Henologie (van Oudgrieks ἕν (hen) 'één' komt voor uit de pre-socratische filosofische zoektocht naar een arche of oerbeginsel, dat is, het terugbrengen van de verscheidenheid van bestaansvormen tot één enkele ding of substantie. Het Vele en het Zijn vormen het Ene dat geen ondersoort van iets anders is.
Antieke filosofie Plato benadert het Ene en de veelheid als een dialectisch probleem, het Ene is een generieke vorm die zich uitstrekt over vele afzonderlijke vormen, wat betekent dat het Ene wordt geïdentificeerd als het transcendente Goede. Binnen de neoplatonische traditie worden de primaire lichamen of substanties van Parmenides beschouwd als een transcendent Ene.
Voor Aristoteles is het Ene een 'transcendentaal' begrip, de maatstaf van alles. Er zijn vier modi van het Ene en het Vele: continu/discontinu; geheel/delen; universalia (specificiteit, soort, analogie); en dingen die numeriek één zijn (in elke categorie). Deze modi worden aangevuld met essentiële attributen van het Ene en het Vele: identiteit, andersheid, verschil, gelijkend, ongelijkend, gelijk, ongelijk, tegengesteld, enzovoort. Op basis hiervan ontwikkelt hij de verschillende mogelijke relaties tussen de veelheid aan dingen en het Ene: het synonieme, het bijna-homonieme, de eenheid in opeenvolging, enzovoort. Bovendien introduceert hij in zijn analyse van het Ene en het Vele zijn theorie van de Vier Oorzaken, in een poging om het hele universum te ordenen zonder enige verwijzing naar het onzichtbare. De werkelijkheid wordt gevormd door eigenheid.
Voor Plotinus zijn werkelijkheden (Hypostasen), in hiërarchische volgorde, het Ene, de Geest en de Ziel, die hij integreert in een complex metafysisch en ethisch wereldbeeld. Het Ene is een transcendent eerste beginsel het Zijn, het begrijpen en de beschrijving te boven gaat. Het is het onbeweeglijke middelpunt van al onze bewegingen (zoals zintuiglijke waarneming en discursief redeneren). Het Zijn wordt geassocieerd met de Geest, met wat denkbaar is en gedacht wordt, zonder zou de Geest inactief zijn, en het Zijn zonder Geest zou niets zijn. Plotinus verdedigt de absolute transcendentie van het Ene en tezelfdertijd de immanentie ervan door middel van de Geest en de Ziel. Het Ene is tegelijkertijd overal en nergens.
Sinds Plotinus benaderden de neoplatonisten het Ene als een theologische praktijk van het transcendent Goddelijke Ene dat zich boven het Zijn bevindt. Dusdanig verenigen de neoplatonisten het Geheel rond het Ene, door het Ene te beschouwen als een emergente kracht die tegelijkertijd overal en nergens is, omdat het boven alles staat en het Geheel overstijgt. Tot de 13de eeuw blijft echter vaak sprake van een metafysiche benadering van het Ene en het Vele.
Middeleeuwse filosofie Het was Thomas van Aquino die de henologie onderuithaalde ten voordele van de ontologie in De Veritate, waar het Ene het negatieve van het Zijn wordt als resultaat van het goddelijke proces van deling. Hij bevordert de dialectiek en zoekt naar eenvoud door de veralgemenisering van het Zijn ten koste van het Ene, dat in het Zijn kan worden omgezet. De werkelijkheid wordt gevormd door het individu waardoor het verstand denkt. Abstractie is het middel om zowel het Zijn vorm te geven als datgene wat door alles wordt gedeeld en wat hen overstijgt, omdat het de voorwaarde is voor hun bestaan. Het transcendentale verwijst naar de algemene eigenschappen van het Zijn: het Ene, het Ware en het Goede.
Vroegmoderne tijd Francis Bacon associeert henologie met alchemie. Hij dacht dat elk lichaam een naturerende natuur bevat die de eenheid van de vorm bewaart door de elementen ervan te verenigen, en waarop men kan inwerken om deze te reproduceren of te transformeren. Metafysische kennis kan alleen worden verkregen door de mogelijke werkelijkheden van het verleden, het heden en de toekomst te kennen.
René Descartes verwerpt de ontologie ten gunste van een henologie die gebaseerd is op de continu/discontinu-modus van Aristoteles, waarbij hij de neoplatonische hypostasen integreert in zijn concept van 'substantie'. Hij onderscheidt drie substanties: God, die volmaakt is en de oorzaak van Zichzelf (causa sui); de passieve lichamelijke substantie, die het directe subject is van uitgebreidheid en van verschijnselen die uitgebreidheid veronderstellen (zoals vorm, positie en plaatselijke beweging) en daardoor deelbaar is; en de actieve, niet-uitgebreide onlichamelijke substantie, die het subject is waarin het denken zich bevindt en de Ziel wordt genoemd, die ondeelbaar is. Voor samengestelde zaken geldt het idee dat het geheel identiek is aan de som der delen.
Benedictus de Spinoza toont aan dat er in de natuur objectieve grootteordes bestaan die samenhangen met wederzijdse acties en interacties. Het onderscheid tussen het 'geheel' en de 'delen' blijkt relatief te zijn: wat op het ene niveau een deel is, wordt op een ander niveau een geheel, en omgekeerd. In het wisselspel tussen de naturerende natuur en de genatureerde natuur zijn de delen het resultaat van een proces van individuatie van een onvoltooid geheel, waarbij het geheel inwerkt op zijn delen en de delen op het geheel. Voor Spinoza zijn dingen delen van een geheel wanneer ze zich zo harmonieus mogelijk aan elkaar aanpassen. Bij verandering moet elke entiteit worden beschouwd als deel van het gehele universum, wat betekent dat het in overeenstemming moet zijn met het geheel waartoe het behoort en moet samenhangen met de andere entiteiten. Het onderscheid tussen het geheel en de delen is relatief.
Gottfried Wilhelm Leibniz stelt een omgekeerde henologische praktijk voor, namelijk een praktijk die gedomineerd wordt door het vele. Zijn eindige monaden, die enkelvoudig, d.w.z. ondeelbaar of het vele, zijn, omvatten het oneindige, het Ene of God. Ze maken deel uit van een schaalafhankelijk organisatiesysteem, een vooraf ingestelde harmonie (harmonia praestabilita). Deze harmonie zorgt voor een oneindige veelheid aan snijpunten op basis van de essentiële eenheid van het geheel, hoewel zonder onderlinge relaties of interacties tussen de monaden.
In zijn streven om een transcendentale logica te creëren die de klassieke logica (die geschikter is voor ontologie) overtreft, verwerpt Immanuel Kant de oorspronkelijke betekenis van het transcendentale als de algemene eigenschappen van het Zijn. Kant introduceert een nieuwe interpretatie van de henologie door het gebruik van verbindingen, relaties, syntheses en unificaties. Hij problematiseert het Zijn niet, maar schuift wat is (het Zijn) terzijde ten gunste van wat aan het subject en het organisme verschijnt, en wat dit organiseert om tot een kennistheorie te komen die kan worden beschouwd als een henologie van menselijke activiteiten.
Moderne tijd Hegel zet Kants poging om de ontologie terzijde te schuiven voort. Hij stelt een nieuwe praktijk van het Ene en het Vele voor. Hegel gebruikt de begrippen zijn, wezen, concept en idee, die met elkaar verbonden zijn. De meting van de kwaliteiten van 'wat is' transformeert deze in kwantiteiten, oftewel hun wezen. Drie wezens volgen elkaar op: als reflectie in zichzelf; als het fenomeen zelf en zijn verbindingen; en als de feitelijke werkelijkheid die bestaat uit substantie, oorzaak, werking en wederzijdse reactie. Dit leidt tot de begrippen van het eigenlijke concept, het teleologische concept (de wetenschap van de doelen) en het idee. In zijn kennistheorie is het idee de onmiddellijke eenheid van het concept en de werkelijkheid; het is een geheel waarin de delen niet voor zichzelf bestaan, maar door het geheel en in het geheel, en waarin het geheel niet minder is door zijn delen. Het is een organisch systeem.
Karl Marx kiest ervoor om afstand te nemen van Hegels organistische benadering door het concept 'ensemble' (uit het Frans) te introduceren – Marx' interpretatie van het geheel in de context van sociale relaties – en daardoor het geheel vanuit zichzelf te de-totaliseren. Door dit te doen, in plaats van een veelheid aan eigenschappen te verenigen tot een geheel, wordt een onbepaalde ruimte voor metamorfosen en historische transformaties geopend. De relatie tussen het Ene en het Vele wordt gezien als een niet-totaliserend geheel dat gekenmerkt wordt door historische en actuele verbindingen en relaties.
Voor Alfred North Whitehead is de rol van de filosofie het herstellen van de totaliteit die door vereenvoudiging of selectie aan het zicht is onttrokken. Alles wat geactualiseerd wordt, draagt bij aan de omstandigheden van zijn oorsprong en is afhankelijk van zijn geschiedenis en omgeving om zijn individualiteit te vormen. Daarom staat het ook in relatie tot al het andere dat geactualiseerd wordt. Kennistheoretisch gezien verduistert het bewustzijn de totaliteit waaruit het voortkomt en die het belichaamt.
Wanneer Edgar Morin eenheid ziet, ziet hij ook diversiteit als deel van de eenheid, en wanneer er diversiteit is, zoekt men naar eenheid. Hij benadert het Ene en het Vele in hun wederzijdse, recursieve en retroactieve relatie, waarbinnen de veelheid schaalafhankelijk is. In zijn denken kan het geheel zowel meer als minder zijn dan de som van de delen. Voor Morin kan het geheel niet worden gereduceerd tot zijn delen, noch de delen tot het geheel; ze moeten samen met hun antagonismen en complementaire aard worden beschouwd. Het geheel wordt beschouwd als een unitas multiplex (een dynamisch gedifferentieerd geheel, een concreet object georganiseerd als een systeem) waarin antagonistische termen noodzakelijkerwijs aan elkaar gekoppeld zijn. Hierdoor wordt het geheel een macro-eenheid en hebben de delen een dubbele identiteit: een eigen identiteit die niet tot het geheel gereduceerd kan worden, en een gedeelde identiteit.
Onderzoeksgebieden Sinds Plotinus wordt de henologie algemeen beschouwd als een theologische praktijk van het goddelijke Ene dat het Zijn overstijgt. Vervolgens evolueerde dit, te beginnen met Thomas van Aquino, naar een ontologisering van de metafysica, waarbij het theologische aspect zijn primaat verloor. Martin Heideggers fundamentele ontologie en/of Edmund Husserls en de analytische filosofies formele ontologie kiezen voor een extreme lezing van de henologie, waarbij het Ene en het Vele opgaan in het eenduidige Zijn. Vanaf Leibniz, wiens monaden de prevalentie van het Vele teweegbrengen en het Ene relativeren tot het perspectief van elke monade afzonderlijk, transformeert de henologie in haar tegendeel: 'diaforologie' (van het Oudgriekse diaphora of 'verschil').
De postmoderne filosofie keerde de eerdere neiging om het belang van het Ene als zijnde te benadrukken om, door zich te focussen op het Vele, op de alteriteit (het anders-zijn), omdat het Zijn het resultaat zou zijn van het worden, identiteit dat van verschil, en het Ene het gevolg van het Vele. Door het perspectief van de alteriteit te koppelen aan het Vele, hebben filosofen zoals Jacques Derrida, Gilles Deleuze, Alain Badiou en de latere Ludwig Wittgenstein gekozen voor de andere extreme praktijk: de dominantie van het Vele.
Er zijn echter verschillende filosofische interpretaties mogelijk van het Ene en het Vele. In beide gevallen wordt complexiteit gereduceerd tot een van de uitersten binnen de henologie, zonder rekening te houden met de mogelijke relaties, interacties en verstrengelingen van het Ene en het Vele. Geen van beide denkt na over de totaliteit en de veelheid van het Ene, waardoor beide metafysische vragen terzijde schuiven.
Zie ook Transcendentie (filosofie) Metafysica
Categorie:Neoplatonisme Categorie:Metafysica Categorie:Filosofisch concept