De Nederlandse artsenstaking van 1943, ook aangeduid als de artsenactie, afplakactie of artsendemonstratie, was een landelijke collectieve protestactie van Nederlandse artsen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De actie begon op 24 maart 1943 en werd op 1 april beëindigd. Duizenden artsen verklaarden formeel afstand te doen van hun bevoegdheid tot het uitoefenen van het beroep van arts en verwijderden of bedekten de aanduiding arts op hun praktijkborden en recepten. Daarmee protesteerden zij tegen het verplichte lidmaatschap van de nationaalsocialistische Nederlandsche Artsenkamer en tegen de aantasting van de professionele onafhankelijkheid van de medische stand.

De actie maakte deel uit van het bredere artsenverzet dat sinds 1941 door de illegale organisatie Medisch Contact werd georganiseerd. Dat verzet richtte zich tegen de nazificatie van de gezondheidszorg, tegen inmenging in het medisch beroepsgeheim en tegen maatregelen die artsen dwongen patiënten op grond van nationaalsocialistische criteria verschillend te behandelen. De uitsluiting en vervolging van Joodse artsen en patiënten vormden een belangrijk onderdeel van deze voorgeschiedenis, maar waren niet de enige aanleiding voor de actie van maart 1943.

Achtergrond

Uitsluiting van Joodse artsen Kort na het begin van de bezetting werden Joodse medici getroffen door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Joodse ambtenaar-artsen werden uit overheidsdienst verwijderd en vanaf 1 mei 1941 mochten Joodse artsen in beginsel alleen nog Joodse patiënten behandelen. Hierdoor werden zij geleidelijk uit de bestaande Nederlandse medische beroepsgemeenschap geïsoleerd.

In mei 1941 oefenden de Duitse autoriteiten daarnaast druk uit op het bestuur van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG). Het bestuur moest onder meer aan anti-Joodse maatregelen meewerken. De bekendmaking daarvan in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde leidde tot verontwaardiging en het vertrek van veel leden uit de NMG. Kort daarna ontstond de illegale verzetsorganisatie Medisch Contact.

De relatie tussen het artsenverzet en de vervolging van Joodse collega's was echter niet zonder tegenstrijdigheden. Historisch onderzoek naar Joodse artsen heeft erop gewezen dat de gevestigde medische organisaties de uitsluiting van Joodse artsen niet hadden kunnen voorkomen en dat deze artsen in toenemende mate in een afzonderlijke positie terechtkwamen. De oprichting van Medisch Contact kwam te laat om de maatregelen van het voorjaar van 1941 nog terug te draaien.

Oprichting van Medisch Contact Medisch Contact werd in de zomer van 1941 als clandestiene organisatie opgebouwd. Via districts- en plaatselijke vertrouwenspersonen en zogenoemde estafetteberichten onderhield de organisatie contact met duizenden artsen. Volgens historicus Loe de Jong bereikten de berichten uiteindelijk ruim zesduizend van de ongeveer 6.550 Nederlandse huisartsen en specialisten. Ook Joodse artsen ontvingen de berichten, al probeerde de leiding hen vanwege hun bijzonder kwetsbare positie buiten riskante collectieve acties te houden.

Op 19 december 1941 werd de NMG door de bezetter opgeheven en werd de Nederlandsche Artsenkamer ingesteld. De Artsenkamer was gebaseerd op nationaalsocialistische uitgangspunten en moest de medische beroepsgroep onder bestuurlijke controle brengen. Duizenden artsen protesteerden tegen de instelling en weigerden actief aan de organisatie mee te werken.

De actie van maart 1943 De druk op artsen om zich bij de Artsenkamer aan te sluiten nam in het voorjaar van 1943 toe. Medisch Contact koos daarop voor een juridische en symbolische tegenzet. Op 24 maart stuurden duizenden artsen een vrijwel gelijkluidende verklaring aan de president van de Artsenkamer waarin zij formeel afstand deden van hun bevoegdheid tot het uitoefenen van het beroep van arts. De volgende ochtend was in grote delen van Nederland de beroepsaanduiding arts op gevelborden en recepten verwijderd, doorgehaald of afgeplakt.

Het neerleggen van de bevoegdheid betekende niet dat de artsen alle patiëntenzorg staakten. Zij bleven medische handelingen verrichten, maar presenteerden zich formeel niet langer als arts. Om die reden omschreef De Jong de gebeurtenis als een artsendemonstratie en niet als een staking in de gebruikelijke arbeidsrechtelijke betekenis. In latere herinnerings- en erfgoedbronnen is de term artsenstaking niettemin gebruikelijk geworden.

Over het aantal deelnemers bestaan verschillen tussen bronnen. Oorlogsbronnen.nl spreekt van ongeveer 5.300 artsen die aan de staking deelnamen. De Jong vermeldt dat president Croïn van de Artsenkamer uiteindelijk 6.200 afstandsbrieven ontving. Hij beschrijft daarbij dat een deel van de aanvankelijke twijfelaars zich pas tijdens de actie aansloot en dat op sommige plaatsen zelfs pro-Duitse artsen om opportunistische redenen hetzelfde deden.

De actie was daarmee een uitzonderlijk zichtbaar optreden van het tot dan toe grotendeels clandestiene artsenverzet. De Duitse autoriteiten dreigden met arrestaties wanneer de artsen hun beroepstitel niet opnieuw zichtbaar zouden maken. Op aanwijzing van de leiding van Medisch Contact werd de openbare actie op 1 april beëindigd.

Jodenvervolging en solidariteit Het verzet tegen de Artsenkamer moet worden gezien binnen een bredere afwijzing van de nationaalsocialistische inrichting van de gezondheidszorg. Daaronder vielen ook maatregelen waarbij Joodse artsen en patiënten werden gediscrimineerd. De latere geschiedschrijving over Medisch Contact noemt de uitsluiting van Joodse collega's naast de aantasting van de medische onafhankelijkheid en de nazificatie van de beroepsorganisaties als een van de factoren waaruit het georganiseerde artsenverzet voortkwam.

Van een eenduidig landelijk motief solidariteit met de Joodse bevolking kan echter niet worden gesproken. De landelijke actie van maart 1943 was direct gericht tegen de Artsenkamer en tegen de nazificatie van het artsenberoep. Tegelijkertijd waren er plaatselijk acties waarbij de solidariteit met vervolgde Joden uitdrukkelijk werd genoemd.

Een gedocumenteerd voorbeeld is Tilburg, waar artsen in juni 1943 besloten gezamenlijk hun werkzaamheden neer te leggen en onder te duiken. Volgens onderzoek op basis van het Tilburgse politiearchief werd daarbij expliciet gesproken over solidariteit met de onderdrukte Joodse bevolking. Vierentwintig artsen waren bij deze plaatselijke actie betrokken.

Los van de collectieve acties hielpen individuele artsen Joodse patiënten en onderduikers op uiteenlopende manieren. Voorbeelden uit onderzoek naar het artsenverzet zijn het blijven behandelen van Joodse patiënten, het afgeven van valse medische verklaringen en het manipuleren van diagnoses om mensen aan deportatie of gedwongen tewerkstelling te laten ontkomen.

Nieuwe confrontatie in juni 1943 Na de actie van maart en april bleef het conflict met de bezetter voortduren. Op 23 juni 1943 zonden duizenden artsen opnieuw een protestbrief aan rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Medisch Contact herinnerde de bezetter eraan dat de artsen niet bereid waren zich aan het regime van de Artsenkamer te onderwerpen. Volgens Medisch Contact stuurden ongeveer 3.500 artsen de brief.

De Duitse reactie bestond uit een grootschalige arrestatieactie. Veel artsen doken onder. In de traditionele geschiedschrijving wordt gesproken over ongeveer 360 gearresteerde artsen. Nader archiefonderzoek van Floris van Dijk en Cees Rodenburg concludeerde dat het aantal artsen dat in 1943 daadwerkelijk in Kamp Amersfoort werd opgesloten waarschijnlijk lager lag; hun onderzoek identificeerde 211 gevangengenomen artsen en schatte het mogelijke totaal in het kamp op maximaal ongeveer 305.

Een bewaard gebleven estafettebericht van Medisch Contact laat zien dat de leiding na de arrestaties niet tot een algemene staking wilde oproepen, onder meer omdat zij de volksgezondheid niet aan het conflict wilde opofferen. Wel werd artsen gevraagd getroffen collega's en hun gezinnen financieel en organisatorisch te ondersteunen.

Betekenis De artsenactie van 1943 was een van de omvangrijkste openbare acties van een Nederlandse beroepsgroep tegen nationaalsocialistische gelijkschakeling. Het succes ervan lag vooral in de brede deelname en de organisatorische samenhang van Medisch Contact. De Artsenkamer slaagde er niet in de Nederlandse medische stand op de beoogde wijze onder nationaalsocialistische controle te brengen.

In de herinnering aan het artsenverzet speelt medische beroepsethiek een belangrijke rol. Historisch onderzoek maakt daarbij onderscheid tussen het collectieve verzet tegen de nazificatie van het beroep, individuele verzetsactiviteiten en de specifiek op Joodse collega's en patiënten gerichte hulp. Dat onderscheid voorkomt dat de uiteenlopende motieven en gedragingen van Nederlandse artsen tijdens de bezetting tot één verklaring worden teruggebracht.

Literatuur

Zie ook

Artsenstaking

Categorie:Staking in Nederland Categorie:Geschiedenis van de geneeskunde Categorie:Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog