Het plooiplaatzwammetje (Delicatula integrella) is een kleine, witte paddenstoel uit de familie Porotheleaceae. Het is de typesoort van het geslacht Delicatula. De soort leeft als saprotroof voornamelijk op sterk verterend hout en ander plantenmateriaal.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed heeft een diameter van ongeveer 3–17 mm. Jonge exemplaren zijn halfbolvormig tot klokvormig; later wordt de hoed breed kegelvormig, gewelfd of vrijwel vlak en soms onregelmatig van vorm. De hoed is wit, dunvlezig en hygrofaan. Bij vochtig weer is hij doorschijnend gestreept. Het oppervlak is fijn behaard wanneer het vruchtlichaam jong is, maar wordt later vrijwel kaal.

Lamellen De lamellen staan ver uiteen en zijn vaak slecht ontwikkeld. Ze zijn soms gereduceerd tot ader- of plooi-achtige ribben die de rand van de hoed niet bereiken. De lamellen kunnen onderling door dwarsaders verbonden zijn en zijn wit van kleur. Ze zijn breed aangehecht tot enigszins aflopend op de steel.

Steel De steel is ongeveer 8–22 mm lang en 0,4–1,5 mm dik. Hij is cilindrisch, vaak enigszins gebogen en wit tot bijna doorschijnend. Vooral bij jonge exemplaren is het oppervlak fijn behaard of vlokkig. Aan de voet kunnen duidelijke witte rhizoïden aanwezig zijn.

Jonge vruchtlichamen bezitten fijne resten van een velum, die als vlokjes op de hoed en steel zichtbaar kunnen zijn. Deze verdwijnen vaak bij oudere exemplaren. Het vlees is zeer dun en wit. Geur en smaak zijn weinig opvallend.

Microscopische kenmerken De basidiosporen meten ongeveer 7,5–10,5 × 4,0–6,5 µm en zijn amandelvormig tot spoelvormig, glad en dunwandig. In Melzers reagens zijn de sporen amyloïde. Dit amyloïde karakter vormt een belangrijk verschil met verschillende oppervlakkig gelijkende soorten van het geslacht Hemimycena.

De basidia zijn knotsvormig, overwegend viersporig en meten ongeveer 23–32(–35) × 7–11 µm. Cystiden ontbreken. Langs de lamelsnede kunnen zelden enkele knots- tot spoelvormige elementen aanwezig zijn, maar deze steken niet boven het hymenium uit.

De pileipellis is een cutis van radiaal gerangschikte, cilindrische hyfen tot ongeveer 10 µm breed. Op de hoed bevinden zich microscopische resten van het velum. Ook op de steel komen vergelijkbare velumresten voor. Gespen zijn aanwezig.

Ecologie Het plooiplaatzwammetje is saprotroof en groeit afzonderlijk of in kleine groepjes op vochtig, sterk verterend hout, stronken, takjes en ander houtig plantenmateriaal. Het wordt vooral gevonden op loofhout, waaronder esdoorn, els, beuk, populier, eik, wilg, vlier, linde en iep. Minder vaak wordt de soort op naaldhout of op plantenresten aangetroffen.

In Nederland komt de soort in uiteenlopende bostypen voor. Relatief veel waarnemingen zijn afkomstig uit elzenbroekbossen, loofbossen op rijke klei, gemengde bossen en wilgenbroekstruwelen. De soort wordt daarnaast onder meer in parken, lanen en andere houtige vegetaties aangetroffen.

Vruchtlichamen worden voornamelijk van juni tot november aangetroffen.

Verspreiding Het plooiplaatzwammetje is algemeen en wijdverspreid in Europa en is daarnaast bekend uit Noord-Amerika en Australië. In Nederland zijn waarnemingen uit alle twaalf provincies bekend.

Taxonomie De soort werd in 1800 door Christiaan Hendrik Persoon beschreven als Agaricus integrellus. Victor Fayod plaatste hem in 1889 in het geslacht Delicatula. In oudere literatuur werd het geslacht onder meer tot de Tricholomataceae gerekend. Moleculair-fylogenetisch onderzoek plaatst Delicatula tegenwoordig in de familie Porotheleaceae.

Categorie:Porotheleaceae Categorie:Schimmelsoort