miniatuur|Henk Verbeek in zijn tuin in Sint Odilienberg in 2010 Henk Verbeek (Sint-Odiliënberg, 12 oktober 1943) is een Nederlands beeldend kunstenaar, voormalig docent beeldende vorming en auteur. Hij werkte vanaf het einde van de jaren zestig voornamelijk als beeldhouwer. Zijn oeuvre ontwikkelde zich van figuratief werk naar geometrisch-abstracte beelden, veelal uitgevoerd in Belgische hardsteen. Vanaf omstreeks 2000 verschoof het zwaartepunt naar tweedimensionaal werk waarin maatschappelijke thema's, waaronder oorlog, de Holocaust en verkeersslachtoffers, een belangrijke plaats innemen.

Leven en loopbaan Henk Verbeek werd in 1943 geboren in Sint-Odiliënberg. Na de kweekschool in Roermond begon hij in 1966 in het onderwijs. Vanaf 1971 doceerde hij algemene vormstudie aan de Stadsacademie in Maastricht. In 1975 werd hij hoofddocent handvaardigheid aan de Gelderse Leergangen in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de ontwikkeling van een geïntegreerde lerarenopleiding voor de beeldende vakken. Vanaf 1980 werkte hij aan de Katholieke Leergangen in Sittard, waar hij mede leiding gaf aan de geïntegreerde opleiding tekenen-handvaardigheid. Rond 2000 beëindigde hij zijn onderwijsloopbaan.

Parallel aan zijn werk in het kunstonderwijs ontwikkelde Verbeek vanaf het einde van de jaren zestig een eigen beeldend oeuvre. Zijn onderwijspraktijk en kunstenaarschap waren nauw met elkaar verbonden: vorm, ruimte, materiaal en structuur speelden zowel in zijn onderwijs als in zijn eigen werk een centrale rol. Aanvankelijk werkte hij vooral als beeldhouwer; na zijn pensionering kreeg zijn kunstenaarschap meer ruimte en verbreedde zijn werk zich naar onder meer tekenen, schilderen en fotografie.

Kunstenaarschap Verbeeks oeuvre ontwikkelde zich vanaf het einde van de jaren zestig van stenen sculpturen geïnspireerd op de esthetiek van prehistorische werktuigen en de archaïsche vorm, naar een steeds verder doorgevoerde geometrisch-abstracte beeldtaal. In zijn vroege werk zijn menselijke, dierlijke en organische vormen nog herkenbaar, maar gaandeweg werd niet de voorstelling, maar de vorm zelf het onderwerp. Vooral vanaf het einde van de jaren zeventig onderzocht hij hoe elementaire vormen konden worden gedeeld, herhaald en gecombineerd. Hij werkte daarbij voornamelijk in Belgische hardsteen. Vorm, ruimte, maat, materiaal en onderlinge verhoudingen werden de belangrijkste uitgangspunten van zijn beeldhouwkunst; het viervlak zou daarin gedurende lange tijd een centrale rol spelen.

Verbeeks beeldtaal werd gevoed door uiteenlopende bronnen. Al vroeg raakte hij vertrouwd met de verzameling prehistorische werktuigen van zijn vader en met de sobere romaanse architectuur van de basiliek van Sint-Odiliënberg. Later kwamen daar zijn contacten met beeldhouwers aan de Stadsacademie in Maastricht en zijn belangstelling voor geometrie, natuurlijke vormprincipes, kunstpsychologie en semiotiek bij. Ook verzamelde hij onder meer gesteenten, schedels, koralen en zee-egels, waarin hij de ordenings- en vormprincipes van de natuur bestudeerde. Kunsthistoricus Jos Pouls ziet in het werk van Verbeek daarnaast verwantschap met onder anderen Piet Mondriaan, Constantin Brancusi en Oscar Jespers, hoewel Verbeek zelf aangaf niet bewust naar artistieke voorbeelden te hebben gezocht. miniatuur|Glazen vitrinekast privécollectie Verbeek, gevuld met een gevarieerde natuurverzameling van mineralen, schelpen, veren, fossielen en prehistorische werktuigen. Een centrale plaats in Verbeeks beeldhouwkunst kreeg het viervlak of de tetraëder, de eenvoudigste ruimtelijke vorm die door vier driehoekige vlakken wordt omsloten. Vanaf het einde van de jaren zeventig gebruikte hij het viervlak als bouwsteen voor een langdurig onderzoek naar vorm en ruimte. Door tetraëders te delen, te herhalen, te spiegelen, te verschuiven, in elkaar te schuiven of delen ervan weg te nemen, ontwikkelde hij een groot aantal variaties en steeds complexere composities. Daarbij ging het niet om de geometrische vorm als doel op zichzelf, maar om de ruimtelijke mogelijkheden die uit een beperkt aantal uitgangspunten konden ontstaan. Ook toen zijn beelden later ronder en organischer werden, bleef deze systematische manier van vormonderzoek herkenbaar.

Vanaf de jaren negentig werd de grens tussen abstractie en figuratie opnieuw minder scherp. Menselijke en dierlijke associaties keerden in sommige sculpturen terug, maar ontstonden vanuit dezelfde belangstelling voor de constructie en transformatie van vormen. De verschillende fasen in zijn beeldhouwkunst worden daardoor niet zozeer verbonden door één herkenbare stijl, als wel door een voortdurende belangstelling voor de manier waarop uit eenvoudige vormprincipes nieuwe en soms onverwachte beelden kunnen ontstaan.

Rond 2000 veranderde Verbeeks kunstenaarschap ingrijpend. Het arbeidsintensieve beeldhouwen in steen maakte grotendeels plaats voor tekenen, schilderen, fotografie en digitale beeldbewerking. Tegelijkertijd trad de inhoud nadrukkelijker op de voorgrond. Oorlog, geweld, de Holocaust, verkeersslachtoffers en de verhouding tussen mens en natuur werden onderwerpen van reeksen werken. Daarmee verschoof het accent van vrijwel autonoom vormonderzoek naar maatschappelijk geëngageerd werk, zonder dat zijn eerdere belangstelling voor ordening, herhaling, ritme en transformatie verdween.

Die continuïteit is onder meer zichtbaar in zijn werk over de Holocaust. Namen van concentratie- en vernietigingskampen worden in sommige werken vele malen herhaald en opgenomen in geometrische rasters en ritmische patronen. Van een afstand kunnen dergelijke werken als abstracte of kalligrafische composities worden waargenomen; pas van dichtbij wordt leesbaar waaruit de patronen zijn opgebouwd. De formele ordening van het beeld komt zo tegenover de betekenis van de woorden te staan. Een vergelijkbare spanning tussen esthetiek en onderwerp ontstond in werken waarin Verbeek historisch beeldmateriaal over oorlog en geweld bewerkte.

Deze tegenstelling tussen een aantrekkelijk beeld en de vaak confronterende werkelijkheid erachter vatte Verbeek samen onder het begrip ‘schone schijn’. Het werd ook een uitgangspunt voor zijn fotografische werk. Vanaf het begin van de jaren 2000 fotografeerde hij onder meer bermmonumenten voor verkeersslachtoffers en doodgereden dieren. Bij de bermmonumenten richtte hij zich op de manier waarop nabestaanden een anonieme plek langs de weg door bloemen, kruisen, foto's en persoonlijke voorwerpen tot een individuele gedenkplaats maken. Foto's van aangereden dieren werden daarentegen soms digitaal sterk bewerkt, waardoor kleur, ritme en vorm aanvankelijk belangrijker lijken dan de gewelddadige oorsprong van het beeld.

Ondanks de overgang van stenen sculptuur naar tweedimensionaal en maatschappelijk geëngageerd werk bleef daarmee een belangrijke continuïteit in Verbeeks werkwijze bestaan. Zowel in zijn beeldhouwkunst als in het latere werk vertrekt hij vanuit een beperkt aantal vormen, beelden of gegevens die door herhaling, ordening en transformatie tot nieuwe composities worden verwerkt. Waar deze werkwijze aanvankelijk vooral diende om de mogelijkheden van vorm en ruimte te onderzoeken, werd zij later ook een middel om de verhouding tussen vorm en betekenis, schoonheid en werkelijkheid te onderzoeken.

Opvattingen over kunst en maatschappij Verbeek nam ook actief deel aan het debat over kunst en cultuur. Zo publiceerde hij over het oorlogsverleden van schilder Henry Luyten en vergeleek hij in Zuiderlucht de manifestatie Glocal Affairs (2008) met Trajecta 83, waaraan hij zelf had deelgenomen. Hij bekritiseerde daarbij de afhankelijkheid van kunstenaars van culturele instituties en het volgen van artistieke modes. Tegenover de nadruk op modieuze stijlkenmerken stelde hij de persoonlijke identiteit van de kunstenaar en het zoeken, ‘wars van trends en tijdgeest’, naar wat hij de bestendige kern van kunst noemde. Verbeek bekritiseerde daarnaast de neiging om regionale kunst als provinciaal en minder relevant te beschouwen. Daartegenover stelde hij: ‘Globale kunst is altijd locale kunst, maar wat van dichtbij komt, wordt vaak bij voorbaat als niet interessant beschouwd.’

Onafhankelijkheid was ook een terugkerend thema in Verbeeks werk. Kunsthistoricus Jos Pouls beschrijft zijn Holocaustreeks als zowel een aanklacht tegen de Holocaust als een waarschuwing tegen bureaucratie en de machteloosheid van het individu tegenover systemen. Daar stond een sterke belangstelling voor ordening tegenover: geometrie, ritme en mathematische structuren spelen een belangrijke rol in zijn oeuvre.

Zijn docentschap maakte Verbeek financieel onafhankelijk van de kunstmarkt. Over zijn sculpturen zei hij: ‘Ik wist trouwens zeker dat ik mijn beelden nooit verkocht kreeg.’ Dat hield geen twijfel aan de kwaliteit van zijn werk in; Verbeek stelde juist dat wanneer een kunstenaar zijn eigen werk niet goed vond, hij ermee moest stoppen, iets wat voor hem ‘nooit aan de orde’ was. Zijn werk werd bovendien geselecteerd voor onder meer Middelheim 82, Trajecta 83 en een overzichtstentoonstelling in 2010 in het Stedelijk Museum in Roermond. Verbeek was weinig gericht op zelfpromotie en omschreef zichzelf als verlegen en iemand met ‘de neiging om achteraan te gaan staan’. Ook zijn materiaalkeuze was weinig commercieel: veel sculpturen werden gehakt uit massieve Belgische hardsteen en wegen door hun afmetingen tientallen tot meer dan honderd kilogram. Over het alternatief brons merkte hij op dat daarvoor eerst geïnvesteerd en vervolgens verkocht moest worden: ‘In beide had ik geen interesse.’

Tentoonstellingen Werk van Verbeek werd onder meer getoond in Gemeentemuseum De Tiendschuur in Weert (1981) , tijdens Beeldhouwkunst uit het Zuiden van Nederland in het Openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim in Antwerpen (1982), en Trajecta 83 (1983). In 2005 nam hij deel aan Regionale ML 05 in het Stedelijk Museum Roermond.

In het voorjaar van 2010 organiseerde het Stedelijk Museum Roermond, het huidige Cuypershuis, de overzichtstentoonstelling Schoonheid en Schone Schijn. Het kunstenaarschap van Henk Verbeek . De tentoonstelling vond plaats in de kruisgang van het voormalige kartuizerklooster in Roermond. Bij de tentoonstelling verscheen een geïllustreerde monografie met bijdragen van kunst- en cultuurhistoricus Jos H. Pouls en Wido Smeets.

Auteur Naast zijn beeldende werk publiceerde Verbeek over kunst en cultuurgeschiedenis. In 2008 was hij initiatiefnemer, auteur en eindredacteur van Zwart Wit – Jan van Helden – Wit Zwart, over de Limburgse graficus Jan van Helden (1932–2006). Het boek kwam tot stand met André Beckers, Piet Geuskens en Ton Hilgers en werd uitgegeven door Kunststroom Roerdalen. Het telt 240 pagina's.

In 2014 verscheen Verbeeks omvangrijke Land aan de Roer, gezoend door de Muzen en vertrapt door Mars / Land an der Rur, von den Musen geküsst und vom Mars geschunden. Het Nederlands-Duitse boek behandelt kunst, cultuur en geschiedenis in het stroomgebied van de Roer, van de omgeving van Monschau tot Roermond. Het werk telt 814 pagina's en behandelt het gebied chronologisch van de prehistorie tot de moderne kunst. Het boek werd in het Jaarboek Veldeke Limburg 2014 besproken door taalkundige Pierre Bakkes, die in het Montforts dialect schreef dat Verbeek de culturele samenhang van het Nederlands-Duitse Roergebied zichtbaar maakte en het werk voor kunsthistorici „e neet te passere book” noemde.

Publicaties

Verbeek, Henk, André Beckers, Piet Geuskens en Ton Hilgers (2008). Zwart Wit – Jan van Helden – Wit Zwart. Kunststroom Roerdalen. Verbeek, Henk (2014). Land aan de Roer, gezoend door de Muzen en vertrapt door Mars / Land an der Rur, von den Musen geküsst und vom Mars geschunden. Roerdalen.

Literatuur

Pouls, Jos H. & Smeets, Wido (2010). Schoonheid en schone schijn. Het kunstenaarschap van Henk Verbeek. Roermond: Stedelijk Museum Roermond. 112 p. ISBN 978-90-74154-27-7. Bol