Willy Van Sompel (Gent, 20 oktober 1948) is een Belgisch kunstschilder. Hij werkte in de jaren zeventig als schrijver en in het theater. Het scenario dat hij schreef voor de speelfilm Het einde van de reis (1981) werd bekroond door het Ministerie van Nederlandse Cultuur. Aan het eind van dat decennium stapte hij als autodidact over op de schilderkunst. Vanaf 1981 ontwierp hij decors voor theaterproducties van Arne Sierens.

Hij schilderde herkenbare clichébeelden: zinkende oceaanstomers, bloemstillevens, watervallen. Die omringde hij met decoratieve patronen, glitter en klatergoud. Kunsthistoricus Lieven Van den Abeele plaatste dat werk in 1986 in het postmodernisme. Vanaf 1987 ging het hem om het ornament zelf en maakte hij multiples en objecten in gezandstraald glas.

In 1985 kreeg Van Sompel twee onderscheidingen: de prijs van het Gents Kunstsalon en de Prijs Pierre Crowet, een van de prijzen binnen de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst. Een jaar later was hij een van de organisatoren van Antichambre, de tentoonstelling die tijdens de Gentse kunstzomer werd opgezet tegenover Chambres d'Amis en Initiatief 86. Zijn werk is opgenomen in de collecties van het S.M.A.K. in Gent en het Stedelijk Museum Amsterdam. Later trok hij zich uit de kunst terug.

Loopbaan

Schrijven, theater en film Het bekroonde scenario van Van Sompel vormde de basis voor Het einde van de reis, de laatste speelfilm die in 1980 in Vlaanderen werd geproduceerd. Regisseur Peter Simons bracht de film in januari 1981 uit op het Festival van Brussel, met Chris Lomme als een veertigjarige vrouw die vreest haar dochters te verliezen.

Overstap naar de schilderkunst Vanaf 1979 ging Van Sompel schilderen. Hij begon met grote doeken van zinkende schepen in felle kleuren. Die oceaanstomers stonden volgens hem voor de kennis en de macht van het Westen. In maart 1983 toonde galerij Paul Dewever in Wakken werk van hem samen met keramiek van Della Calberson. Criticus Hugo Brutin schreef in Arts Antiques Auctions dat het werk getekend was door de nieuwe wildenbeweging en soepel en krachtig van factuur was. Ook Galerie Swart in Amsterdam, die zich in die jaren op postmoderne kunst richtte, toonde werk van Van Sompel en van Wim Delvoye.

Twee prijzen in 1985 Het Gentse stadsbestuur blies in 1985 de traditie van het Gents Kunstsalon nieuw leven in, die sinds 1946 stil lag. Elke kunstenaar uit Groot-Gent mocht maximaal drie schilderijen insturen. Er kwamen meer dan driehonderd inzendingen binnen. De jury bestond uit Lieven Daenens, Robert Hoozee, Jan Hoet, Rita Van De Capelle en Paul Vlaeminck en koos met eenparigheid van stemmen het werk dat Van Sompel had ingestuurd onder de kenspreuk Nooit meer modern: een vaas met gouden bloemen tegen een roze achtergrond. Alle inzendingen waren tot 28 april te zien, waarbij het publiek zelf een prijs kon toekennen.

Enkele weken later werd hij ook laureaat van de Prijs Pierre Crowet. Die prijs werd dat jaar voor het eerst uitgereikt binnen de wedstrijd van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst, waarvoor het reglement was verruimd tot alle disciplines; het aantal inzendingen verdubbelde daardoor tot ongeveer vijfhonderd. De Prijs Jonge Belgische Schilderkunst zelf ging naar Marin Kasimir, de Emile Langui-prijs naar de fotograaf Stephen Sack. Het werk van de laureaten en van 53 andere geselecteerde kunstenaars was tot 7 april te zien in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

Antichambre en de kunstzomer van 1986 In de zomer van 1986 stonden in Gent twee grote manifestaties centraal: Chambres d'Amis, samengesteld door Jan Hoet, en Initiatief 86 in de Sint-Pietersabdij. Werk van Van Sompel werd door Jean-Hubert Martin geselecteerd voor Initiatief 86. Zijn onvrede over de aanpak van die tentoonstelling, die hij verbond met modernistische idealen, werd een belangrijke drijfveer voor een tegeninitiatief.

Samen met Piet Vanrobaeys, Jan van Opstal, Luk van Haegenborgh en Bartel Joris Edmund zette hij Antichambre op in de voormalige textielfabriek Alsberge-Van Oost aan de Drongensesteenweg. De tentoonstelling opende op 14 juni 1986, een week voor de officiële manifestaties, en liep tot 1 augustus. Iedere kunstenaar die wilde deelnemen kreeg ruimte op het terrein van 22 hectare; het aantal deelnemers groeide van 130 naar ongeveer 200. Subsidies of sponsoring waren er niet, zodat de kunstenaars de kosten van de werken en de catalogus zelf droegen.

In diezelfde zomer hing een geschilderd bloemstilleven van Van Sompel in de zomeropstelling van het Groninger Museum, die onder de titel Figuratie, Decoratie, Ornament werk van New Yorkse en Berlijnse kunstenaars bijeenbracht. In december 1986 volgde een tentoonstelling bij Galerie Swart in Amsterdam. Een bespreking in het Algemeen Dagblad schreef dat hij zich verzette tegen het begrip avant-garde en tegen de gedachte dat de kunst via een reeks vernieuwingen bij één waar kunstwerk zou uitkomen, en beschreef zijn oranje lijsten met rozetpatronen en zijn taferelen van spuitende glitterkorrels.

Film en theater In 1987 maakte Van Sompel samen met Eugène van den Bosch en Hens van Rooij de korte film Van utopie naar chaos, over zijn eigen werk. De film duurt 25 minuten en werd vertoond op het Nederlands Film Festival van dat jaar. Van Sompel schreef mee aan het scenario en verzorgde de muziek.

Voor de komische ruimteopera De liefde voor de drie manen, vrij naar L'amore delle tre melarance van Carlo Gozzi, ontwierp hij het decor; Arne Sierens schreef het libretto en voerde de regie, Johan De Smet componeerde de muziek. De voorstelling ging op 16 april 1988 in première in de Vooruit in Gent. Het jaar daarop volgde Je pleure des bananes, een opera van Sierens en De Smet naar Sierens' toneeltekst De reis naar het donkere kontinent, in een regie van Sam Bogaerts. Daarna maakte hij de decors voor Sierens' liedcyclus Ambetango, tussen 1991 en 1993 in verschillende bezettingen opgevoerd, en voor Kaïet Kaïet (1992).

Tentoonstellingen in 1988 In het voorjaar van 1988 was in de Beursschouwburg in Brussel werk van hem uit de periode 1981 tot 1987 te zien. Rond diezelfde tijd toonde Galerie de Fiets in Delft werk van tien Belgische kunstenaars, onder wie Narcisse Tordoir, Guillaume Bijl, Guy Rombouts, Van Sompel en Jan Vercruysse. In het najaar wijdde de Salon de Montrouge bij Parijs een aparte tentoonstelling aan eigentijdse Belgische kunstenaars, met naast Van Sompel onder anderen Bijl, Jacques Charlier, Jacques Lizène, Rombouts en Walter Swennen.

Ornament, multiples en glas Tussen 1987 en 1989 verschoof zijn werk van de schilderkunst naar het ornament zelf. Volgens kunsthistoricus Marek Wieczorek maakte Van Sompel de herhaling tot onderwerp in plaats van haar te vermijden. In Paratopy (1989) bedekte hij twee wanden van een galerie met bedrukte en met de hand gekleurde dienbladen van formica, waarop in computergrafiek het interieur van diezelfde galerie is afgebeeld. Reflections of a Banal Utopia (1989) is een rond dienblad waarop danspassen zijn gedrukt over het gezicht van God de Vader uit het Gentse altaarstuk van Jan van Eyck. In The Lying Truths (1988) zijn bolle spiegels in gouden lijsten op ruwe zijde gedrukt, met de spreuk Honi soit qui mal y pense op de lijst. In 1989 toonde de Richard Foncke Galerie in Gent zijn werk onder de titel De beschaafde antropofaag.

Vanaf 1990 werkte hij in gezandstraald glas. Tot die reeks behoren de lege vitrinekasten Custos Morum (1990) en een reeks glazen zuilen waarin hij de handtekeningen van alle Belgische kunstenaars, meer dan drieduizend, alfabetisch wilde zandstralen. Die zuilen waren in 1991 te zien bij Galerie Richard Foncke in Gent. Volgens NRC Handelsblad leverde hij er ironisch commentaar mee op de teloorgang van de artistieke integriteit en op de macht van een handvol tentoonstellingsmakers. Een jaar eerder had hij bij dezelfde galerie deelgenomen aan You're right to laugh, een tentoonstelling van ironische sculpturen en installaties met onder anderen Georg Herold en René Heyvaert.

Latere jaren Eind 1991 was werk van Van Sompel opgenomen in Kunst in Vlaanderen, NU, een selectie uit de aankopen die de Vlaamse Gemeenschap in tien jaar tijd had gedaan, in het Museum van Hedendaagse Kunst in Antwerpen. In september 1993 opende het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond in Amsterdam zijn seizoen met schilderijen van hem.

In 1994 maakte hij Opgeruimd staat netjes, een computerprint op doek. In het publieksboekje bij de tentoonstelling Re-figuratie (Museumcultuur Strombeek/Gent, 2013), waar dat werk samen met Nooit meer modern III hing, werd het beschreven als een ironisch en programmatisch afscheid van de schilderkunst. Dezelfde tekst vermeldt dat Van Sompel de kunst jaren eerder de rug had toegekeerd en in het buitenland woont.

Werk In de jaren tachtig werkte Van Sompel op groot formaat, meestal in acrylverf. Zijn motieven waren clichés: zinkende schepen, bloemen, bergtoppen, prinsessen, watervallen. Hij schilderde ze in felle kleuren en omringde ze met decoratieve patronen van glitter en klatergoud. Voor een reeks monumentale doeken schilderde hij eerst een ondergrond die naar behangpapier of wasdoek verwijst, en zette daar banale voorwerpen op. Hij werkte met spuitbus, sjablonen en airbrush, en assembleerde bestaande objecten in het schilderij.

In een artikel in het tijdschrift Artefactum uit 1986 schreef kunsthistoricus Lieven Van den Abeele dat de schilderijen van Van Sompel zich op het raakvlak bevinden tussen het valse sentiment van de kitscherige achterkeukencultuur en de kunst. Hij verbond het werk met kenmerken die Ihab Hassan aan het postmodernisme toeschreef: zelfreflectie van de kunstenaar over het scheppingsproces, ironische en parodistische vormen, het gebruik van fragmenten in plaats van gesloten gehelen, en een anarchistisch in plaats van hiërarchisch karakter.

In het overzicht Schilderkunst in Vlaanderen na 1980 plaatst Marc Ruyters hem naast zijn stadsgenoot Philippe Vandenberg: waar Vandenberg somber schilderde, oogde het werk van Van Sompel vrolijk en vol kitsch, maar school onder de laag bloemen en bergtoppen eenzelfde existentiële opstandigheid en artistiek anarchisme. In Fragmenten van kunst in België (1990) rekent Van den Abeele zijn schilderijen samen met die van Franky DC en Walter Swennen tot het werk waarin de impulsieve toets plaatsmaakt voor beelden uit een leesbare, populaire iconografie met dubbelzinnige en ironiserende bijklank. In hetzelfde nummer schrijft Dirk Pültau over de bootschilderijen dat het massieve karakter van de scheepsromp een farce is, en dat de kermiskleuren en de gouden ranken die over het doek hangen dat effect weer platslaan.

Werk in openbare collecties S.M.A.K., Gent: Nooit meer modern III (1985), acrylverf op doek, 160 x 200 cm, verworven in 1985. Stedelijk Museum Amsterdam: De onomkeerbaarheid (1986), 167 x 197 cm, objectnummer 1987.1.0170. Groninger Museum: Tegenstroom, acrylverf op doek, objectnummer 1987.0507.

Onderscheidingen 1985: Prijs van het Gents Kunstsalon 1985: Prijs Pierre Crowet, binnen de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst

Filmografie Het einde van de reis (1981), scenario; regie Peter Simons Van utopie naar chaos (1987), regie, scenario en muziek, samen met Eugène van den Bosch en Hens van Rooij

Scenografie Slaapkameratleet (1981), naar Courteline, bewerking en regie Arne Sierens, Theater Vertikaal, Gent De liefde voor de drie manen (1988), opera van Arne Sierens en Johan De Smet, De Sluipende Armoede Je pleure des bananes (1989), opera van Arne Sierens en Johan De Smet, regie Sam Bogaerts Ambetango (1991, 1992 en 1993), liedcyclus van Arne Sierens Kaïet Kaïet (1992), van Arne Sierens en Paul Carpentier, Eva Bal Speeltheater

Externe links Willy Van Sompel op de website van het S.M.A.K. Willy van Sompel in de Internet Movie Database

Bronnen, noten en/of referenties

Categorie:Belgisch kunstschilder Categorie:Belgisch beeldend kunstenaar Categorie:20e-eeuws kunstenaar