Het puntig mosklokje (Galerina triscopa) is een schimmel die behoort tot de familie Galerinaceae. De wetenschappelijke naam werd in 1935 door Robert Kühner in de huidige combinatie gepubliceerd.Species Fungorum, Galerina triscopa (Fr.) Kühner, geraadpleegd 13 september 2026. Het leeft saprotroof op rottend hout in loofbossen op vochtige tot droge, voedselarme tot tamelijk voedselrijke zand- en kleibodems.NDFF Verspreidingsatlas – Galerina triscopa (Puntig mosklokje), geraadpleegd 13 september 2026. De soort groeit zowel op hout van loofbomen als van naaldbomen en het hout kan met mos begroeid zijn.De Haan, A. (2014). Waarnemingen bij het Puntig mosklokje (Galerina triscopa). Sporen 7(4): 12–14.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed heeft een diameter van ongeveer 3–8 mm. Aanvankelijk is deze kegelvormig, later breed klokvormig tot vrijwel vlak. Kenmerkend is de duidelijke, vaak bijna scherpe centrale bult (umbo). Het centrum is donker rosbruin en naar de rand toe wordt de hoed meer oranjebruin. De hoed kan tot vrijwel aan de umbo doorschijnend gestreept zijn.

Lamellen De lamellen zijn smal aangehecht en staan vrij ver uiteen. Ze zijn aanvankelijk bleek geelbruin en worden bij het rijpen van de sporen rosbruin.

Steel De steel is ongeveer 13–15 mm lang en circa 1 mm dik. Hij is cilindrisch en vaak gebogen tot bochtig. De bovenzijde is geelbruin en de onderzijde donkerbruin. Het velum kan weinig opvallend of vrijwel afwezig zijn, maar bij sommige collecties zijn duidelijke velumresten op de steel aanwezig.

Geur De geur is zwak en kan enigszins melig zijn.

Microscopische kenmerken De sporen meten ongeveer 6,5–8,5 × 3,5–5,5 µm. Ze zijn in zijaanzicht amandelvormig en enigszins ongelijkzijdig en in vooraanzicht smal eivormig. De sporenwand is duidelijk geornamenteerd met onregelmatige wratten en korte kammetjes. Een duidelijke gladde plage is aanwezig.E-Flora BC – Galerina triscopa, geraadpleegd 13 september 2026.

De basidiën zijn overwegend viersporig en meten ongeveer 20–25 × 6–8 µm. De cheilocystiden zijn talrijk. Volgens E-Flora BC meten ze ongeveer 28–45 × 5–9 µm in het breedste deel, met een hals van 2–4 µm en een top van 3–6 µm. Ze zijn smal flesvormig tot vrijwel cilindrisch en hebben vaak een enigszins verdikte tot kopvormige top. Pleurocystiden ontbreken doorgaans. Pileocystiden en caulocystiden kunnen aanwezig zijn en lijken qua vorm op de cheilocystiden. In de hyfen komen gespen voor.

Voor een zekere determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk. Kenmerkend zijn onder meer de relatief kleine, sterk geornamenteerde sporen met een duidelijke plage en de min of meer kopvormige cheilocystiden.

Ecologie Het puntig mosklokje groeit op rottend hout, vaak op sterk verteerd of bemost hout. In de literatuur wordt vaak naaldhout genoemd, maar de soort is ook van loofhout bekend. De Haan concludeert op basis van Vlaamse collecties en literatuurgegevens dat de soort zowel op coniferen- als op loofhout voorkomt. In Nederland wordt de soort als saprotroof op dood hout in loofbossen vermeld; het Nederlandse materiaal werd traditioneel tot var. tetrascopa gerekend en van loofhout opgegeven.

Verspreiding Het puntig mosklokje is in Nederland zeer zeldzaam. Het staat op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 in de categorie 'Ernstig bedreigd'.

Foto's

Categorie:Galerinaceae Categorie:Schimmelsoort