Sergej Pavlovitsj Tolstov (Russisch: Серге́й Па́влович Толсто́в) (Sint-Petersburg, - Moskou, 28 december 1976) was een Sovjetische historicus, etnograaf, archeoloog en onderzoeker van de geschiedenis van de volkeren van Midden-Azië, de geschiedenis, etnogenese en cultuur van de Karakalpakken, en de ontdekker van de oude culturen van Chorasmië.
Tolstov was directeur van het N.N. Mikloecha-Maklai-instituut voor Etnologie en Antropologie van de Russische Academie van Wetenschappen, directeur van het Instituut voor Oriëntaalse Studies van de Russische Academie van Wetenschappen en wetenschappelijk secretaris van het presidium van de Russische Academie van Wetenschappen, alsook hoofd van de afdeling Etnografie (1939-1951) en decaan van de faculteit Geschiedenis van de Staatsuniversiteit van Moskou (1943-1945). Corresponderend lid van de Academie van Wetenschappen van de USSR (1953), en erelid van de Academie van Wetenschappen van de Oezbeekse SSR.
Biografie Hij werd geboren op 12 januari (25 januari) 1907 in Sint-Petersburg in het gezin van de Oeral-kozakkenofficier Pavel Sergejevitsj Tolstov (1878-1916) en Maria Ivanovna Badajeva (1881-1924). Destijds diende zijn vader in het Geconsolideerde Kozakken Lijfwachtregiment.
Zijn grootvader, Sergej Jevlampijevitsj Tolstov, was cavaleriegeneraal, waarnemend ataman van de Terek-Kozakken, en hoofd van de Oblast Terek in 1900-1905. Hij nam deel aan de Russisch-Turkse oorlog en vele campagnes en expedities, en was ridder in de ordes van Sint-Vladimir, Sint-Anna en Sint-Stanislav. Hij bracht vier zonen groot, die officieren in het Russische leger werden, onder wie luitenant-generaal Vladimir Sergejevitsj Tolstov, de laatste ataman van de Oeral-Kozakken en de laatste commandant van het afzonderlijke Oeral-leger.
Zijn vader, Pavel Sergejevitsj Tolstov, was kolonel van het Geconsolideerde Kozakken Lijfwachtregiment. Hij stierf op 23 november 1916 aan tuberculose en werd begraven in Jalta (het graf is niet bewaard gebleven).
Jonge jaren In zijn jeugd werd Sergej samen met zijn broers eerst ingedeeld bij het 2e cadettenkorps van Sint-Petersburg, en na de Russische Revolutie van 1917 studeerde hij aan het cadettenkorps van Orenburg. Na Orenburg groeide hij op in een weeshuis in Moskou.
In 1923 ging hij naar de Staatsuniversiteit van Moskou, waar hij eerst natuurkunde en wiskunde studeerde, en vervolgens geschiedenis en etnologie (met als hoofdvak antropologie) tot 1930. Hij was leerling van Boris Zjoekov. Hij voltooide zijn studentenstage in de Wolgaregio en in de oase Chorasmië bij de Turkmenen, en verdedigde zijn proefschrift in 1935.
In 1937 vertrokken Tolstov en een klein archeologisch team naar de "gronden van de oude irrigatie", dat wil zeggen de buitengebieden van het oude Chorasmië, die door de Kyzylkum- woestijn waren opgeslokt. Er werden tientallen archeologische vindplaatsen ontdekt, waaronder de beroemde ruïnes van Tuproqqalʼa. De classificatie en datering van archeologische culturen die Tolstov in die jaren voorstelde, en die de periode van het neolithicum tot de middeleeuwen omvatte, heeft de tand des tijds doorstaan.
In 1939 werd Tolstov benoemd tot hoofd van de afdeling Etnografie en hoogleraar aan de Staatsuniversiteit van Moskou.
Tweede Wereldoorlog In de allereerste dagen van de Grote Vaderlandse Oorlog meldde Tolstov zich aan als vrijwilliger. In juli 1941 meldden veel medewerkers van de geschiedenisafdeling van de Staatsuniversiteit van Moskou, die geen speciale militaire training hadden genoten, zich aan als vrijwilliger. Op bevel van de autoriteiten werden alle professoren echter al snel teruggestuurd naar hun normale werkplek. Slechts drie mensen weigerden dit strikte bevel op te volgen, onder deze drie was Tolstov. Twee van hen, Aleksandr Feliksovitsj Kon en Mark Solomonovitsj Zorki, stierven kort daarna.
Net als veel soldaten aan het front sprak Tolstov liever niet over de oorlog. Het is dan ook niet verwonderlijk dat collega's die jarenlang met hem hadden samengewerkt pas na zijn dood via de memoires van enkele mensen en zijn officiële vragenlijsten meer te weten kwamen over zijn militaire carrière. Tijdens de oorlog kwamen Tolstovs vele talenten en organisatorische vaardigheden al snel aan het licht.
Hij was commandant van de verkenningseenheid van de 2e batterij van de antitankdivisie, en vervolgens commandant van het topografische verkenningspeloton van het artillerieregiment van de 8e infanteriedivisie.
In oktober 1941 raakte zijn divisie omsingeld in het gebied rond Jelnja. Tijdens de slag op 7 oktober 1941, nabij het dorp Oest-Djomino, bevond Tolstov zich op een artillerieobservatiepost en raakte hij in shellshock. Vervolgens leidde hij een detachement van ongeveer 100 man, dat uit de omsingeling brak en richting Mozjajsk trok. Op 21 oktober bereikte hij de Sovjetposities bij station Sjalikovo. Tijdens de veldslag van die dag raakte Tolstov gewond aan zijn been. Hij bereikte Koebinka, vanwaar een hospitaaltrein hem oostwaarts bracht - eerst naar Tasjkent en vervolgens naar Krasnojarsk.
Na zijn ziekenhuisopname probeerde Tolstov hardnekkig terug te keren naar het front, maar het militaire commando besloot anders en beval de professor terug te keren naar Moskou. Beide wetenschappelijke instellingen waar hij werkte, werden geëvacueerd naar Tasjkent, en Tolstov bevond zich daar al snel (collega's beschouwden hem al lang als gesneuveld en hadden zelfs officieel afscheid genomen van de doodgewaande Sergej Pavlovitsj).
Later leven In augustus 1942 verdedigde hij zijn proefschrift "Oud Chorasmië", en aan het einde van datzelfde jaar werd hij benoemd tot directeur van het N.N. Mikloecha-Maklai-instituut voor Etnologie en Antropologie van de Russische Academie van Wetenschappen. Van 1943 tot 1945 was hij decaan van de faculteit geschiedenis aan de Staatsuniversiteit van Moskou, en van 1946 tot 1966 stond hij aan het hoofd van de redactie van het tijdschrift Sovjetskaja etnografija. Als onderzoeksleider hielp hij in 1949 Joeri Knorozov aan een baan als junior onderzoeker bij het Museum voor Volkenkunde van de USSR in Leningrad, toen deze niet werd toegelaten tot andere instituten en ook niet tot de masteropleiding aan de Staatsuniversiteit van Moskou, omdat de familie Knorozov zich tijdens de oorlog in bezet gebied had bevonden. Ook later bleef hij Knorozov ondersteunen.
In 1945 hervatte de archeologische en etnografische expeditie naar Chorasmië onder leiding van Tolstov haar werkzaamheden, waarbij Tuproqqalʼa het belangrijkste doel werd.
Van 1950 tot 1952 was Tolstov directeur van het Instituut voor Oriëntaalse Studies van de Russische Academie van Wetenschappen. Van 1951 tot 1970 was hij voorzitter van de Russische Palestina-vereniging.
Op 23 oktober 1953 werd hij gekozen tot corresponderend lid van de Academie van Wetenschappen van de USSR, binnen de afdeling Historische Wetenschappen. Hij was tevens corresponderend lid van de Academie van Wetenschappen van de Duitse Democratische Republiek, erelid van de Academie van Wetenschappen van de Oezbeekse SSR en lid van een aantal andere Centraal-Aziatische academies. Hij was correspondentielid van de Société Asiatique in Parijs, de Société d'anthropologie de Paris, het Royal Anthropological Institute of Great Britain and Ireland, de Archaeological Survey of India, het Istituto Italiano per il Medio ed Estremo Oriente, de School of Oriental and African Studies aan de Universiteit van Londen en een aantal andere buitenlandse wetenschappelijke instellingen.
In het laatste decennium van zijn leven verloor hij door een reeks beroertes praktisch zijn vermogen om te werken. Hij overleed op 28 december 1976 in Moskou. Hij werd begraven op de Koentsevo-begraafplaats aldaar.
Categorie:Russisch archeoloog Categorie:Russisch historicus Categorie:Etnograaf