Ambiorix was ten tijde van Julius Caesars verovering van Gallië samen met Catuvolcus koning van de Gallische stam de Eburonen, die zouden hebben geleefd "tussen Maas en Rijn",Caesar, Commentarii de bello Gallico V 24.4. in gedeelten van het huidige Nederland en België (Kempen, Luik (provincie), beide Limburgen) en Duitsland (Roer, zijrivier van de Maas). Hij werd vanaf de 19e eeuw een mythische Belgische held vanwege zijn verzet tegen de Romeinen,Deredactie.be, De mythe rond Ambiorix, video van 10 minuten uit 2011 zoals dat beschreven staat in Caesars Commentarii de bello Gallico.
Voorgeschiedenis Toen in 57 v.Chr. Julius Caesar Gallië veroverde vielen zijn troepen ook Belgica binnen. (Het gebied bestreek ongeveer het huidige België en een stuk van Nederland tot aan de Rijn). Belgica werd toen bewoond door verschillende stammen die regelmatig oorlog tegen elkaar voerden. Dit vond in heel Gallië plaats. Diverse archeologische vondsten uit de ijzertijd van zwaar toegetakelde lichamen en indrukwekkend, ijzeren wapentuig bevestigen dit. Het bevestigt de conclusie van Julius Caesar dat Gallische stammen oorlog voerden met elkaar.
De stam der Eburonen werd geregeerd door Ambiorix en de oudere Catuvolcus, die de macht deelden als koning. In 54 v.Chr. moest Caesar zijn troepen dringend opnieuw van bevoorrading voorzien. Hij legde in de nazomer van dat jaar tijdens de landdag in Samarobriva (Amiens) dan ook een bijkomende belasting op aan de aanwezige Gallische koningen. Caesar verplichtte de Gallische bevolking een deel van hun oogst aan zijn leger af te staan. De Romeinen namen vooral graan in beslag.
Zowel Catuvolcus als Ambiorix waren aanwezig op de landdag in Samarobriva van 54 v. Chr. Beide koningen namen de instructies van Caesar mee naar hun bevolking en legden hen deze voor. Omdat de oogst dat jaar te mager was geweest, moeten leden van de stam al van mening zijn geweest dat Caesars eisen buitensporig en onredelijk waren. Aangezien bronnen geen melding maken van een weerstand tegen deze maatregel, kunnen we aannemen dat de stam akkoord ging met Caesars eisen.
De Opstand Volgens Caesar meldden Catuvolcus en Ambiorix zich daarop volgend met de gewenste lading graan "aan de grens van hun rijk", vermoedelijk ergens op de grens van het huidige Zuid-Nederland en Duitsland. Beide koningen wilden zich melden bij Caesars onderbevelhebbers Lucius Aurunculeius Cotta en Quintus Titurius Sabinus. Beide officieren waren mogelijk reeds permanent gelegerd met één legioen en vijf cohorten in de hoogteburcht (oppidum) Atuatuca. Nog voordat Catuvolcus en Ambiorix het graan overdroegen overhandigden boodschappers van de stam van de Treveren een boodschap van de Treveerse koning Indutiomarus aan Catuvolcus en Sabinus. Naar aanleiding van die boodschap onthielden beide koningen zich van hun Romeinse plicht en riepen al hun mannen te wapen tegen de Romeinse bezetter.
Op een dag vielen Ambiorix en enkele van zijn mannen een groepje Romeinen aan die buiten hun kamp te Atuatuca hout waren gaan sprokkelen en moordden het merendeel van hen uit. De overlevende legionairs vluchtten terug naar hun kamp waarna Ambiorix de achtervolging inzette. Beide Romeinse officieren riepen alle Romeinse soldaten "op de wal" ter verdediging van het kamp, en aan een van de uitgangen van het kamp deden Spaanse ruiters een succesvolle uitval tegen de Belgische troepen. De Romeinse overmacht bleek te groot en de Eburoonse strijders trokken zich terug.
Daarop nam de Eburoonse strijdmacht een onderhandelingspositie in en gaf aan met Romeinse officieren te willen praten. Sabinus en Cotta zonden twee Romeinse gezanten: Gaius Arpineius en Quintus Junius. Junius was afkomstig uit Spanje en had volgens Caesar al eerder met Ambiorix gesproken. Ambiorix legde uit dat hij geen problemen had met de Romeinen en Caesar zelfs dankbaar was voor eerherstel van zijn familie en aan hem een kwijtschelding van een belastingplicht bij zijn buurstam Atuatuci te danken had. Ambiorix gaf aan blij te zijn met hun komst omdat zijn stam zo geen last had van andere stammen in de streek. Toen de Romeinse gezant Arpineius hem voorhield dat Ambiorix' mannen enkele Romeinse soldaten hadden omgebracht en hadden gedreigd om ook de rest van de houtsprokkelaars om te brengen, wierp Ambiorix hem tegen dat hij geen macht had over zijn mannen. Volgens de Eburoonse koning opereerden zijn mannen min of meer voor zichzelf en kon hij niet instaan voor hun handelen.
Hij waarschuwde de kampleiders Sabinus en Cotta dan ook dat enkele andere eenheden van zijn stam wel van plan waren om hen aan te vallen en zelfs hulp zouden krijgen van hordes Germaanse stammen die de Rijn inmiddels waren overgestoken. Hij raadde hen aan om naar een ander kamp te trekken om zich bij de Romeinse soldaten die daar gelegerd waren aan te sluiten. Op die manier zouden ze sterker staan. Hij beloofde hen ook dat hij hen bij hun uittocht met rust zou laten. Ambiorix bedoelde naar alle waarschijnlijkheid het kamp van Quintus Tullius Cicero in de Belgische Ardennen, dat hij na de herovering van Atuatuca ook zou belegeren.
thumb|Reliëf met Ambiorix aan de gevel van het Paleis van de Prins-bisschoppen te Luik Sabinus en Cotta vergaderden de hele nacht over wat ze zouden doen. Sabinus vertrouwde Ambiorix en achtte het beter om te vertrekken, terwijl Cotta liever in het kamp bleef en de aanval afwachtte. Ze raakten het maar niet eens en op zeker moment zou Sabinus met zijn vuist op tafel hebben geslagen en besloten hebben dat ze in het kamp zouden blijven, maar dat het niet zijn schuld zou zijn als ze daardoor allemaal de dood zouden vinden.
Toch was niemand in het kamp er gerust op en besloten ze de volgende dag toch te vertrekken. De twee dichtstbijzijnde Romeinse legioenplaatsen lagen enerzijds achter heuvelachtig terrein en anderzijds achter een vlakte langs de vallei van de Jeker. Sabinus en Cotta besloten uit praktische overwegingen de laatste weg te volgen. Terwijl ze de vallei beneden doortrokken vielen Ambiorix en zijn manschappen hen van boven in de heuvels aan en moordden het merendeel van de Romeinse militairen uit. Enkele tientallen Romeinse soldaten ontkwamen en bereikten de hoogteburcht Atuatuca levend. De volgende nacht naderden krijgers van Ambiorix de hoogteburcht en omsingelden deze. De Romeinse soldaten pleegden daarop zelfmoord uit angst voor de Eburoonse overmacht.
Caesars wraak Toen Rome en de Senaat weet kregen van deze nederlaag, zwoer Caesar alle stammen van de Belgae uit te roeien. Het was voor de Romeinen belangrijk om de andere bezette landen van het Romeinse Rijk te tonen dat het almachtige Romeinse leger niet zo makkelijk te verslaan was als het leek. Een enkele stam had een volledig Romeins legioen en 5 cohorten, dat is alles tezamen zo'n 7200 soldaten, verslagen. Ambiorix verenigde terzelfder tijd in 53 v.Chr. alle andere Belgische stammen om zich samen tegen de Romeinen te verzetten. Na zijn overwinning voegde Ambiorix' leger zich bij de Nervische strijdmacht en belegerde Cicero's winterkamp.Caesar, Commentarii de bello Gallico De strijd duurde dagen, maar tegen de negen legioenen van ongeveer 50.000 getrainde soldaten die Caesar naar Belgica stuurde waren de Belgen niet opgewassen. De stammen werden afgeslacht of verdreven en hun akkers platgebrand. De Eburonen werden nagenoeg volledig uitgeroeid. Caesar vermeldt niet eensluidend op welke wijze zijn manschappen de stamleden uitmoordden. Historici vermoeden dat de Romeinse soldaten de Eburonen groepsgewijs bij elkaar dreven, doodstaken en hun lichamen in een rivier wierpen. In 58 v. Chr. had Caesar al een dergelijke methode ingezet tegen de opstand van de Helvetii. De Eburonen zijn later in de geschiedenis terug te vinden als Toxandriërs.
De vlucht van Ambiorix over de Rijn Ambiorix kon zich na Caesars wraakcampagne hoogstwaarschijnlijk met succes aansluiten bij één of meerdere Germaanse stammen. Caesar vermeldt dat hij en zijn manschappen intensief op de Eburoonse Koning gejaagd hebben en dat zij hem enkele keren zeer nauw op de hielen zaten in bosrijke omgeving. Volgens een (Keltische of Germaanse) informant zou Ambiorix gevlucht zijn naar een huis diep in de bossen. Caesar vermeldt niet of zijn manschappen dit huis gevonden hebben. Vervolgens vermeldt Caesar dat Ambiorix samen met enkelen van zijn getrouwen uiteindelijk ontkwam over de Rijn.
Het feitenrelaas van Caesar over de achtervolging van Ambiorix levert een buitengewoon beknopt beeld op. Dat komt vooral omdat Caesar nagenoeg geen details vermeldt van de gehele campagne. Hij vermeldt bijvoorbeeld geen namen van betrokken officieren. Evenmin wordt duidelijk welke tactische voorbereidingen zijn manschappen getroffen hadden om de vangst van Ambiorix tot een succes te kunnen maken.
Historici vermoeden dat de vlucht van Ambiorix verliep via de doorwaadbare plaats in de Maas nabij het huidige Maastricht, waarna deze noordwaarts getrokken moet zijn. Deze route moet zich in bosrijke omgeving hebben bevonden, hetgeen zou kunnen verklaren waarom Caesar vermeldt dat de achtervolging van Ambiorix in bossen plaatsvond. Ambiorix moet zich dan na de oversteek bij Maastricht via de bossen op de Maasterrassen verplaatst hebben in de richting van het huidige Sittard, om daar vervolgens direct naar het oosten af te buigen richting de Rijn. Deze route is grotendeels gelegen op lössbodems en droogvoets te bewandelen. Mogelijk maakte Ambiorix daarbij gebruik van bestaande handelsroutes, die hem snel bij een bestaande oversteekplaats over de Rijn brachten.
Invloed van Ambiorix op opstanden in Germanië De wapenfeiten van Ambiorix na de vlucht over de Rijn zijn onbekend. Historici zien echter veel tactische en strategische overeenkomsten tussen de aanslag van de Eburoonse troepen op het Romeinse legioen bij Atuatuca in het jaar 54 v. Chr. en de aanslag van de Cheruskische prins Arminius op de legioenen van Publius Quinctilius Varus in het jaar 9 na Chr. In beide gevallen betrof het een voorbereide aanval vanuit een hinderlaag op de achterflanken van een militair transport. Tevens betrof het een hinderlaag in een trechtervormig dal zonder ontsnappingsmogelijkheid voor de Romeinen. In beide gevallen werden de Romeinse troepen onder valse voorwendselen van de tegenstander in de hinderlaag gelokt. Ten slotte lagen de motieven van zowel de Eburoonse als Cheruskische opstandelingen in de buitensporige belasting van de Romeinen.
Het is daarmee mogelijk dat Ambiorix of diens officieren de slag nabij Atuatuca hebben besproken met Germaanse legerleiders, waarna elementen daarvan zijn overgenomen in toekomstige slagen tegen de Romeinen.
Feit of fictie? Het is niet zeker of Ambiorix echt bestaan heeft, omdat Julius Caesars "De Bello Gallico" de enige authentieke bron is waarin zijn naam vermeld wordt en alle historici hun documentatie uitsluitend hieruit hebben geput. Dit geldt voor alle informatie over de Gallische oorlogen. Sommige historici hebben gesuggereerd dat Caesar Ambiorix mogelijk verzonnen heeft om de afslachting van zijn troepen in Gallië te kunnen verantwoorden aan Rome. Dat zou dan betekenen dat de aanval op de Romeinen in zulke korte tijd en hevigheid plaatsvond, dat de officieren Sabinus en Cotta geen kans zagen om de commandostructuur van de tegenstander te doorgronden. Dat zou ook betekenen dat de aanval hoogstwaarschijnlijk vanuit een hinderlaag plaatsvond, mogelijk zelfs in een gebied met veel natuurlijke obstakels. Dat laatste zou dan in een bomen- of hagenrijk gebied moeten zijn. Caesar beschrijft een dergelijk terrein wel in zijn boek, echter hij treedt niet in details over de exacte terreingesteldheid. Het benoemen (en dus verzinnen van een leider) heeft in dit geval dan het voordeel dat Caesar dan kan verbergen dat hij en zijn officieren de commandostructuur niet konden doorgronden.