De Willem van Oranjeherdenking (vroeger vaak aangeduid met Willem van Oranje-herdenking of Willem de Zwijger-herdenking) was een aanvankelijk eenmalige herdenking die gehouden werd op 24 april 1933, ter ere van de vierhonderdste geboortedag van Willem van Oranje. De herdenking werd jaren van tevoren gepland en door heel het land uitbundig gevierd. De herdenking leidde tot een opleving van het nationalisme en de vaderlandsliefde in de jaren na de eerste herdenking, evenals meerdere kleinschaligere vieringen van de geboorte van de prins tot 1940. Na de Tweede Wereldoorlog zou het tot 1968 duren voor er een nieuwe, beladen Willem van Oranjeherdenking werd gehouden, waarna er in de loop van de jaren sporadisch herdenkingen werden gehouden door verschillende nationalistische comités, partijen en organisaties.
Achtergrond Al op 2 april 1931 werd een speciaal herdenkingscomité opgesteld die zich bezig moest gaan houden met de organisatie van de Willem van Oranjeherdenking. Men koos Charles Ruijs de Beerenbrouck als erevoorzitter en Antonie Röell werd tot commissaris van de Koningin gekozen. Tot secretaris werd de Amsterdamse kantonrechter De Vries Feyens gekozen en de taak van penningmeester werd door de directeur van de Nederlandsch-Indische Handelsbank Christiaan Pieter van Eeghen vervuld. Later zou er nog een erecomité en algemene commissie worden gevormd.
Al op 8 december 1931 werd een officieel programma opgesteld voor de toekomstige feestelijkheden, die bestond uit de volgende geplande activiteiten:
Met toestemming van koningin Wilhelmina werden een aantal brieven van Willem van Oranje tentoongesteld, die toen nog niet eerder waren uitgebracht. De hoogleraar geschiedenis en gereformeerde predikant Aart Arnout van Schelven bracht een biografie en dissertatie met de naam Willem van Oranje. Willem van Oranje's geloof en godsdienstpolitiek uit. Aanvullend werd ook een subcommissie ingesteld om een gedenkboek uit te brengen als aanvulling op de biografie. Uiteindelijk zou de inhoud van dit gedenkboek door het Uitvoerend Comité worden vastgesteld en zouden onder meer over de persoonlijke omstandigheden, omgeving en familie van de prins gaan. In april en mei zou een tentoonstelling over Willem van Oranje worden gehouden in het Amsterdamse Rijksmuseum. Het hoogtepunt bestond uit een aantal schilderijen over de prins die hingen in buitenlandse museums, geleend waren en tijdelijk te bezichtigen zouden zijn in het Rijksmuseum. Daaromheen zou de tentoonstelling bestaan uit documenten. schilderijen, prenten en meer. Geïnspireerd op de jubileumfeesten van 1923 werd besloten tot de oprichting van veertien nieuwe kerkramen, die geplaatst zouden worden in de Nieuwe Kerk te Delft, de plaats waar Willem van Oranje op 3 augustus 1584 begraven werd. Van de elf grote ramen zouden er drie worden bestemd voor voorstellingen die betrekking hadden op het Huis Oranje-Nassau, vier voor taferelen uit het Oude Testament en vier voor taferelen uit het Nieuwe Testament. De drie kleine ramen zouden worden opgevuld met ornamentele figuren.
Hoewel de kosten vrij hoog bleken, mede vanwege de toenmalige heersende economische crisis, wist het herdenkingscomité het programma grotendeels (zij het op een bescheidener manier en zonder feestelijkheden) uit te voeren dankzij de giften die in 1932 binnenkwamen. Deze giften kwamen van veel personen in zowel het land zelve als de koloniën (ƒ8500 uit Nederlands-Indië en ƒ1800 uit Curaçao en Onderhorigheden), maar ook vanuit het buitenland. Verder hielpen de opbrengsten van speciale acties als een bloempjesdag van het comité De Baronie van Breda mee wat betreft de bekostiging van het speciale, kleine gedenkraam. De uitvoering van de te ontwerpen gedenkramen voor de Nieuwe Kerk stonden onder leiding van de Nederlandse kunstenaar Willem van Konijnenburg en zouden worden uitgevoerd door onder andere Jaap Gidding en Georg Rueter.
Onder de studentenkringen werd de herdenking georganiseerd door het Dietsch Studentenverbond, die in alle Nederlandse studentensteden een 'Wilhelmus van Nassau-dag' zou organiseren met als hoogtepunt een toespraak in de aula over een deel van het leven en werk van Willem van Oranje. Ook zou er interacademiaal een hulde worden gebracht tijdens het Willem de Zwijger-congres te Delft. Meerdere historici uit alle kringen, waaronder ook de normaal zo anti-koningsgezinde socialistische kring, hadden toegezegd om hier aan mee te doen. 'S avonds zou het Vlaamsche Volkstooneel een voorstelling geven over het leven van de prins. In Vlaams-nationalistische kringen werden eveneens voorbereidingen getroffen; er zou een delegatie van de turnbond Vlaamsch-Nationale Blauwvoetbond op de eerste der feestdagen naar Delft afreizen om een krans te leggen op het graf van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk.
Op 23 februari 1932 werd bekend gemaakt dat de subcommissie voor de uitgave van het gedenkboek van Willem van Oranje was samengesteld. De subcommissie zou bestaan uit Bonifacius Christiaan de Savornin Lohman, Johann Samuel Theissen, Willem Adriaan Beelaerts van Blokland, Aart Arnout van Schelven, Thomas Goossens en G.L. de Vries Feyens. De biografie zou worden samengesteld door Aart Arnout van Schelven en de Haarlemse uitgeverij H. D. Tjeenk Willink & Zoons zou zich ontfermen over de uitgave.
Herdenking Op 24 april 1933 werd de vierhonderdste geboortedag van Willem van Oranje op grootschalige, haast monumentale wijze gevierd door heel het land. Dit werd gedaan in de vorm van zang en dans, waarbij jong en oud vaderlandse volksliederen zongen en er op dansten. Ook werden allerlei herdenkingen, toneelvoorstellingen, historische tentoonstellingen, voordrachten en lezingen georganiseerd. Tot slot werden er talloze (school)feesten georganiseerd en parades en aubades gehouden. Zo werden bijvoorbeeld in verschillende delen van de gemeente Hardenberg vaderlandse liederen gezongen (Rheezerveen), liepen alle kinderen met het rood-wit-blauw naar school waar ze werden getrakteerd met lekkernijen (Lutten), werd er een herdenkingsavond gehouden in de met oranje versierde gereformeerde kerk waar de burgemeester een toespraak hield (Gramsbergen) en gingen 's ochtends de scholieren van alle vier scholen in optocht naar een lokale garage, waar zij meededen aan een wedstrijd in het versieren van allerlei dingen (Bergentheim). Te Delft had generaal Snijders de eer om een aantal toespraken te houden voor zo'n 30.000 aanwezigen, alvorens er onder andere een speciaal gedenkraam en gedenksteen werden onthuld en er optochten werden gehouden. In Amsterdam werd in het Concertgebouw de officiële herdenkingsplechtigheid gehouden, waar zowel minister-president Hendrikus Colijn als de erevoorzitter van het herdenkingscomité Charles Ruijs de Beerenbrouck een herdenkingsrede hielden, gekoppeld met nationale muziek van een orkest en koor en het Wilhelmus.
De feestelijkheden werden gevierd door allerlei verenigingen, van de Vereeniging "Uit het Volk-Voor het Volk" tot de Christelijke Oranjevereeniging en de Vereeniging "Koninginnedag". Ook veel Groot-Nederlandse groepen en (studenten)verenigingen als het Dietsch Studentenverbond, Algemeen-Nederlands Verbond en het Vlaamsche Volkstooneel pakten groots uit in periode voor en gedurende de feestvieringen. Zo bracht de DSV een herdenkingsbundel uit met de naam Wilhelmus van Nassouwe die gemaakt was door de Nederlandse hoogleraar geschiedenis Pieter Geijl. Verder organiseerde het DSV samen met het Algemeen-Nederlands Verbond en het Nationaal Jongeren Verbond (die niet Groot-Nederlands van aard was) meerdere lezingen langs verschillende universiteiten en hogescholen, terwijl het Vlaamsche Volkstooneel opvoeringen van het toneelstuk Willem de Zwijger van Paul de Mont verzorgde. Het hoogtepunt was de zogenaamde volkshulde die men op 17 april hield in Delft, waar het DSV een belangrijke rol in speelde. Behalve een herdenkingsdienst en bloemenhulde op het graf van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk en een nog te onthullen gedenksteen, traden meerdere prominente sprekers als Anton van Duinkerken en Cornelis Jacobus Snijders op. De eed, waarvan de tekst geschreven was door de Vlaamse rooms-katholieke priester en letterkunde Cyriel Verschaeve, werd afgenomen door Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard. In totaal namen 25.000 aanwezige personen deel aan de activiteiten, waaronder 2000 Vlamingen. thumb|Penning met erop Willem van Oranje, gemaakt voor de Willem van Oranjeherdenking 1933. Naast de feestelijkheden werden er ook speciale medailles en penningen uitgebracht. De medailles en penningen zijn gemaakt door de Nederlandse medailleur Oswald Wenckebach. Het Landelijk Comité had op 16 februari 1933 de opdracht gegeven aan de Koninklijke Begeer om een herinneringspenning te maken, die uitgereikt zou worden aan officiële personen in binnen- en buitenland. De penning zou aan de voorzijde het portret van Willem van Oranje in hoog reliëf naar het beroemde schilderij van Adriaen Thomasz Key vertonen, de achterkant een Prinsenvlag met het opschrift 'Den Vaderlant ghetrouwe 1533 - 1933' en op de achtergrond een pijlenbundel. De penningen zouden in verschillende maten, als draag- of legmunt en zowel in goud, zilver en brons worden uitgegeven. Ook werden er speciale herdenkingspostzegels omtrent de Willem van Oranjeherdenking uitgegeven met de frankeerwaarde van 1½, 5, 6 en 12½ cent. De postzegels werden zonder toeslag verkocht tussen 1 april en 31 december 1933.
Buitenland thumb|Arabische, inheemse en Europese kinderkoren brengen een zanghulde aan gouverneur-generaal Bonifacius Cornelis de Jonge bij de plantentuin van het Paleis te Buitenzorg tijdens de Willem van Oranjeherdenking 1933. Behalve Nederland werd ook in het buitenland de herdenking groots gevierd. In zowel West-Indië (de koloniën Suriname en Curaçao en Onderhorigheden) als Nederlands-Indië werden vergelijkbare feestelijkheden gehouden als in Nederland. Zo werden 400.000 à 500.000 kleurplaten van Willem van Oranje, op basis van een beroemd schilderij van Adriaen Thomasz Key, verspreid onder de schooljeugd in Nederland en op de eilanden. Daarnaast werden de gedenkpenningen van Willem van Oranje ook in Nederlands-Indië uitgegeven. Op 8 december 1932 werd vermeldt in het Algemeen Handelsblad dat de gouverneur van West-Java, Carel Arthur Schnitzler, opdracht had gegeven om een lokaal comité te vormen voor de Willem van Oranjeherdenking in Batavia en Meester Cornelis. Een vergelijkbaar lokaal comité was op 24 november al opgericht in Curaçao en Onderhorigheden en zou een paar weken later op 21 december in Suriname worden opgericht.