Augustinus van Hippo (Latijn: AureliusDe naam Aurelius heeft vrijwel geen betekenis, omdat het weinig meer dan Romeins burgerschap aanduidt (zie: Salway, Benet (1994): "What's in a Name? A Survey of Roman Onomastic Practice from c. 700 B.C. to A.D. 700". The Journal of Roman Studies. Society for the Promotion of Roman Studies. 84: 124–45. doi:10.2307/300873. . JSTOR 300873.). Augustinus Hipponensis), ook wel Sint-Augustinus genoemd, (Thagaste, 13 november 354 – Hippo, 28 augustus 430) was bisschop van Hippo, theoloog, filosoof en kerkvader. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste kerkvader van het Westen. Tot zijn bekendste werken behoren de Confessiones en De civitate Dei.
Leven Jeugd Augustinus werd geboren en stierf in de toenmalige gekerstende West-Romeinse provincie Africa, tegenwoordig noordoost Algerije en Noord-Tunesië in de Aures-gebergten genoemd. Hij werd geboren in het provinciestadje Thagaste (het tegenwoordige Souk-Ahras) als zoon van de Romeinse raadsheer Patricius en de Numidische Monica, een vrome christelijke vrouw.Power, Kim (1999) "Family, Relatives", pp. 353–54 in Augustine Through the Ages: An Encyclopedia. Allan D. Fitzgerald, ed. Grand Rapids: Wm. B. Eerdmans, . Hij identificeerde zich voornamelijk als een Numidiër die Latijn sprak.Mark Ellingsen (2005): The Richness of Augustine: His Contextual and Pastoral Theology, Westminster John Knox Press. pag. 10. "For surely considering you are an African, and that we are both settled in Africa, you should not have so forgotten yourself when writing to Africans...". [239/https://books.google.nl/books?id=ZeU4uCL8DfUC Gearchiveerd op 18 augustus 2016. Ook identificeerde hij zich met de oude Amazigh, Berbers.
Zijn ouders hadden het financieel niet breed maar trachtten desondanks hem de beste opvoeding van die tijd te geven. Augustinus genoot lager en voorbereidend hoger onderwijs in Thagaste en in Madaura. Na de vroege dood van zijn vader liet moeder Monica (financieel gesteund door anderen) hem studeren. Hij ontving onderricht in de retorica te Madaura en Carthago. Tot verdriet van zijn moeder Monica leidde Augustinus tijdens zijn jonge jaren aanvankelijk een in christelijke ogen losbandig leven. Later schreef Augustinus in zijn Confessiones dat hij als student terecht kwam in „een warboel van schandelijke liefdes”. Hij bedoelde hiermee volgens professor Hans van Oort homoseksuele liefdes.https://www.rd.nl/kerk-religie/kerkvader-augustinus-verwierp-homosekualiteit-uit-zijn-jeugd-1.1542585. Gearchiveerd op 5 augustus 2020. Met 17 jaar begon Augustinus een relatie met een jong meisje.Adeodatus, lemma in Catholic Encyclopedia, 1913 — Relatie en zoon worden alhier vermeld. Gearchiveerd op 22 oktober 2021. Ze kregen in 372 een zoon, Adeodatus ("gegeven door God"). Augustinus vermeldde dit in zijn Confessiones (9, 6,14). Ze zouden 13 jaar samenleven.
Vroege carrière Na zijn studie doceerde Augustinus in 375, op 21-jarige leeftijd, retorica in zijn geboorteplaats Thagaste. Het jaar daarop vestigde hij zich in Carthago als leraar in de retorica, hetgeen hij later ook te Rome was. Vermoedelijk verhuisde hij in 383 naar Rome. Na kennismaking met het werk van de Romeinse filosoof Cicero besloot hij filosofie te studeren, op zoek naar de waarheid, met name over een zuiver Godsbegrip in relatie tot de oorsprong van het kwaad. Aanvankelijk meende hij deze waarheid te vinden in het manicheïsme. Deze syncretistische stroming (na zijn bekering door Augustinus heftig als ketters bestreden) ging uit van de rationele dualistische gedachte dat er naast God als het hoogste Goed een afzonderlijke entiteit Kwaad bestaat. Zodoende kon God de Schepper niet als oorsprong van het Kwaad en de zonde worden beschouwd (het probleem van de theodicee). Goed en Kwaad strijden als gelijkwaardige partijen tegen elkaar.
Vanaf 376 was Augustinus gedurende tien jaar lid van de gemeenschap van de manicheeërs. Onder invloed van de Griekse filosofie keerde hij zich af van het manicheïsme. In het neoplatonisme, met name bij Plotinus, vond hij een beter antwoord op de vraag waar het kwaad vandaan komt. Het kwaad was, zo zag Augustinus het toen, een beroving van het goede; geen opzichzelfstaande entiteit, maar de verkeerdheid van de menselijke wil die zich van God heeft afgewend. Zijn bekering tot het christendom geschiedde niet op basis van rationele inzichten, maar door een persoonlijke crisis.
Tijdens zijn jaren in Carthago won Augustinus een poëzieprijs en kwam hij veel aan huis bij Vindicius, de proconsul van Carthago. Deze overtuigde Augustinus van de onjuistheid van diens geliefde astrologie, door hem erop te wijzen dat enkele uitgekomen voorspellingen op toeval berustten. Het contact met Vindicius en zijn kring bracht Augustinus op het idee naar Rome te gaan voor zijn carrière en zo te ontsnappen aan zijn bandeloze leerlingen.
Bekering In 384 werd Augustinus tot staatsretor aan het keizerlijk hof in Milaan benoemd, op voorspraak van de heidense senator Quintus Aurelius Symmachus, stadsprefect van Rome. Hij werd leraar van de zonen van deze senator. In Milaan raakte Augustinus geboeid door een preek van Ambrosius, de bisschop van Milaan. Ambrosius nam de intellectuele bezwaren van Augustinus tegen de Bijbel weg door te stellen dat deze niet letterlijk gelezen moest worden, maar allegorisch. Augustinus werd pas later door het christelijk geloof in het hart geraakt. In de zomer van 386 legde hij, door een longaandoening verzwakt, het ambt van staatsretor neer en trok zich met een aantal vrienden op het landgoed Cassiciacum terug. Daar schreef hij enkele filosofische werken (o.a. Contra academicos, De ordine; De beata vita), waarin hij de menselijke rede en een goede levensordening als weg naar God verklaart. In dat jaar bekeerde hij zich tot het christendom. Hij beschreef zijn bekering in zijn autobiografische Confessiones (Belijdenissen). In 387 werd hij met Pasen door Ambrosius gedoopt. Hij keerde daarop met enige vrienden naar Africa terug om er in zijn geboorteplaats Thagaste een gemeenschap van lekenmonniken te stichten. Tijdens die reis overleed zijn moeder Monica in Ostia.
Bisschop Na zich in Thagaste een paar jaar in stilte met Bijbelstudie te hebben beziggehouden werd Augustinus in 391, tijdens een bezoek aan de havenstad Hippo, aldaar tegen zijn zin in 391 tot priester gewijd. In 395 werd hij gekozen tot medebisschop (met het recht van opvolging van de bisschop van Hippo Regius). Van 396 tot zijn dood in 430 was hij bisschop van de Kerk van Hippo Regius. Ook in die functie bleef hij een sober kloosterleven leiden in zijn bisschoppelijke woning.
Als bisschop stichtte hij een leefgemeenschap voor clerici. Voor deze geestelijken schreef hij Praeceptum. Deze Regel van Augustinus vormt nog altijd de basis voor kloosterordes van de mannelijke en vrouwelijke tak van de Reguliere kanunniken, de Augustijnen, de Norbertijnen, de Dominicanen en verschillende congregaties van Kruisheren die in de loop der geschiedenis ontstonden.
Als priester en bisschop werd Augustinus een gerenommeerd prediker. Er zijn bijna zeshonderd preken van hem overgeleverd, naar schatting 10% van het totale aantal preken dat hij heeft gehouden. Een deel van zijn predikend leven besteedde hij aan de bestrijding van de aanhangers van met name de andersdenkende (ketterse) stromingen van het manicheïsme, het donatisme en het pelagianisme. Vooral was hij pastoraal bewogen en bezorgd om het welzijn van de mensen die aan zijn zorg als bisschop waren toevertrouwd. Uit deze tijd resten zijn uitspraken "Met u ben ik christen, voor u ben ik bisschop" (in een preek over het bisschopsambt) en "Heb de zondaar lief, maar haat de zonde."
Dood Augustinus stierf in 430 in Hippo Regius (het tegenwoordige Annaba), waar hij van 396 tot zijn dood bisschop was, tijdens het beleg van en vlak voor de inname van Hippo door de Vandalen. Volgens de overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een ariaanse variant van het christendom aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde. Na zijn dood werd zijn lichaam uit vrees voor de Vandalen overgebracht naar Sardinië en later naar Pavia. Daar werd zijn lichaam bijgezet in de basiliek San Pietro in Ciel d'Oro. Augustinus wordt als heilige vereerd. Op de liturgische kalender van de Rooms-Katholieke Kerk staat de gedachtenis van Augustinus op 28 augustus, de datum waarop hij overleed. De Byzantijns-Orthodoxe Kerken gedenken hem op 15 juni. Hij is de beschermheilige van onder andere brouwers, drukkers, theologen en een aantal steden en bisdommen.
Geschriften
Augustinus was een uitermate productief schrijver. Zijn beroemdste geschriften zijn Confessiones ('Belijdenissen'), De Civitate Dei ('Over de Stad Gods') en De Trinitate ('Over de Drie-eenheid'). Op zijn naam staan verder preken, traktaten, verhandelingen, brieven, Bijbelcommentaren, dogmatische, filosofische en theologische teksten, een autobiografisch werk en een gedicht. Zijn werk Confessiones wordt gezien als een vroege vorm van autobiografie: hij schrijft over de periode van zijn verwekking tot zijn toenmalige leeftijd (ongeveer 50) en over de ontwikkeling van zijn relatie tot God. In het achtste boek beschrijft hij het spectaculaire bekeringsproces dat hij had ondergaan en dat in 386 in Milaan zijn voltooiing bereikte. Hét bekeringsmoment staat bekend als de "tolle, lege"-scène, waarin Augustinus deze woorden, met de betekenis 'neem en lees' door een kinderstem hoorde zingen. Ze gelden als een oproep om de Heilige Schrift ter hand te nemen. Kort hierop zou hij afstand doen van zijn maatschappelijke functie en zich door Ambrosius laten dopen. Hij eindigt de Confessiones met een uitgebreide beschouwing van het Bijbelboek Genesis, waarin hij uitlegt hoe de tekst geïnterpreteerd kan worden. Zijn psychologisch bewustzijn en zelfanalyse maken ook in onze tijd nog indruk op lezers.
In De civitate Dei verdedigt hij tegenover geletterde heidenen het christendom als de ware godsdienst en geeft hij zijn ideeën over de sociale en maatschappelijke orde weer.
Aan het eind van zijn leven (vermoedelijk in de periode van 426 tot 428) las Augustinus al zijn werk in chronologische volgorde nog eens door. In zijn boek Retractationes ("Nalezingen") gaf hij aan wat hij liever anders gezegd zou hebben. Dit boek geeft de lezer niet alleen een beeld van de ontwikkeling van Augustinus' visie, maar ook van zijn ruimhartigheid en zijn warsheid van verstarring.
Hij schreef ook een verhandeling Over muziek, bestaande uit zes boeken.
Augustinus en de joden Augustinus ontwikkelde een uiterst genuanceerd beeld van de joden. De joden beschikken over de verzameling van religieuze boeken die men later in christelijke kringen het Oude Testament is gaan noemen; de christenen hebben daarnaast de boeken van het Nieuwe Testament. In Augustinus' ogen was het Nieuwe Testament de vervulling van het Oude Testament, dat als de belofte kan worden gezien. Jezus Christus is de nieuwe Adam, Maria de nieuwe Eva. Volgens die visie zijn de joden de noodzakelijke wegbereiders van het christendom. Augustinus gaat dan ook vol respect met hen om. Samen met de heidenen vormen ze het fundament van het christendom, dat voortkomt uit joden en heidenen die zijn als twee muren die uit twee verschillende richtingen bij elkaar komen in één hoeksteen, Christus.
In verschillende geschriften laat Augustinus zich over de joden uit. Meestal presenteert hij hen als (al te) getrouwe navolgers van de wet: ze nemen alles naar de letter, hoewel naar de Geest, de invalshoek van de christenen, volgens Augustinus beter zou zijn.
"De letter doodt, maar de Geest maakt levend", zegt de apostel Paulus. Degenen die naar de letter leven en de (heilige) Geest geen kans geven, houden het oude (de oude mens) in stand en maken geen ruimte voor het nieuwe (de nieuwe mens).