De grootsporige grasviltmollisia (Belonopsis graminea) is een schimmel uit de familie Mollisiaceae. Het is een kleine, saprotrofe zakjeszwam die voorkomt op afgestorven stengels van grassen. De soort is onder meer vermeld van Ammophila en kweek.

Kenmerken De vruchtlichamen zijn kleine, schijfvormige apotheciën. Het sporenvormende oppervlak is witachtig en verkleurt bij het indrogen naar geelachtig. Soorten van het geslacht Belonopsis hebben doorgaans apotheciën die door het oppervlak van het grassubstraat naar buiten breken. Het mergachtige deel van het excipulum bestaat uit los verweven hyfen en bevat kristallen van calciumoxalaat.

De asci van B. graminea zijn inamyloïde. De soort vormt daarnaast een ongeslachtelijk stadium. De conidioforen staan dicht opeen in groepjes van ongeveer 0,2 mm breed. De conidiën zijn cilindrisch tot langwerpig spoelvormig en meten ongeveer 8–10 × 1,5 µm.

Ecologie De grootsporige grasviltmollisia leeft saprotroof op afgestorven delen van grassen. De soort werd beschreven van een gras dat destijds tot Agropyron werd gerekend en is daarnaast aangetroffen op Ammophila. Ook van dode stengels van Elytrigia repens is de soort vermeld.

In Nederland is de soort opgenomen in de NDFF Verspreidingsatlas onder de Nederlandse naam grootsporige grasviltmollisia en met de zeldzaamheidscode zzz.

Taxonomie Petter Adolf Karsten publiceerde de soort in 1868 als Peziza graminea. Hij plaatste haar in 1871 in het geslacht Mollisia als Mollisia graminea. In 1902 brachten Pier Andrea Saccardo en Paul Sydow de soort onder in Belonopsis, waarmee de naam Belonopsis graminea ontstond.

R.W.G. Dennis wees in 1950 materiaal uit Mustiala in Finland aan als lectotype. Dit materiaal was door Karsten op 27 september 1868 verzameld, vermoedelijk op een soort uit het geslacht Calamagrostis.

Categorie:Schimmelsoort Categorie:Mollisiaceae