Quo graviora is een pauselijk breve van paus Gregorius XVI, uitgevaardigd op 4 oktober 1833 en gericht aan de bisschoppen van de Boven-Rijnse kerkprovincie. Het document ontstond tegen de achtergrond van conflicten over de verhouding tussen staat en kerk in de Boven-Rijnse kerkprovincie en van een katholieke hervormingsbeweging rond de priester Franz Ludwig Mersy in Offenburg.
Gregorius XVI verzette zich in het breve tegen voorstellen om de kerkelijke bestuursstructuur, discipline en liturgische praktijk op lokaal niveau ingrijpend te hervormen. Daarbij verwees hij herhaaldelijk naar de apostolische constitutie Auctorem fidei van paus Pius VI uit 1794. Onder de besproken onderwerpen bevinden zich de verhouding tussen leer en kerkelijke discipline, het kerkelijk gezag, het priesterlijk celibaat, aflaten, de biecht, de viering van de mis, het gebruik van de volkstaal in rituele boeken, broederschappen en bedevaarten.
In sommige Engelstalige verzamelingen wordt het document aangeduid met de beschrijvende ondertitel On the “Pragmatic Constitution”. Deze ondertitel komt niet voor in de officiële Vaticaanse editie, waar het document als Breve Quo graviora is opgenomen.
De pauselijk breve Quo Graviora van paus Gregorius XVI, moet niet worden verward met de pauselijke bul Quo Graviora van paus Leo XII, uitgevaardigd op 13 maart 1825, waarin Leo XII de eerdere pauselijke veroordelingen bevestigde van de vrijmetselarij, de Carbonari en andere geheime genootschappen.
Historische achtergrond Na de politieke en kerkelijke herordening van Duitsland in de eerste decennia van de negentiende eeuw ontstond de Boven-Rijnse kerkprovincie. De zogenoemde Frankfurter Conferenties van 1818–1828 speelden een belangrijke rol bij de inrichting ervan. De kerkprovincie omvatte het aartsbisdom Freiburg en de bisdommen Rottenburg, Mainz, Limburg en Fulda.
De betrokken Duitse staten hadden tijdens de onderhandelingen met Rome concessies gedaan ten aanzien van hun oorspronkelijke staatskerkelijke uitgangspunten. Op 30 januari 1830 vaardigden zij vervolgens gelijkluidende verordeningen uit over het landsheerlijke beschermings- en toezichtsrecht over de katholieke kerk. Volgens kerkhistoricus Hubert Wolf sloten deze verordeningen in belangrijke mate aan bij de tijdens de Frankfurter onderhandelingen ontwikkelde Frankfurter Kirchenpragmatik. De regelingen voorzagen in aanzienlijke staatsinvloed op het kerkelijk bestuur en vormden daarmee een bron van spanning tussen de territoriale overheden, de plaatselijke kerkelijke instellingen en Rome.
Paus Pius VIII, de voorganger van Gregorius XVI, richtte op 30 juni 1830 reeds een breve tot de bisschoppen van de Boven-Rijnse kerkprovincie over deze situatie. In Quo graviora stelde Gregorius XVI dat Pius VIII de bisschoppen had aangespoord de rechten van de kerk en de kerkelijke leer te verdedigen. Gregorius klaagde tevens dat de door zijn voorganger verlangde rapportage over de getroffen maatregelen na ongeveer drie jaar nog niet was ontvangen.
Hervormingsbeweging in Offenburg Een directe aanleiding voor het breve vormde de hervormingsbeweging rond Franz Ludwig Mersy, deken en katholiek geestelijke in Offenburg. Op 24 juli 1832 vond daar een pastorale conferentie plaats waarop verschillende voorstellen tot kerkelijke hervorming werden besproken. Elf van de twaalf deelnemers ondertekenden de uit de vergadering voortgekomen tekst. Mersy stuurde de stukken vervolgens ook naar andere Badense dekenaten met het oog op bredere bespreking en een verzoek aan de aartsbisschop van Freiburg.
De voorstellen hadden onder meer betrekking op een diocesane catechismus, een Duitstalig rituaal, herziening van liturgische boeken, beperking van bedevaarten, hervorming van het boetewezen en herstel van synodale vormen van kerkelijk overleg. Ook het verplichte celibaat werd in de toelichting kritisch besproken, hoewel de afschaffing ervan niet als een eenvoudig lokaal te nemen besluit werd voorgesteld.
De resultaten van de conferentie werden gepubliceerd onder de titel Sind Reformen in der katholischen Kirche notwendig? Auf welchem Wege sind dieselben zu bewirken, und welche Hindernisse stehen etwa entgegen?, aanvankelijk in 1832. Na de eerste druk verscheen een uitgebreidere uitgave waarin ook de discussie met de kerkelijke overheid werd verwerkt. Gregorius XVI noemt Mersy en deze publicatie uitdrukkelijk in Quo graviora. Volgens het breve was de controverse bovendien niet tot Offenburg beperkt gebleven, maar waren verwante opvattingen ook elders en in het bijzonder in het bisdom Rottenburg verbreid.
Inhoud
Kerkelijk gezag en hervorming Een centraal onderwerp van Quo graviora is de verhouding tussen onveranderlijke geloofsleer en veranderlijke kerkelijke discipline. Gregorius XVI erkent in zijn uiteenzetting dat leer en discipline onderscheiden kunnen worden, maar verwerpt daaruit de gevolgtrekking dat plaatselijke kerken of afzonderlijke bisschoppen naar eigen inzicht de algemeen geldende kerkelijke discipline zouden kunnen wijzigen.
De paus verbindt deze kwestie met zijn opvatting van de kerkelijke hiërarchie. Volgens het breve berust het hoogste gezag over aangelegenheden die de universele kerk betreffen bij de Romeinse pontifex. Het document keert zich daarom tegen voorstellen die priesters een zelfstandige bestuurlijke bevoegdheid tegenover hun bisschoppen zouden geven of die afzonderlijke bisschoppen de bevoegdheid zouden toekennen algemene kerkelijke wetten eenzijdig buiten werking te stellen.
Ter onderbouwing verwijst Gregorius XVI naar het Concilie van Trente en in het bijzonder naar Auctorem fidei, waarmee Pius VI in 1794 een reeks stellingen van de Synode van Pistoia had veroordeeld. Quo graviora verwijst onder meer naar de stellingen 6–9 en 78 van dat document bij de bespreking van hiërarchie, bestuur en kerkelijke hervorming.
Sacramenten, liturgie en devotie Een tweede deel van het breve behandelt concrete hervormingsvoorstellen. Gregorius XVI verdedigt de bestaande katholieke praktijk inzake de jaarlijkse biecht, aflaten, particuliere en dagelijkse missen en de mogelijkheid meerdere missen voor een overledene te celebreren. Ook verwerpt hij de kritiek op broederschappen, openbare gebeden en bedevaarten.
Bij de discussie over de biecht en aflaten bestrijdt het breve historische en theologische opvattingen die volgens Gregorius XVI reeds in eerdere kerkelijke veroordelingen waren afgewezen. Ook hier beroept hij zich op Auctorem fidei, naast verwijzingen naar oudere door de katholieke kerk veroordeelde stellingen.
Het breve noemt verder het voorstel voor een ritueel in de volkstaal. Dit onderwerp wordt niet afzonderlijk als algemene veroordeling van iedere volkstaal in de liturgie behandeld, maar verschijnt in de specifieke opsomming van voorstellen die Gregorius in de context van de Boven-Rijnse hervormingsbeweging afwees.
Celibaat Gregorius XVI besteedt eveneens aandacht aan de kritiek van de hervormers op het kerkelijke celibaat. De kwestie speelde een belangrijke rol in de Offenburgse discussie. Gall laat zien dat de deelnemers aan de pastorale conferentie het celibaatsgebod scherp bekritiseerden, maar tegelijkertijd erkenden dat een formele verandering niet door een plaatselijke conferentie alleen kon worden doorgevoerd. In Quo graviora wordt de beweging rond deze kwestie daarentegen voorgesteld als een aanval op de bestaande kerkelijke orde en discipline.
Theologische positie De argumentatie van Quo graviora is in hoofdzaak ecclesiologisch en sacramenteel. Het document presenteert de kerk niet als een uitsluitend menselijke instelling waarvan de bestuursvorm naar plaatselijke behoefte kan worden heringericht, maar als een gemeenschap waarvan gezag, hiërarchie en fundamentele ordening uiteindelijk op goddelijke instelling berusten. Vanuit die premisse verdedigt Gregorius XVI zowel het gezag van de bisschoppen tegenover hun priesters als het universele gezag van de Apostolische Stoel.
Tegelijk maakt het breve een onderscheid tussen geloofsleer en veranderlijke discipline. De controverse betreft daarom niet de eenvoudige stelling dat iedere disciplinaire praktijk onveranderlijk zou zijn. Het geschil gaat veeleer over de vraag wie bevoegd is veranderingen door te voeren en in hoeverre disciplinaire hervormingen raken aan geloofsleer, sacramenten en de kerkelijke hiërarchie.
Quo graviora plaatst zijn argumentatie nadrukkelijk in continuïteit met eerdere leerstellige uitspraken. Vooral Auctorem fidei fungeert daarbij als precedent waarmee Gregorius de voorstellen uit zijn eigen tijd vergelijkt. Het document is daarmee tevens een voorbeeld van de negentiende-eeuwse spanning tussen lokale hervormingsbewegingen, staatskerkelijke bestuursmodellen en de toenemende nadruk op Rome als centrum van kerkelijk gezag.
Reacties en verdere context De pauselijke afwijzing maakte geen onmiddellijk einde aan de discussie in Offenburg. Mersy liet een Duitse vertaling van het pauselijke schrijven publiceren in het Badisches Kirchenblatt en reageerde op de beschuldigingen die tegen de hervormingsbeweging waren ingebracht. Het Badisches Kirchenblatt, waaraan zowel katholieke als protestantse geestelijken meewerkten, fungeerde in deze periode als publicatieplatform voor hervormingsgezinde kerkelijke opvattingen.
In de historiografie wordt de controverse geplaatst in de bredere discussie over de organisatie van de katholieke kerk in de Duitse staten na de secularisatie en over de verhouding tussen staatskerkelijke controle, bisschoppelijk bestuur en Romeins gezag. De Boven-Rijnse kerkprovincie vormt daarbij een belangrijk voorbeeld omdat voor haar bisdommen aanvankelijk gelijksoortige staatskerkelijke regels waren vastgesteld, die lokaal echter verschillend werden toegepast.
Literatuur
Zie ook Lijst van encyclieken van paus Gregorius XVI
Externe links Quo graviora - Italiaanse tekst op de website van de Heilige Stoel Engelse vertaling van Quo graviora bij Papal Encyclicals Online
Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:Pauselijke encycliek Categorie:1833