Herodes Antipas (Oudgrieks: Ἡρῴδης Ἀντίπατρος) (geboren voor 20 v.Chr.; overleden na 39 n.Chr.), was in de eerste eeuw tetrarch van Galilea en Perea. Antipas was een zoon van Herodes de Grote. Toen Herodes de Grote stierf in 4 v.Chr., erfde elk van zijn vier zoons een vierde deel van het koninkrijk van hun vader, dat een vazalstaat van het Romeinse Rijk was.

Antipas liet de steden Sepphoris en Betharamphtha bouwen en, belangrijker, zijn hoofdstad Tiberias op de westelijke oever van het Meer van Galilea. Tiberias, genoemd naar keizer Tiberius, werd na de verwoesting van Jeruzalem een centrum van het Rabbijnse jodendom en is een van de heilige plaatsen van het jodendom.

In het Nieuwe Testament speelt Antipas een rol in de gebeurtenissen die leidden tot de terechtstelling van Johannes de Doper en van Jezus van Nazareth.

Levensbeschrijving Antipas was een zoon van Herodes de Grote, koning van Judea, en van Malthake, die uit Samaria kwam.Josephus, Joodse Oudheden 17.20, De Joodse oorlog 1.562. Zijn geboortedatum is onbekend, maar lag in ieder geval voor het jaar 20 voor Christus.Milwitzky 638. Antipas kreeg, samen met zijn broer Archelaüs en zijn halfbroer Herodes Filippus, een opleiding in Rome.Josephus, Joodse Oudheden 17.20–21.

Antipas was niet de eerste keus om Herodes op te volgen. Het was de bedoeling dat Alexander en Aristobulus, beiden zonen van Herodes en de Hasmonese prinses Mariamne, het koninkrijk zouden erven. Toen zij in 7 v.Chr. werden terechtgesteld op (overigens valse) beschuldiging van hoogverraad, was Herodes' oudste zoon Antipater de meest logische opvolger. Kort voor Herodes' dood werd ook hij terechtgesteld, omdat hij een staatsgreep zou voorbereiden. Op zijn sterfbed veranderde Herodes zijn testament in 4 v.Chr. voor de laatste maal.

Antipas' broer Herodus Archelaüs zou nu koning worden van Judea, Idumea en Samaria, terwijl Antipas Galilea en Perea kreeg met de lagere titel tetrarch ("viervorst"). De tetrarch Filippus kreeg de Golanhoogte, Batanea (zuidelijk Syrië), Trachonitis en Auranitis (Hauran).Joodse Oudheden 17.188–189, De Joodse oorlog 1.664. Deze tetrarch wordt vaak verward met Herodes Filippus, de onterfde in Rome wonende eerste echtgenoot van Herodias.

Judea was een vazalstaat van het Romeinse rijk. Daarom moest keizer Augustus met de gemaakte plannen instemmen. Hiervoor reisden de drie erfgenamen naar Rome. Antipas betoogde dat hij het hele koninkrijk diende te erven. De anderen hielden vol dat Herodes' laatste wil uitgevoerd moest worden. Keizer Augustus bevestigde grotendeels het testament van Herodes, alleen kreeg Archelaüs de titel ethnarch in plaats van koning.Josephus, De Joodse oorlog 17.224–249,; Joodse oudheden, 299–323. Een ethnarch had een lager aanzien dan vazalkoningen die de titel 'koning' mochten dragen, maar hoger dan vazalkoningen met de titel 'tetrarch'.

thumb|De verdeling van het koninkrijk van Herodes: Groen Herodes Archelaüs, paars Herodes Antipas; rood Filippus de tetrarch. In het zilverkleurige gebied regeerde tot 10 een zuster van Herodes, daarna werd dit gebied bij Judea gevoegd. thumb|Israel/Palestina in de eerste eeuw

Regering tot het jaar 29 Keizer Augustus verving Herodus Archelaüs, die niet geschikt was voor zijn functie, in het jaar 6 door een prefect. Antipas daarentegen zou 42 jaar aan de macht blijven in Galilea en Perea.Bruce 8. Galilea en Perea werden van elkaar gescheiden door de regio Dekapolis die zuidelijk van Galilea en noordelijk van Perea ligt. De tien steden die deel uitmaakten van Dekapolis hadden grote autonomie. Terwijl Antipas in Rome zijn zaak bepleitte voor keizer Augustus, hadden opstandelingen het paleis te Sepphoris, destijds de hoofdstad van Galilea, aangevallen, onder aanvoering van Judas de Galileeër, zoon van Ezechias. Zij terroriseerden vervolgens de regio met buitgemaakt geld en wapentuig.Josephus, Joodse Oudheden 17.271–272, De Joodse oorlog. Dit zou de Judas van Galilea kunnen zijn die het verzet leidde tegen de inschrijving door Quirinius (Schürer 381). Als vergeldingsmaatregel werd Sepphoris op bevel van de Romeinse gouverneur van Syria, Publius Sulpicius Quirinius, in de as gelegd en werden de inwoners als slaaf verkocht.Josephus, Joodse Oudheden 17.288–289, De Joodse oorlog 2.68. Perea grensde aan het koninkrijk Nabatea, dat al lange tijd met zowel de Joden als met de Romeinen een ongemakkelijke verhouding had. Antipas trad als bouwer in zijn vaders voetstappen. Hij herbouwde en versterkte Sepphoris, en bouwde een muur voor Betharamphtha in Perea.Josephus, Joodse Oudheden 18.27, De Joodse oorlog 2.168. Deze stad werd Livia genoemd, naar Livia Drusilla II, de vrouw van keizer Augustus, die na de dood van haar man in 14 n.Chr. Julia Augusta werd genoemd. Deze stad heette later Livias Julias, naar Livilla (Julia Livia de oudere), een kleindochter van Livia.Bruce 9; Schürer 342. Het opmerkelijkste bouwwerk was echter zijn hoofdstad aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, Tiberias, genoemd naar zijn superieur Tiberius die in het jaar 14 Augustus als keizer was opgevolgd.Josephus, Joodse Oudheden, 18.36. De bewoners konden vlakbij baden in de warme bronnen van Emmaüs. Toen de Joodse oorlog uitbrak, had de stad onder meer een stadion, een koninklijk paleis en een heiligdom om te bidden.Schürer 342–343. De stad geeft het Meer van Tiberias haar naam en werd later een centrum van het Rabbijnse jodendom. Aanvankelijk weigerden vrome Joden om er te gaan wonen, omdat de stad op een begraafplaats was gebouwd en daardoor een bron was van onreinheid. Daarom liet Antipas er een mengelmoes van buitenlanders, gedwongen migranten, arme mensen en vrijgelaten slaven wonen.Josephus, Joodse Oudheden 18.37–38.

thumb|Munt geslagen door Herodes Antipas, zonder diens beeltenis Er waren ook tijden dat Antipas wel gevoelig bleek voor de Joodse traditie. Zijn munten dragen geen beeltenis, dat zou een schending zijn geweest van de Joodse voorschriften tegen afgoderij.Schürer 343 and n. 16. Toen Pontius Pilatus, prefect van Judea van 26 tot 36, aanstoot gaf door gouden schilden ter ere van de keizer in het koninklijk paleis van Jeruzalem te plaatsen, pleitten Antipas en zijn broers met succes voor de verwijdering daarvan.Philo, On the Embassy to Gaius 299–305.

Echtscheiding Antipas was getrouwd met Phasaelis, de dochter van koning Aretas IV van Nabatea. Toen hij tijdens een bezoek aan Rome bij zijn halfbroer Herodes Filippus logeerde, werd hij verliefd op diens vrouw, Herodias. Zij was een kleindochter van Herodes de Grote en Mariamne I. Antipas en Herodias kwamen overeen te trouwen, zodra ook Herodes Antipas gescheiden zou zijn.Josephus, Joodse Oudheden 18.109–110 Evangelie volgens Marcus 6:17 Deze onderhandelingen vroegen veel tijd, waardoor Phasaelis de plannen doorzag en haar eigen voorbereidingen kon treffen. Ze vroeg toestemming om naar de burcht Machaerus, aan de grens, te reizen, waarvandaan Nabatese soldaten haar naar haar vader brachten. De verstandhouding tussen Antipas en Aretas bekoelde en er werden voorbereidingen getroffen voor een oorlog.Josephus, Joodse Oudheden 18.111–113. Volgens sommigen werd het huwelijk tussen Antipas en Herodias voltrokken in 34, na de dood van Filippus de tetrarch,Kokkinos, The Herodian Dynasty, pp. 268, 277. maar volgens de bronnen uit de eerste eeuw - Josefus en de Bijbel – vond dit huwelijk plaats voor de dood van Filippus de tetrarch, waarschijnlijk al in 27.Stewart Perowne, The Later Herods p. 49, (Bruce 10 n. 16; Schürer 344 and n. 19)

Neergang In het jaar 36 ontwikkelde het conflict met Aretas IV van Nabatea, dat veroorzaakt werd door de scheiding van Antipas en een grensgeschil, zich tot een openlijke oorlog. Het leger van Antipas werd verpletterend verslagen nadat vluchtelingen uit de vroegere tetrarchie van Filippus (tetrarch) de kant kozen van de Nabateeërs, zodat Antipas een beroep moest doen op keizer Tiberius. De keizer gaf Lucius Vitellius, de gouverneur van Syrië, opdracht om op te trekken tegen Aretas en die gevangen te nemen of te doden.Josephus, Joodse Oudheden 18.113–115; Schürer 350. Vitellius mobiliseerde gehoorzaam twee Romeinse legioenen en zond ze langs een omweg door Judea, terwijl hijzelf met Antipas een feest in Jeruzalem bezocht. Daar vernam hij dat keizer Tiberius was gestorven (16 maart 37). Hij trok de conclusie dat hij niet het gezag had om een oorlog te beginnen en riep zijn troepen terug.Josephus, Joodse Oudheden 18.120–126; Schürer 350.

Josephus schreef met zoveel woorden dat Vitellius vanwege een oude grief niet wilde samenwerken met Antipas. Volgens Josefus was Antipas een keer gastheer geweest bij een vredesconferentie op een brug over de Eufraat tussen Vitellius en koning Artabanus II van Parthië. Andere bronnen plaatsen die conferentie echter later, tijdens de regering van Caligula, de opvolger van Tiberius.Suetonius, Caligula 14.3; Dio 59.27.2–3. Sommige historici denken dat Josefus de datum niet goed heeft of twee conferenties met elkaar verwart.Bruce 18–19; Schürer 350–351.

Ballingschap en overlijden Antipas werd ten val gebracht door zijn neef Agrippa I, een broer van Herodias en oomzegger van Antipas. Agrippa groeide op in Rome waar hij veel schulden had gemaakt. Herodias haalde hem over om een beroep te doen op Antipas en keerde naar Judea terug, maar al vlug kregen de twee ruzie. Agrippa keerde terug naar Rome. Agrippa werd gevangengezet, omdat hij tegen zijn vriend Caligula, zijn verlangen uitte, naar een snel overlijden van Tiberius, zodat Caligula keizer zou worden. Toen Caligula keizer werd in 37, liet hij zijn vriend vrij en schonk hem, de vroegere tetrarchie van Filippus de Tetrarch en de titel koning.Josephus, Joodse Oudheden 18.143–239, Joodse Oorlog 2.178–181; Bruce 19–20. Josefus vertelt dat Herodias, jaloers op het succes van Agrippa, Antipas overhaalde om Caligula te vragen, dat hij zich ook koning mocht gaan noemen. Daarop diende Agrippa een lijst met aanklachten tegen de tetrarch in; hij werd er van beschuldigd samengezworen te hebben met Sejanus (terechtgesteld in het jaar 31) en vormde nu een complot tegen Caligula samen met Artabanus. Als bewijs merkte Agrippa op dat Antipas een reservevoorraad wapens had, waarmee hij 70.000 man kon uitrusten. Omdat Antipas dit laatste toegaf, besloot Caligula dat ook de beschuldiging van samenzwering terecht was. In de zomer van het jaar 39 werden het geld en het grondgebied aan Agrippa toebedeeld, en werd Antipas in ballingschap gestuurd.Josephus, Joodse Oudheden 18.240–252, De Joodse Oorlog 2.181–183. Zie voor de datum Schürer 352–353 n. 42. De plaats waar Antipas naar verbannen werd wordt door Josefus in Joodse Oudheden "Lugdunum" in Gallië genoemd.Josephus, Joodse Oudheden 18.252. Dit kan de stad Lugdunum zijn, die we nu kennen als Lyon,Bruce 21. of het minder belangrijke Lugdunum Convenarum, het moderne Saint-Bertrand-de-Comminges.Schürer 352 n. 41, stelt vast dat de overgedragen tekst van De Joodse Oorlog zegt dat Antipas naar Spanje werd verbannen en dat, Lugdunum Convenarum op de Frans-Spaanse grens lag. Caligula bood Herodias aan, om als zuster van Agrippa, haar eigendommen te behouden. Ze koos er echter voor bij haar echtgenoot te blijven in zijn verbanningsoord.Josephus, Joodse Oudheden 18.253–255. Antipas stierf in ballingschap.Josephus, De Joodse Oorlog 2.183. De derde-eeuwse historicus Cassius Dio lijkt te veronderstellen dat Caligula hem heeft laten vermoorden, maar moderne historici zijn daar sceptisch over.Dio 59.8.2; Milwitzky 639. Schürer calls Dio's statement "confused" (353), while Bruce simply remarks that "in exile Antipas and Herodias together disappear from history" (21).

Antipas in het Nieuwe Testament De executie van Johannes de Doper