke methode dan zijn voorganger Pius IX.
De encycliek stond tevens in continuïteit met negentiende-eeuwse pauselijke kritiek op bepaalde vormen van politiek liberalisme, rationalisme, religieus indifferentisme en een scheiding van Kerk en staat die volgens de pausen de publieke rol en zelfstandigheid van de Kerk aantastte. Immortale Dei verwijst daarbij uitdrukkelijk naar Gregorius XVI en naar Pius IX, in het bijzonder diens encycliek Quanta cura en de daarbij behorende Syllabus Errorum uit 1864.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 23–35. De rechtsgeleerde en kerkhistoricus Ton Meijers plaatst dergelijke uitspraken in de negentiende-eeuwse katholieke reactie op liberale en seculariserende stromingen en beschrijft de toenmalige leer vanuit het primaat van religieuze waarheid boven een algemeen subjectief recht op godsdienstvrijheid.
De intellectuele context van Leo's pontificaat werd daarnaast gekenmerkt door een herwaardering van de scholastieke filosofie. In Aeterni Patris uit 1879 had Leo XIII het denken van Thomas van Aquino een centrale plaats gegeven in de katholieke filosofische vorming. Immortale Dei zelf noemt Thomas van Aquino echter niet; een rechtstreekse afhankelijkheid van specifieke thomistische teksten kan daarom niet uitsluitend uit de encycliek zelf worden afgeleid.
Inhoud en opbouw De encycliek bestaat in de gangbare moderne nummering uit vijftig paragrafen. Na een inleiding waarin Leo XIII reageert op het verwijt dat de Kerk een belemmering zou vormen voor burgerlijke vooruitgang, behandelt hij achtereenvolgens de oorsprong en taak van het burgerlijk gezag, het karakter en de bevoegdheden van de Kerk, de verhouding tussen beide machten, zijn kritiek op bepaalde moderne staatsopvattingen en ten slotte de praktische plichten van katholieken in het openbare leven.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 1–2 en 41–50.
Oorsprong en doel van het staatsgezag Volgens Leo XIII is de mens van nature op samenleving aangewezen. Omdat een politieke gemeenschap niet zonder gezag kan functioneren, beschouwt hij het bestaan van openbaar gezag als behorend tot de natuurlijke orde. De uiteindelijke oorsprong ervan ligt volgens de encycliek in God. Daarbij beroept Leo XIII zich onder meer op Romeinen 13:1, waar het gezag met God in verband wordt gebracht.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 3–6; vgl. Rom. 13:1.
Deze goddelijke oorsprong betekent in de encycliek niet dat één concrete staatsvorm door God zou zijn voorgeschreven. Leo stelt uitdrukkelijk dat het recht om te regeren niet noodzakelijk aan één regeringsvorm is verbonden. Monarchale, aristocratische of andere regeringsvormen worden dus niet als zodanig veroordeeld, mits het bestuur rechtvaardig is en het algemeen welzijn bevordert. Ook deelname van burgers aan het bestuur wordt niet principieel afgewezen; volgens Leo kan dergelijke participatie onder bepaalde omstandigheden zelfs wenselijk of verplicht zijn.Leo XIII, Immortale Dei (1885), § 36.
Leo verwerpt daarentegen een theorie van volkssoevereiniteit waarin het politieke gezag uitsluitend uit de wil van de bevolking wordt afgeleid zonder enige verwijzing naar een hogere morele orde. Zijn bezwaar richt zich daarmee niet zonder meer tegen politieke participatie of tegen een bepaalde regeringsvorm, maar tegen de opvatting dat de menselijke wil zelf de uiteindelijke bron van recht en gezag zou zijn.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 31 en 36.
Kerk en staat Centraal in Immortale Dei staat de leer van twee onderscheiden machten. De Kerk heeft volgens Leo XIII de verantwoordelijkheid voor de geestelijke en bovennatuurlijke bestemming van de mens, terwijl het burgerlijk gezag bevoegd is voor de burgerlijke en politieke orde. Beide bezitten volgens de encycliek binnen hun eigen gebied een hoogste bevoegdheid.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 11–14.
De Kerk wordt daarbij aangeduid als een zelfstandige of in het toenmalige kerkelijke vocabulaire volmaakte samenleving (societas perfecta): een gemeenschap die op grond van haar eigen oorsprong en doel over de voor haar taak noodzakelijke bevoegdheden beschikt en deze niet van de staat ontvangt.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 10–13 en 35. Het begrip duidt in deze context niet op morele volmaaktheid van de leden van de Kerk, maar op haar institutionele zelfstandigheid ten opzichte van de burgerlijke overheid.
Voor aangelegenheden die zowel een religieuze als een burgerlijke dimensie hebben, bepleit Leo geen volledige institutionele samensmelting. Hij spreekt daarentegen over een geordende verhouding en harmonie tussen beide machten, overeenkomstig hun verschillende doeleinden. Als historisch middel om dergelijke verhoudingen te regelen noemt hij overeenkomsten tussen kerkelijk en burgerlijk gezag.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 14–15 en 35.
De Amerikaanse jezuïet en theoloog John Courtney Murray interpreteerde deze leer in 1953 als onderdeel van een breder onderscheid bij Leo XIII tussen de politieke orde en andere maatschappelijke ordes. Volgens Murray is de vrijheid van de Kerk een terugkerend grondbeginsel van Leo's politieke denken: het burgerlijk gezag heeft niet zelf de taak om het religieuze heil te bewerkstelligen, maar moet de zelfstandigheid van de Kerk binnen de religieuze orde respecteren en beschermen.
Godsdienst en godsdienstige tolerantie Immortale Dei gaat uit van de katholieke aanspraak dat godsdienstige waarheid objectief kenbaar is en dat ook politieke gemeenschappen verplichtingen tegenover God hebben. Leo verwerpt daarom als beginsel een staatsorde waarin alle godsdiensten als even waar of gelijkwaardig worden beschouwd en de staat zich principieel onverschillig opstelt tegenover religieuze waarheid.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 22–25 en 35.
Daaruit volgt in de encycliek evenwel geen verplichting om iedere niet-katholieke godsdienstuitoefening met dwang te verhinderen. Leo verklaart uitdrukkelijk dat bestuurders andere godsdiensten kunnen dulden wanneer dit nodig is om een groter goed te beschermen of een groter kwaad te voorkomen. Eveneens stelt hij dat niemand tegen zijn wil gedwongen mag worden het katholieke geloof te aanvaarden.Leo XIII, Immortale Dei (1885), § 36. De encycliek verdedigt daarmee een leer van religieuze tolerantie, maar niet het moderne beginsel van godsdienstvrijheid als een gelijk burgerlijk recht dat onafhankelijk van de waarheidsaanspraak van een godsdienst aan iedere persoon toekomt.
Meijers beschrijft deze negentiende-eeuwse benadering als een waarheidsrechtsleer, waarin waarheid, recht en vrijheid met elkaar werden verbonden. Hij merkt daarbij op dat de later gebruikte begrippen staatskerk, staatsgodsdienst en katholieke confessionele staat niet letterlijk in Immortale Dei voorkomen, hoewel de encycliek volgens hem wel een doctrinaire grondslag bood voor een geprivilegieerde positie van het katholicisme in overwegend katholieke staten.
Vrijheid, waarheid en moraal De opvatting van vrijheid in Immortale Dei is verbonden met een objectieve opvatting van waarheid en het goede. Vrijheid is voor Leo niet in de eerste plaats de afwezigheid van beperkingen, maar een menselijk vermogen dat zijn doel bereikt wanneer het op waarheid en het moreel goede is gericht. Hij verwerpt daarom een onbeperkte vrijheid van meningsuiting of handelen wanneer daaronder wordt verstaan dat waarheid en morele normen uitsluitend van de individuele wil afhankelijk zijn.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 32 en 37–38.
Deze argumentatie combineert theologische en natuurrechtelijke elementen. Leo beroept zich enerzijds op de openbaring en de leerautoriteit van de Kerk, maar stelt anderzijds dat de menselijke rede de natuurlijke orde, de noodzaak van gezag en fundamentele morele normen kan kennen.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 3, 30–32. Meijers typeert de bredere negentiende-eeuwse katholieke benadering als neoscholastisch en natuurrechtelijk: morele normen worden in die visie niet door de menselijke wil voortgebracht, maar door de rede ontdekt in een orde die uiteindelijk van goddelijke oorsprong wordt geacht.
De encycliek verwerpt niet alle wetenschappelijke, technologische of politieke ontwikkelingen van haar tijd. Leo stelt dat ware kennis niet in strijd kan zijn met geopenbaarde waarheid en spreekt positief over wetenschappelijk onderzoek en over maatschappelijke verbeteringen die daadwerkelijk tot menselijk welzijn bijdragen.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 38–40. Zijn kritiek betreft volgens de tekst vooral filosofische en politieke beginselen die religie uit de maatschappelijke orde uitsluiten of menselijke autonomie als hoogste norm beschouwen.
Bijbelse en traditionele bronnen Een belangrijk Bijbels uitgangspunt is Romeinen 13:1, dat Leo gebruikt voor zijn opvatting dat openbaar gezag uiteindelijk van God afkomstig is.Leo XIII, Immortale Dei (1885), § 3 en noot 1. Voor de eigen bevoegdheid van de Kerk beroept de encycliek zich onder meer op nieuwtestamentische teksten over de zending en het gezag van de apostelen, waaronder Johannes 20:21, Matteüs 28:18–20, Matteüs 16:19 en Johannes 21:16–17. Voor de begrenzing van de gehoorzaamheid aan wereldlijk gezag wordt Handelingen 5:29 aangehaald, waarin gehoorzaamheid aan God boven gehoorzaamheid aan mensen wordt gesteld.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 11–14 en noten 5–17.
Daarnaast citeert Leo onder anderen Augustinus van Hippo, zowel ter ondersteuning van de morele betekenis van de christelijke samenleving als in zijn bespreking van vrijheid en vrijwillig geloof. Ook verwijst hij naar eerdere pausen, vooral Gregorius XVI en Pius IX.Leo XIII, Immortale Dei (1885), §§ 16–17, 34 en 36–37, noten 19–24. Hierdoor presenteert de encycliek haar politieke leer niet als een afzonderlijke politieke theorie, maar als onderdeel van een continuüm van Schrift, kerkelijke traditie, natuurrechtelijke redenering en pauselijk leergezag.
Katholieken en de politiek