Orientalium dignitas is een apostolische brief van paus Leo XIII, gedateerd op 30 november 1894, over de bescherming van de kerkelijke discipline, liturgische tradities en rechten van de oosterse katholieke Kerken.Leo XIII, Orientalium dignitas, 30 november 1894, Acta Sanctae Sedis, vol. 27 (1894–1895), pp. 257–264. Hoewel de Heilige Stoel het document als apostolische brief classificeert, wordt het in een deel van de secundaire literatuur ook als encycliek of apostolische constitutie aangeduid.The Oxford Handbook of Catholic Theology, “Notes on Sources and Abbreviations”, Oxford University Press, 2015, pp. xvii–xxx, DOI 10.1093/oxfordhb/9780199566273.002.0006; .

De brief bevestigde het recht van oosterse katholieken om hun eigen liturgische gebruiken en kerkelijke discipline te behouden en beperkte pogingen van Latijnse geestelijken om hen tot de Latijnse ritus te doen overgaan. Leo XIII breidde daarbij bepalingen uit die Benedictus XIV in 1743 in Demandatam voor de Grieks-Melkitische katholieken had vastgesteld tot de overige oosterse katholieke ritussen. In de brief verbond Leo de bescherming van de oosterse tradities met zijn streven naar kerkelijke eenheid tussen Oost en West. In moderne geschiedschrijving is het document daarom onder meer geïnterpreteerd als een verschuiving weg van bepaalde latiniserende missioneringspraktijken, zonder dat Leo XIII zijn streven naar hereniging met Rome opgaf.

Historische context In de negentiende eeuw waren katholieke missionarissen uit West-Europa actief onder christelijke gemeenschappen in het Ottomaanse Rijk en andere gebieden van het christelijke Oosten. Daarbij bestonden spanningen over de verhouding tussen de Latijnse kerkelijke gebruiken en de eigen liturgische en disciplinaire tradities van de oosterse katholieke gemeenschappen. De historicus Ediz Hazir plaatst Orientalium dignitas binnen een ontwikkeling in het pontificaat van Leo XIII waarbij de Heilige Stoel meer nadruk ging leggen op het behoud van de eigen oosterse ritussen.

Het document maakte tevens deel uit van Leo XIII's bredere beleid ten aanzien van de christelijke Kerken van het Oosten. Enkele maanden eerder had hij in de apostolische brief Praeclara gratulationis publicae van 20 juni 1894 de verdeeldheid van de christenheid besproken en in het bijzonder de verhouding tussen de Kerk van Rome en de Kerken van het Oosten aan de orde gesteld.Leo XIII, Praeclara gratulationis publicae, 20 juni 1894, Acta Sanctae Sedis, vol. 26 (1893–1894), pp. 705–717. In Orientalium dignitas verwees hij naar zijn eerdere initiatieven en naar overleg met oosterse katholieke patriarchen.

Leo XIII stelde dat de oosterse Kerken vanwege hun oudheid en hun aandeel in de vroege geschiedenis van het christendom bijzondere eerbied verdienden. Hij verwees daarbij naar hun betekenis voor het apostolaat, het martelaarschap, de christelijke leer en de heiligheid. Tegelijk presenteerde hij de band met de Apostolische Stoel als het centrum van de door hem nagestreefde kerkelijke eenheid.

Theologische en ecclesiologische uitgangspunten Een centraal uitgangspunt van Orientalium dignitas is dat kerkelijke eenheid volgens Leo XIII niet noodzakelijk liturgische uniformiteit inhoudt. De verschillende oosterse liturgieën hadden volgens de brief een grote ouderdom en vormden een zichtbaar getuigenis van de geschiedenis en universaliteit van de Kerk. De paus stelde dat legitieme verscheidenheid in liturgie en kerkelijke discipline niet schadelijk hoefde te zijn voor de Kerk, maar haar juist kon verrijken.

De liturgie heeft in deze redenering bovendien een theologische betekenis. Leo XIII beschreef de oosterse ritussen niet als louter plaatselijke gebruiken, maar als historische uitdrukkingen van het christelijke geloof. De bescherming van die ritussen stond daardoor in verband met het bewaren van het kerkelijke erfgoed zelf. Adrian Fortescue benadrukte in zijn historische studie uit 1923 eveneens dat de brief het beginsel bevestigde dat eenheid met Rome niet vereiste dat oosterse katholieken hun eigen oude ritussen voor Latijnse gebruiken opgaven.

Deze waardering van verscheidenheid stond bij Leo XIII binnen een duidelijk rooms-katholiek ecclesiologisch kader. Orientalium dignitas betwistte de pauselijke aanspraak op universeel gezag niet, maar probeerde het behoud van oosterse eigenheid met gemeenschap met de Apostolische Stoel te verenigen. De brief kan daarom niet zonder meer worden gelezen als een moderne theorie van kerkelijk pluralisme. Hazir plaatst het document veeleer in een geleidelijke verandering van de katholieke benadering van het Oosten, waarbij het terugdringen van latiniserende missioneringsmethoden verbonden bleef met het streven naar kerkelijke hereniging.

De brief ontwikkelt geen zelfstandig filosofisch systeem en bevat geen uitvoerige behandeling van bijvoorbeeld metafysica, kennistheorie of wijsgerige antropologie. De relevante conceptuele argumentatie betreft vooral de verhouding tussen eenheid en verscheidenheid, traditie en kerkelijke identiteit. Een toeschrijving van het document aan een specifieke filosofische school, zoals het thomisme, personalisme of fenomenologie, is in de geraadpleegde secundaire literatuur niet aangetoond.

Bepalingen Na de historische en theologische motivering formuleerde Leo XIII een reeks concrete disciplinaire bepalingen. Hij bevestigde daarbij eerdere maatregelen van Benedictus XIV en verklaarde dat deze voortaan ruimer op de katholieke oosterse ritussen moesten worden toegepast.

Een Latijnse missionaris die een oosterse katholiek ertoe bracht van zijn eigen ritus naar de Latijnse ritus over te gaan, kon volgens de eerste bepaling van de brief automatisch een schorsing van de uitoefening van zijn priesterlijke bediening oplopen en uit zijn functie worden verwijderd. Daarmee beperkte de brief uitdrukkelijk actieve pogingen van Latijnse geestelijken om ritusovergangen te bevorderen. Fortescue beschouwde juist deze bescherming tegen overgang naar de Latijnse ritus als een van de belangrijkste kenmerken van het document.

De brief maakte tevens onderscheid tussen deelname aan de sacramenten in een andere ritus en een formele verandering van ritus. Wanneer geen priester van de eigen ritus beschikbaar was, mocht een katholiek onder bepaalde voorwaarden een priester van een andere katholieke ritus ontvangen. Het ontvangen van de communie volgens een andere ritus betekende op zichzelf geen verandering van ritus.

Voor onderwijsinstellingen die door Latijnse religieuze orden werden bestuurd en waarin oosterse katholieke leerlingen verbleven, schreef Leo XIII voor dat, wanneer hun aantal dat rechtvaardigde, geestelijke verzorging volgens hun eigen ritus beschikbaar moest zijn. De brief trok eerder verleende privileges in voor zover die tot gevolg hadden dat oosterse leerlingen eenvoudigweg de Latijnse ritus zouden aannemen.

Ook behandelde de brief de terugkeer naar een oorspronkelijke ritus. Oosterse katholieken die eerder naar de Latijnse ritus waren overgegaan, konden met toestemming van de Heilige Stoel naar hun oorspronkelijke ritus terugkeren. Voor een vrouw in een huwelijk tussen personen van verschillende katholieke ritussen werd bepaald dat zij de ritus van haar echtgenoot kon volgen en, na het einde van het huwelijk, naar haar oorspronkelijke ritus kon terugkeren.

Verder bepaalde Leo XIII dat oosterse katholieken die buiten het territorium van hun eigen patriarch verbleven en daar wegens de plaatselijke omstandigheden onder Latijnse geestelijken vielen, daardoor hun oorspronkelijke ritus niet verloren. Religieuze orden van de Latijnse ritus mochten bovendien niet zonder de vereiste kerkelijke documenten leden van een oosterse ritus opnemen.

Een andere bepaling betrof groepen of personen die zich met de Katholieke Kerk verenigden. Wanneer zij wegens praktische omstandigheden aanvankelijk de Latijnse ritus hadden aangenomen, sloot dit volgens de brief een latere terugkeer naar hun oorspronkelijke oosterse ritus niet uit. Ten slotte breidde Leo XIII de jurisdictie van de Grieks-Melkitische patriarch over gelovigen van dezelfde ritus binnen het Ottomaanse Rijk uit.

Betekenis en receptie In de oudere katholieke geschiedschrijving kreeg Orientalium dignitas een prominente plaats in de ontwikkeling van het beleid van de Heilige Stoel tegenover de oosterse katholieke Kerken. Fortescue noemde het in 1923 een bijzonder belangrijke pauselijke maatregel en plaatste het, wat de bescherming van de oosterse ritussen betreft, in het verlengde van de maatregelen van Benedictus XIV.

Ook in hedendaagse historische literatuur wordt het document gezien als onderdeel van een verschuiving in de katholieke benadering van het Oosten. Hazir beschrijft Leo XIII's beleid als een beperkte verandering ten opzichte van eerdere missioneringspraktijken: de nadruk kwam sterker te liggen op het respecteren van de bestaande oosterse ritussen, terwijl het ideaal van een bredere kerkelijke hereniging behouden bleef.

Het Tweede Vaticaans Concilie verwees zeventig jaar later expliciet naar Orientalium dignitas in het decreet Orientalium Ecclesiarum van 21 november 1964. In de opening van dat decreet verklaarde het concilie dat de instellingen, liturgische ritussen, kerkelijke tradities en levensordening van de oosterse Kerken deel uitmaken van het erfgoed van de universele Kerk; in de bijbehorende eerste noot werd Orientalium dignitas uitdrukkelijk als een van de voorafgaande pauselijke documenten aangehaald.Tweede Vaticaans Concilie, Orientalium Ecclesiarum, 21 november 1964, nr. 1 en noot 1.

In 1995 herdacht paus Johannes Paulus II in de apostolische brief Orientale Lumen de honderdste verjaardag van Orientalium dignitas. Hij presenteerde Leo XIII's brief als een document dat de betekenis van de oosterse tradities voor de gehele Kerk had willen beschermen en verbond die waardering opnieuw met de zoektocht naar eenheid tussen de christenen van Oost en West.Johannes Paulus II, Orientale Lumen, 2 mei 1995, nr. 1.

Zie ook

Lijst van encyclieken van paus Leo XIII

Externe link

Orientalium dignitas - officiële Engelse tekst op de website van de Heilige Stoel

Literatuur

Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:Pauselijke encycliek Categorie:1894