De Wet van 28 mei 1971 houdende nieuwe maatregelen voor de universitaire expansie was een Belgische wet die de in 1965 ingezette uitbreiding en herstructurering van het universitair onderwijs voortzette. De wet werd op 28 mei 1971 bekrachtigd en op 17 juli 1971 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op bladzijde 8799.Wet van 28 mei 1971 houdende nieuwe maatregelen voor de universitaire expansie, Belgisch Staatsblad, 17 juli 1971, p. 8799.

De parlementaire voorbereiding plaatste de regeling uitdrukkelijk in de tweede fase van de universitaire expansie na de expansiewet van 9 april 1965. De hervorming was bedoeld om het groeiende studentenaantal op te vangen, de toegang tot het hoger onderwijs verder te democratiseren en beter rekening te houden met regionale wetenschappelijke en sociaaleconomische behoeften.

De wet breidde onder meer de onderwijs- en diplomabevoegdheden van verschillende universitaire instellingen uit, verruimde de universitaire opleidingen in Kortrijk, wijzigde de status van het Rijksuniversitair Centrum te Bergen in die van Rijksuniversiteit en verbond de rijksfinanciering van nieuwe studierichtingen aan de wettelijk toegekende onderwijsbevoegdheid. Voor de provincie Luxemburg voorzag artikel 22 daarnaast in de mogelijkheid een universitaire instelling voor toegepast wetenschappelijk onderzoek en postgraduaatonderwijs op te richten, te erkennen en te subsidiëren.

Achtergrond Vanaf de jaren zestig nam het aantal universiteitsstudenten in België sterk toe. Historische studies verbinden deze ontwikkeling zowel met de naoorlogse demografische groei als met de toenemende participatie aan het hoger onderwijs en het streven naar een democratisering van de toegang tot universitaire studies. Daarnaast kreeg de universitaire expansie een regionale dimensie: de spreiding van opleidingen buiten de traditionele universiteitssteden werd gezien als een middel om regionale verschillen in deelname aan het hoger onderwijs te verkleinen.

De wet van 9 april 1965 vormde een eerste belangrijke wettelijke stap. Zij stimuleerde onder meer de ontwikkeling van nieuwe universitaire centra in Antwerpen en Bergen en de decentralisering van kandidaatsonderwijs. Artikel 72 van die wet voorzag in onderzoek naar een volgende fase van de universitaire expansie. Een bijzondere commissie binnen de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid werkte hierover een rapport uit, waarvan de besluiten op 1 april 1968 werden ingediend.

Volgens de parlementaire voorbereiding moest de verdere uitbreiding niet uitsluitend op de stijgende studentenaantallen worden gebaseerd. Ook de wetenschappelijke ontwikkeling van de instellingen, de economische en sociale behoeften van de regio's en het vermijden van onnodige verdubbeling van opleidingen speelden een rol bij de planning.

Parlementaire voorbereiding Het wetsontwerp werd op 13 oktober 1970 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend als parlementair stuk 764/1. De Commissie voor de Nationale Opvoeding bracht op 27 januari 1971 verslag uit. In dat verslag werd de hervorming gekoppeld aan de noodzaak het groeiende aantal studenten op te vangen, de toegang tot het hoger onderwijs te democratiseren en bestaande instellingen zowel horizontaal als verticaal verder te ontwikkelen.

De hervorming van het universitaire landschap werd in 1971 over verschillende wetten verdeeld. De regeling betreffende de Universitaire Instelling Antwerpen en die betreffende het Universitair Centrum Limburg kregen een eigen wettelijk statuut. De wet betreffende de universitaire expansie bevatte daarmee samenhangende wijzigingen van bestaande onderwijswetgeving, maar mag niet met die afzonderlijke oprichtingswetten worden vereenzelvigd.

Inhoud

Uitbreiding van opleidingen en diplomabevoegdheden De wet wijzigde verschillende bestaande wetten betreffende universitaire instellingen, academische graden en de bescherming van titels. Een onderdeel daarvan was de verdere decentralisering van de opleidingen van de Katholieke Universiteit Leuven in Kortrijk. Naast de reeds georganiseerde kandidaturen in onder meer letteren, wijsbegeerte en rechten werden ook kandidaturen in de geneeskundige wetenschappen en in wiskundige, natuurkundige en scheikundige wetenschappen mogelijk gemaakt.

Ook verschillende met universiteiten gelijkgestelde instellingen kregen ruimere mogelijkheden om academische graden of titels te verlenen. De parlementair aangenomen tekst voorzag onder meer in een uitbreiding voor de Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix te Namen op het gebied van wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie. De Faculté universitaire catholique de Mons kreeg ruimere bevoegdheden op het gebied van de politieke en administratieve wetenschappen. Voor de Facultés universitaires Saint-Louis en de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel werd het kandidaatsonderwijs in de economische, sociale en politieke wetenschappen uitgebreid.

Rijksuniversiteit te Bergen Een van de voornaamste institutionele gevolgen van de wet was de omzetting van het Rijksuniversitair Centrum te Bergen in de Rijksuniversiteit te Bergen. De wet paste daarvoor onder meer de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat aan. Het door de Staat georganiseerde universitair onderwijs omvatte voortaan de universiteiten te Gent, Luik en Bergen en het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen.

De wijziging was ook juridisch van betekenis voor het toenmalige wettelijke begrip universiteit. De Rijksuniversiteit te Bergen beschikte niet over alle faculteiten die volgens de algemene wettelijke regel voor een rijksuniversiteit werden genoemd. De wet voorzag daarom uitdrukkelijk in een uitzondering. Jurist L. Vanhove gebruikte deze wetswijziging later als voorbeeld van het feit dat de wettelijke benaming universiteit niet noodzakelijk samenviel met het begrip van een volledig uitgebouwde universitaire instelling.

In historische overzichten wordt de hervorming eveneens beschreven als het moment waarop het in 1965 opgerichte universitaire centrum te Bergen wettelijk tot universiteit werd verheven.

Programmatie en financiering Artikel 20 koppelde vanaf het academiejaar 1971-1972 de rijksfinanciering aan de wettelijk erkende onderwijsbevoegdheid. Wanneer een universiteit of een met een universiteit gelijkgestelde instelling andere universitaire studierichtingen organiseerde dan die welke tot de diploma's leidden waarvoor zij wettelijk bevoegd was, kon zij voor die opleidingen geen aanspraak maken op financiering door het Rijk.

Deze bepaling betekende niet dat de wet van 28 mei 1971 de algemene financiering van de Belgische universiteiten regelde. Die bredere hervorming kwam tot stand met de afzonderlijke wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen. Die wet koppelde de werkingstoelagen onder meer aan het aantal voor financiering in aanmerking genomen studenten en aan forfaitaire kosten per studierichting.

Provincie Luxemburg Artikel 22 bepaalde dat de Staat in de provincie Luxemburg een universitaire instelling kon oprichten of een bestaande instelling kon erkennen en subsidiëren. De opdracht van een dergelijke instelling moest, in overleg met de universiteiten en daarmee gelijkgestelde instellingen, bestaan uit het bevorderen en coördineren van toegepast wetenschappelijk onderzoek en bepaalde vormen van postgraduaatonderwijs. De Koning diende de werkings- en subsidiëringsvoorwaarden bij een in de Ministerraad overlegd besluit vast te stellen.

Bij artikel 22 vermeldt Edulex als uitvoeringsbesluit het koninklijk besluit van 19 juli 1972, bekendgemaakt op 9 september 1972. In de historische literatuur wordt de in Aarlen gevestigde Fondation universitaire luxembourgeoise genoemd als een van de universitaire instellingen die in deze periode ontstonden, met activiteiten die zich onder meer op postgraduaatonderwijs en milieuvraagstukken richtten.

Relatie tot andere universitaire wetten van 1971 De wet maakte deel uit van een breder pakket hervormingen, maar drie regelingen moeten juridisch van elkaar worden onderscheiden.

De Universitaire Instelling Antwerpen werd geregeld door de afzonderlijke wet van 7 april 1971 houdende de oprichting en de werking van de Universitaire Instelling Antwerpen.

Ook het Universitair Centrum Limburg werd door een afzonderlijke wet opgericht: de wet van 28 mei 1971 houdende de oprichting en de werking van het Universitair Centrum Limburg. Hoewel deze wet dezelfde datum droeg als de expansiewet, ging het om een afzonderlijke wettelijke regeling. Het wetsontwerp daarvoor was op 24 februari 1971 als parlementair stuk 907/1 ingediend.

Ten slotte werd de structurele financiering en controle van de universitaire instellingen hoofdzakelijk geregeld door de afzonderlijke wet van 27 juli 1971.

Historische betekenis In de geschiedschrijving worden de expansiewetten van 1965 en 1971 gezamenlijk beschouwd als belangrijke factoren in de geografische en institutionele verbreding van het Belgische universitaire landschap. Zij gingen gepaard met de ontwikkeling van universitaire voorzieningen buiten de vier traditionele universitaire centra en met een ruimere spreiding van kandidaatsonderwijs en andere universitaire opleidingen.

De wet van 28 mei 1971 had daarbij een eigen institutionele betekenis doordat zij de bevoegdheden van bestaande instellingen verruimde en het Rijksuniversitair Centrum te Bergen de wettelijke status van universiteit gaf. De hervorming moet evenwel worden gezien naast de afzonderlijke wetten over Antwerpen, Limburg en de universitaire financiering, die samen een ruimer hervormingspakket uit 1971 vormden.

Latere wijzigingen De federale databank Justel vermeldt een wijziging van artikel 22 door een decreet van de Franse Gemeenschap van 28 januari 2004.

In de Vlaamse onderwijsregelgeving werd de wet opgeheven door het decreet van 23 december 2016 aangaande de bekrachtiging van de codificatie van sommige bepalingen voor het onderwijs. Dat decreet werd op 13 februari 2017 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Literatuur

Zie ook

Onderwijs in België Wet houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie (9 april 1965)

Categorie:Belgische wet Categorie:Onderwijswetgeving Categorie:Hoger onderwijs in België Categorie:1971