De porfier van Quenast uit de vulkaanpijp van Quenast is een natuursteen die wordt gewonnen bij het dorp Quenast in het westen van Waals-Brabant. Als stollingsgesteente bestaat de porfier van Quenast gesteentekundig gezien uit kwartsdioriet tot daciet met een uitgesproken porfirische textuur: grote kristallen van plagioklaas en kwarts liggen ingebed in een fijne grondmassa. De porfier vult een oude vulkaanpijp, een ondergrondse vulkanische structuur van op geringe diepte in de aardkorst gestold magma. In het verleden werd de porfier van Quenast gewonnen om kasseien van te maken; tegenwoordig wordt het materiaal alleen nog als steenslag gebruikt. De groeve bij Quenast was lange tijd de belangrijkste bron van bestrating in België.
Beschrijving De porfier van Quenast is een ganggesteente met een zeer fijne grondmassa. De fenocrysten bestaan uit plagioklaas (albiet of oligoklaas), kwarts en oorspronkelijk mafische mineralen (voornamelijk amfibool en biotiet). De laatsten zijn grotendeels omgezet naar chloriet en epidoot door een lage graad van metamorfose en hydrothermale alteratie. Deze omzetting geeft kenmerkende groene vlekken in het gesteente, die in andere porfieren uit België mist.
In de porfier van Quenast komen verschillende 'vreemde' fragmenten voor, zogenaamde xenolieten. Dit zijn stukken materiaal die vanuit de diepte zijn meegenomen door het magma. In zeldzame gevallen gaat het om stukken veel ouder gesteente uit het Proterozoïcum. Deze vormen bewijs dat zich onder het Massief van Brabant een oudere sokkel bevindt.
De vulkaanpijp is niet meer dan enkele kilometers breed. Aangenomen kan worden dat ze in de ondergrond tot grote diepte doorloopt.
Ontstaan De vulkaanpijp van Quenast intrudeerde in het Massief van Brabant tijdens het late Ordovicium, ongeveer 450 miljoen jaar geleden. In die tijd bestond het Massief van Brabant uit een dik pakket sediment dat afgezet was langs de continentale helling en in de diepere zee. Het massief was onderdeel van het kleine continent Avalonia. De buiging van de aardkorst als gevolg van een verder naar het noordoosten gelegen subductiezone veroorzaakte extensie waardoor magma omhoog kon komen.
De vulkaanpijp van Quenast is onderdeel van een groep intrusies van magma en vulkanische afzettingen uit die tijd, die verspreid over het zuiden van Brabant liggen. Minder dan 20 km naar het westen liggen twee magmatische intrusies met dezelfde ouderdom aan het oppervlak, respectievelijk bij Lessen en Bierk. Het gaat in beide gevallen niet om een vulkanische pijp maar om een intrusieplaat. Uit dezelfde tijd zijn ook andere sporen van vulkanisme bekend, zoals lagen tufsteen en vulkanoklastisch sediment (onder andere in de Formaties van Brûtia en Madot).
De alteratie van de porfier begon direct na intrusie en stolling, door de werking van hydrothermaal poriënwater in de zeebodem. Tijdens de Brabantse fase van tektonische vervorming (in het Devoon) bleef de vulkaanpijp vanwege de grotere sterkte relatief onveranderd, terwijl de zachtere sedimentlagen eromheen plooiden en werden verzet. Wel veranderde door de lichte metamorfose tijdens de Brabantse fase de mineralogische samenstelling van de porfier.
Historisch en economisch belang Vanwege de hoge vastheid is de porfier van Quenast populair als bouwmateriaal. De kleinschalige winning kwam al in de 16e en 17e eeuw op gang. Met de grootschalige verharding van wegen in de 18e eeuw groeide de vraag naar kasseien. In de 19e eeuw groeide de groeve bij Quenast uit tot de grootste dagbouwgroeve van België. Het grootste deel van de bevolking van Quenast en Rebecq werkte in de steenwinning. In België van wegen met steenslag de meeste kasseien afkomstig uit Quenast.
De groeve is nog steeds operatief, maar kasseien worden er niet langer geproduceerd. Men gebruikt het materiaal voornamelijk als steenslag voor spoorwegen (inclusief hst-lijnen) en bij de productie van hoogwaardig asfalt en beton.
Categorie:Rebecq Categorie:Geologie van België Categorie:Ordovicium