Een keur was een historische verordening of rechtsregel die door een stedelijke overheid schriftelijk werd vastgesteld.

Keuren maakten deel uit van het middeleeuwse en vroegmoderne stedelijk recht. Zij kwamen op met de groei van de steden: naarmate handel en nijverheid zich uitbreidden en het stadsleven ingewikkelder werd, groeide de behoefte aan vastgelegde regels voor het onderlinge verkeer. Stadsbesturen stelden vanaf de dertiende eeuw keuren op. De schout en de schepenen waren het meest betrokken, vaak aangevuld met raden en soms de burgemeesters; vooral in de beginperiode kon ook de landsheer een rol spelen. De vroege keuren gingen vooral over moord, doodslag en geweld, over het huwelijksgoederenrecht en over de verdeling van de nalatenschap bij het overlijden van een echtgenoot. Later kwamen daar gedetailleerde voorschriften bij, bijvoorbeeld over het houden van bepaalde honden, de plaatsen waar kooplieden hun waren mochten verkopen, openbare orde en het verbod op daken van riet of stro.

Keuren bestonden uit twee delen: Een deel legde het bestaande, ongeschreven gewoonterecht schriftelijk vast. Voor het overige bestonden ze uit nieuwe besluiten van het stadsbestuur.

De inhoud van keuren kon zowel een beperkend als een voorschrijvend karakter hebben: Beperkende keuren verboden of beperkten bepaalde gebruiken. Dergelijke bepalingen geven inzicht in volksgebruiken uit het verleden. Voorschrijvende keuren legden verplichtingen op en konden aansluiten bij bestaande gebruiken.

Op overtreding van een keur stond doorgaans een straf. Deze bestond meestal uit een boete in geld of natura. Lijfstraffen werden in keuren minder vaak vermeld.

Etymologie In het Middelnederlands luidde het woord core of cuere. Het is afgeleid van kiezen en betekende oorspronkelijk 'keuze' of 'het recht om te kiezen'. Daaruit ontwikkelde zich al vroeg de betekenis 'het uitgekozene'. Het woord keur is te herkennen in de voltooide deelwoorden gekoren en uitverkoren (van kiezen), wat wijst op een element van wilsbeschikking van het bestuur dat de keur vaststelde. Hieruit groeiden overdrachtelijke betekenissen, waaronder de rechtsbevoegdheid om keuren uit te vaardigen of te handhaven en de straf op overtreding van een keur. Van die laatste betekenis is het woord bekeuring afgeleid.Etymologiebank (z.j.) Bekeuring. Geraadpleegd: 28 september 2026.

Categorie:Middeleeuws recht