De Bhutaanse witte den (Pinus bhutanica, synoniem: Pinus wallichiana subsp. bhutanica) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). Deze soort werd voor het eerst beschreven in 1980; daarvoor werden exemplaren toegewezen aan Pinus wallichiana. De Bhutaanse witte den komt van nature alleen voor in Bhutan en aangrenzende delen van Noordoost-India (Arunachal Pradesh) en Zuidwest-China (Yunnan en Tibet).

Beschrijving De Bhutaanse witte den groeit als een groenblijvende boom en bereikt een hoogte van 25 meter of meer. De stam is recht en zuilvormig, met een diameter op borsthoogte van maximaal 80 centimeter. De bast van jonge bomen en van de takken is glad en licht grijsbruin. Bij oudere bomen is de bast grijsbruin en verdeeld in kleine schubben, gescheiden door ondiepe groeven; deze schubben bladderen in kleine stukjes af. De takken staan in kransen en zijn wijd uitstaand en gebogen. Takken van hogere orde hangen omlaag met omhoog gerichte uiteinden, waardoor een smalle, kegelvormige en relatief open kroon ontstaat. Naalden dragende twijgen zijn bruin en variëren van slank tot robuust. Aljos Farjon: A Handbook of the World’s Conifers, Band 2, S. 640 James E. Eckenwalder: Conifers of the World, S. 415 Jonge scheuten zijn in het eerste jaar klierachtig behaard en bedekt met een witachtige waslaag; in het tweede jaar hebben ze een dunne, licht grijsgroene schors ontwikkeld. De vegetatieve knoppen zijn eivormig-kegelvormig en licht harsachtig. Eindknoppen zijn 10 tot 15 millimeter lang, terwijl zijknoppen kleiner en duidelijker eivormig zijn. De knopschubben zijn grijs met een oranje tint of licht roodbruin.

De naalden groeien in bundels van vijf en ontspringen uit een schede aan de basis, bestaande uit tere, oranjebruine schubben; deze schede valt vroeg af en is meestal 2 tot 3 millimeter lang (zelden slechts 1,8 millimeter). De naalden hangen omlaag; ze zijn vaak alleen aan de basis gebogen maar verder recht, zeer slank en flexibel. Ze variëren in lengte van 12 (zelden) tot 15–24 (meestal) of zelfs 28 centimeter, zijn 1 millimeter breed en hebben een driehoekige doorsnede. De randen van de naalden zijn zeer fijn gezaagd. De naalden zijn lichtgroen aan de buitenzijde (abaxiaal) en blauwachtig wit aan de binnenzijde (adaxiaal). Op de twee binnenzijden bevinden zich vier tot zeven Liguo Fu, Nan Li, Thomas S. Elias, Robert R. Mill: Pinus bhutanica Grierson et al., S. 24 - textgleich online wie gedrucktes Werk, In: Wu Zheng-yi, Peter H. Raven (Hrsg.): Flora of China. Volume 4: Cycadaceae through Fagaceae. Science Press und Missouri Botanical Garden Press, Beijing und St. Louis, 1999, ISBN 0-915279-70-3. dunne lijnen bestaande uit huidmondjes. Drie tot vier harskanalen bevinden zich vlak onder het oppervlak. De naalden blijven 1,5 tot 2 jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in kleine, spiraalsgewijs gerangschikte groepjes aan de basis van jonge scheuten. Deze gele, kort-cilindrische kegels – bij rijpheid 10 tot 20 millimeter lang – zijn gedeeltelijk bedekt door acht tot twaalf blijvende schubbladeren. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien solitair of in kransen van twee tot zes; ze staan aanvankelijk rechtop maar gaan later hangen aan stevige stelen, die zelden 1 cm maar doorgaans 4 tot 6 cm lang zijn. De kegels zijn cilindrisch en meestal licht gekromd, met een lengte van 12 tot 20 cm; de diameter bedraagt 3 tot 4 cm in gesloten toestand en 5 tot 7 cm wanneer ze rijp en geopend zijn. Ze zijn doorgaans harsrijk en vallen – inclusief steel – kort na de verspreiding van de pitten (vaak zaden genoemd) af. De 60 tot 80 schubben zijn mat roodbruin, wigvormig tot langwerpig (het breedst net onder de apofyse), dun-houtig en slechts licht buigzaam. Ze vertonen twee holten aan de naar de as toe gerichte (adaxiale) basis, waarin de pitten liggen. De apofyse is ruitvormig, 1 tot 1,5 cm lang en 1,5 tot 2,5 cm breed, licht verheven, stomp gekield, lichtbruin en heeft een min of meer spitse punt. De umbo bevindt zich aan de top en is donkerder dan de apofyse.

De bruine pitten zijn omgekeerd eirond en enigszins afgeplat, met een lengte van 6 tot 8 mm en een diameter van 4 tot 5 mm. De vleugel is grijsbruin, blijft aan de pit zitten, is 15 tot 22 mm lang en 7 tot 10 mm breed.[ Christopher J. Earle, Pinus bhutanica, The Gymnosperm Database, 2019-02-28, geraadpleegd op 2019-05-01

Externe links The Gymnosperm Database met twee afbeeldingen Conifers Around the World met afbeeldingen

Categorie:Den Bhutaanse witte den