miniatuur|Johann Baptist Franzelin Johann Baptist Franzelin (Aldein, 15 april 1816 – Rome, 11 december 1886) was een Oostenrijks jezuïet, rooms-katholiek dogmatisch theoloog en kardinaal. Hij doceerde vanaf 1857 dogmatische theologie aan het Collegio Romano en speelde als consultor van de voorbereidende dogmatische commissie, pauselijk theoloog en lid van een redactiecommissie een belangrijke rol bij het Eerste Vaticaans Concilie. Zijn invloed is met name terug te vinden in de totstandkoming van de dogmatische constituties Dei Filius en Pastor aeternus.Friedrich Lauchert, "Franzelin, Johann Baptist", in Allgemeine Deutsche Biographie, deel 48, Duncker & Humblot, Leipzig 1904, pp. 730–731.

Leven

Jeugd en opleiding Franzelin werd op 15 april 1816 geboren in Aldein (Italiaans: Aldino), een dorp ten zuiden van Bozen, het huidige Bolzano, in Zuid-Tirol. Het gebied maakte destijds deel uit van het Keizerrijk Oostenrijk. Hij kwam uit een Duitstalig gezin van herbergiers en landbouwers en was het vijfde van zeven kinderen. Zijn vader overleed in 1824. Na de lagere school in Aldein bezocht Franzelin in Bozen een door franciscanen geleid gymnasium.

Op 27 juli 1834 trad hij in Graz toe tot het noviciaat van de Oostenrijks-Galicische provincie van de Sociëteit van Jezus. Na zijn noviciaat en filosofische opleiding werkte hij vanaf 1839 enkele jaren in onderwijsinstellingen van de jezuïeten in Tarnopol en Lemberg. Daar doceerde hij onder meer klassieke talen en vervulde hij taken in de studiebegeleiding van jezuïetenscholastieken.

In 1845 begon Franzelin zijn theologiestudie aan het Collegio Romano in Rome. Een van zijn belangrijkste docenten was de jezuïet Giovanni Perrone, die in zijn theologie veel aandacht besteedde aan de Bijbel en de kerkvaders. Ook de theoloog Carlo Passaglia beïnvloedde Franzelins latere belangstelling voor filologie, historische bronnen en de ontwikkeling van de dogmatiek.

Vertrek uit Rome en priesterwijding Als gevolg van de politieke onrust van 1848 moesten de jezuïeten in mei van dat jaar Rome verlaten. Franzelin zette met docenten en medestudenten zijn opleiding gedurende ongeveer een half jaar voort in Ugbrooke House in Devon in Engeland. Vervolgens ging hij met Passaglia naar Leuven, waar hij zijn studie zou voltooien. Door ziekte kon hij er zijn afsluitende theologische disputatie niet afleggen.

In november 1849 werd Franzelin naar het jezuïetenscholasticaat in Vals, nabij Le Puy-en-Velay, gezonden, waar hij onder meer Schriftuitleg en Hebreeuws doceerde. In december 1849 werd hij in Le Puy-en-Velay tot priester gewijd. In februari 1853 legde hij, inmiddels terug in Rome, zijn plechtige geloften in de Sociëteit van Jezus af.

Hoogleraar in Rome Vanaf het najaar van 1850 doceerde Franzelin aan het Collegio Romano. Aanvankelijk gaf hij onderwijs in oosterse talen en assisteerde hij Perrone. Van 1854 tot 1856 doceerde hij Bijbelse inleiding. Tussen 1853 en 1857 woonde hij in het Collegium Germanicum, waar hij naast zijn onderwijsactiviteiten als studieprefect en biechtvader werkzaam was.

In 1857 volgde hij Passaglia op als hoogleraar dogmatische theologie aan het Collegio Romano. Gedurende negentien jaar behandelde hij in een vierjarige cyclus achtereenvolgens de triniteitstheologie, christologie, goddelijke traditie en Heilige Schrift, en de sacramentenleer. De collegestof vormde de basis voor een reeks Latijnse theologische traktaten die vanaf de jaren 1860 in druk verschenen en meermaals werden heruitgegeven.

Na de inname van Rome in 1870 kwam het Collegio Romano onder druk van de nieuwe Italiaanse overheid te staan. In 1873 werden de nog bestaande filosofische en theologische afdelingen voortgezet onder de naam Pauselijke Universiteit Gregoriana. Franzelin en andere jezuïetendocenten zetten hun onderwijs in deze overgangsperiode elders in Rome voort.

Theologie

Theologische methode Franzelins theologie wordt gerekend tot de negentiende-eeuwse Romeinse theologie, maar volgens theoloog Bernhard Knorn kan zijn methode niet zonder meer met de toen opkomende neoscholastiek worden vereenzelvigd. Franzelin combineerde elementen uit de middeleeuwse en vroegmoderne scholastieke traditie met intensief gebruik van de Bijbel, de kerkvaders en de geschiedenis van de dogmatiek. Daarbij sloot hij onder meer aan bij de historische belangstelling van Denis Pétau en bij methodologische impulsen van Passaglia.

Hij gebruikte filologische en historische methoden om Bijbelse en patristische teksten in hun context te bestuderen, zonder daarmee de latere historisch-kritische methode volledig over te nemen. Historische bronnen werden bij hem geïntegreerd in een systematisch-theologisch kader waarin het kerkelijk leergezag een centrale plaats innam.

Schrift, traditie en leergezag Een belangrijk onderwerp in Franzelins werk was de verhouding tussen openbaring, Heilige Schrift, traditie en kerkelijk leergezag. In zijn Tractatus de Divina Traditione et Scriptura beschreef hij traditie niet uitsluitend als een overgeleverde verzameling leerstellingen, maar ook als het levende proces waarin het geloof wordt doorgegeven, ontvouwd en geïnterpreteerd.

Franzelin maakte daarbij onderscheid tussen goddelijke openbaring, de inspiratie van de Bijbelschrijvers en de bijstand van de Heilige Geest aan het kerkelijk leergezag. Nieuwe dogmatische definities beschouwde hij daarom niet als nieuwe openbaringen, maar als nadere ontvouwing van de reeds gegeven geloofsinhoud. Dit onderscheid speelde ook een rol in zijn bijdragen aan de discussies over het pauselijk leergezag tijdens het Eerste Vaticaans Concilie.

Eerste Vaticaans Concilie Franzelin was van 1867 tot 1870 betrokken bij de voorbereiding en werkzaamheden van het Eerste Vaticaans Concilie. Voor de opening van het concilie was hij consultor van de dogmatische voorbereidende commissie. Tijdens het concilie zelf trad hij op als pauselijk theoloog en maakte hij deel uit van een commissie die aan de redactie van concilieteksten werkte.

Zijn bijdrage was in het bijzonder van belang bij de voorbereiding van de leerstellige teksten die uiteindelijk resulteerden in Dei Filius, over het katholieke geloof, en Pastor aeternus, over het pauselijk primaat en de pauselijke onfeilbaarheid.

Voor het voorbereidende dogmatische schema dat aan Dei Filius voorafging, verrichtte Franzelin een groot deel van het voorbereidende onderzoek en redactiewerk. Het oorspronkelijke schema werd tijdens de beraadslagingen echter bekritiseerd en vervolgens ingrijpend herwerkt voordat de uiteindelijke constitutie op 24 april 1870 werd aangenomen. Franzelin kan daarom niet zonder meer als de enige auteur van de definitieve tekst worden beschouwd.

Bij de redactie van het vierde hoofdstuk van Pastor aeternus, dat over de pauselijke onfeilbaarheid handelt, had Franzelin eveneens een belangrijke rol. Hij werkte daarbij onder anderen samen met de jezuïeten Joseph Kleutgen en Clemens Schrader. Franzelin bepleitte een nauwkeurige omschrijving van de voorwaarden waaronder van een onfeilbare pauselijke uitspraak kon worden gesproken. Uit onderzoek van de conciliedocumenten blijkt verder dat hij betrokken was bij officiële antwoorden van de Deputatie voor het Geloof op bezwaren tegen de voorgestelde formuleringen en dat hij bijdroeg aan de toelichting waarmee bisschop Vinzenz Gasser de uiteindelijke formulering aan het concilie verklaarde.

Werk voor de Romeinse Curie en kardinalaat Naast zijn academische werkzaamheden werd Franzelin vanaf de jaren 1860 ingezet als adviseur van verschillende organen van de Romeinse Curie. In 1862 werd hij consultor voor de afdeling van de Congregatie de Propaganda Fide die zich met de oosters-katholieke kerken bezighield. Vanaf 1863 werkte hij ook voor het Heilig Officie, aanvankelijk als beoordelaar van theologische publicaties en vanaf 1871 als consultor. In 1869 werd hij tevens consultor van de Congregatie voor Buitengewone Kerkelijke Aangelegenheden.

Paus Pius IX verhief Franzelin op 3 april 1876 tot kardinaal-priester. Hij kreeg Santi Bonifacio e Alessio als titelkerk. Franzelin werd niet tot bisschop gewijd. Met zijn benoeming tot kardinaal kwam een einde aan zijn hoogleraarschap en werd zijn werk voor de Romeinse Curie zijn voornaamste bezigheid.

Als curiekardinaal hield hij zich onder meer bezig met kerkelijke aangelegenheden in Duitsland en Rusland. In 1877 maakte hij deel uit van een commissie die de Heilige Stoel adviseerde over onderhandelingen met het Russische Rijk. Ook was hij in 1884 betrokken bij de voorbereiding van het Derde Plenair Concilie van Baltimore; het werkdocument dat door Propaganda Fide voor dat concilie werd voorbereid, werd door Franzelin opgesteld en vervolgens binnen de congregatie besproken.

Overlijden Franzelin overleed op 11 december 1886 in Rome. Vier dagen later vond zijn uitvaart plaats in de kerk San Bernardo alle Terme. Hij werd begraven in het jezuïetengedeelte van de begraafplaats Campo Verano. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van zijn overlijden werden zijn stoffelijke resten in 1986 overgebracht naar zijn geboorteplaats Aldein en herbegraven in de plaatselijke parochiekerk.

Werken Franzelins belangrijkste dogmatische werken zijn in het Latijn geschreven en kwamen grotendeels voort uit zijn colleges aan het Collegio Romano. Een selectie:

Tractatus de Sacramentis in genere (Rome, 1868) Tractatus de SS. Eucharistiae Sacramento et Sacrificio (Rome, 1868) Tractatus de Deo trino secundum personas (Rome, 1869) Tractatus de Verbo incarnato (Rome, 1869) Tractatus de Deo uno secundum naturam (Rome, 1870) Tractatus de Divina Traditione et Scriptura (Rome, 1870) Examen doctrinae Macarii Bulgakow ... de processione Spiritus Sancti (Rome, 1876) Theses de Ecclesia Christi (Rome, 1887, postuum)

Bronnen

Verder lezen

Categorie:Oostenrijks jezuïet Categorie:Oostenrijks rooms-katholiek priester Categorie:Oostenrijks theoloog Categorie:Oostenrijks filosoof