miniatuur|Standbeeld van een Romeinse Vestalin. miniatuur|Standbeeld van een Romeinse Vestalin in het atrium van het huis van de Vestalinnen. De Vestalinnen of Vestaalse maagden (Latijn: virgo Vestalis "Vestaalse maagd"; oorspronkelijke titel: sacerdos Vestalis "Vestaalse priesteres") waren Romeinse priesteressen van de godin Vesta.
Het college van Vestalinnen bestond uit zes (in de late oudheid zeven) priesteressen, die tussen hun zesde en tiende jaar voor minimaal dertig jaar werden aangesteld. Hun hoofdopdracht was het onderhoud van het haardvuur in de tempel van Vesta, dat nooit mocht uitdoven, alsook het halen van water uit de heilige bron van de nimf Egeria, dat voor de reiniging van de tempel werd gebruikt. Daarnaast maakten ze de mola salsa. Dat was een mengsel van water en spelt- of emmertarwemeel, waaraan op de Iden van september zout werd toegevoegd. Het werd geofferd tijdens de Lupercalia, de Vestalia en op de Iden van september Servius, Commentarius in Vergilii eclogas VIII 82. Tevens maakten ze het suffimen, as van ongeboren kalveren, dat gebruikt werd voor cultushandelingen tijdens de Fordicidia.Ovidius, Fasti IV 629-640, 731-734.
In het kader van de cultus vielen de Vestalinnen onder het collegium van de pontifices en in het bijzonder onder de pontifex maximus als hun disciplinaire overste. Hun persoonlijke sociale status leek in veel opzichten op die van een Romeinse vrije man, maar ze genoten ook talrijke privileges.
Tijdens hun diensttijd waren de Vestalinnen tot kuisheid verplicht. Het verlies van de maagdelijkheid van een Vestalin gold als onheilspellend voorteken voor het Romeinse gemenebest. Een onkuise Vestalin werd uit het priesterschap ontzet en kon dan levend begraven worden.
Geschiedenis van het priesterschap De omstandigheden die tot het ontstaan van het college van de Vestalinnen had geleid, waren reeds in de oudheid voorwerp van speculaties en konden ook door de moderne geschiedeniswetenschap niet definitief worden opgehelderd. Sommige onderzoekers suggereerden dat de Vestalinnen oorspronkelijk voor mensenoffers gereedgehouden maagden waren of dat ze in de republikeinse tijd de cultische plichten overnamen, die tevoren door de dochter van de koning waren uitgeoefend (vgl. rex sacrorum). Deze hypothesen worden vandaag echter als ongefundeerde speculaties afgedaan.
Volgens de Romeinse sage bestond de cultus van Vesta reeds voor de stichting van Rome in Lavinium en werd ze vandaar naar Alba Longa en zo naar Rome overgebracht. In ieder geval bestond er in Alba Longa reeds een gemeenschap van Vestalinnen voor de tijd van de Romeinse koningen; deze gemeenschap is nog in de late 4e eeuw n.Chr. geattesteerd. In Tibur (Tivoli) zijn Vestalinnen pas in de keizertijd door inscripties geattesteerd. Omdat er geen gelijkaardige cultussen buiten de regio Latium bekend zijn, wordt ervan uitgegaan dat het priesterschap van de Vestalinnen in Latium is ontstaan. miniatuur|Vooraanzicht van de ruïne van de tempel van Vesta (Forum Romanum). De cultische opdrachten van de Vestalinnen waren volgens de sage door koning Numa Pompilius vastgelegd. De vijfde koning van Rome, Lucius Tarquinius Priscus, zou later het tuchtrecht van de pontifex maximus hebben ingevoerd, terwijl de vastlegging van het aantal op zes priesteressen aan zijn opvolger Servius Tullius wordt toegeschreven; voorheen zouden het er vier zijn geweest. De gegevens in de bronnen wijken deels af van elkander en zijn in het historisch onderzoek omstreden, maar moeten niet helemaal als ongeloofwaardig worden beschouwd. In elk geval gaat de inrichting van de cultus terug tot de koningstijd.
De organisatie van de gemeenschap en cultische opgaven van de Vestalinnen bleven van de 3e eeuw v.Chr. (de tijd van de oudste betrouwbare bronnen) tot in de late oudheid grotendeels onveranderd. Voor de late oudheid is een verhoging van het aantal van de Vestalinnen op zeven met zekerheid vastgesteld.
Weliswaar kregen de Vestalinnen in 370 n.Chr. nog een keizerlijke bevestiging van hun privileges, maar in de tweede helft van de 4e eeuw n.Chr. bestaat een tendens om hen op te heffen. Er is een geval bekend van een Vestalin die zich tot het christendom bekeerde. Bij zijn streven om van het christendom de enige religie van het Romeinse Rijk te maken, ontbond keizer Theodosius I in 391 n.Chr. officieel het priesterschap van de Vestalinnen.Voor Vestalinnen in de 4e eeuw, zie: De laatste Virgo Vestalis maxima was Coelia Concordia, die in 394 uit haar ambt trad en zich tot het christendom bekeerde.
Toelatingscriteria, benoeming en sociale status van de Vestalinnen
Toelatingscriteria Bij de dood of het uittreden van een Vestalin werd door de pontifex maximus een opvolgster aangesteld. Details hierover gaan hoofdzakelijk op een beschrijving van Aulus Gellius uit de 2e eeuw n.Chr. terug,Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12. die uit inmiddels verloren gegane geschriften van de juristen Marcus Antistius Labeo (-ca. 10 n.Chr.) en Gaius Ateius Capito (-22 n.Chr.) citeert: Het meisje mocht niet jonger dan zes en niet ouder dan tien jaar oud zijn. Ze mocht geen spraak- en lichamelijk gebrek hebben. Beide ouders moesten nog leven. Noch zijzelf noch haar vader mochten vrijgelaten slaven zijn (emancipatio), zelfs wanneer ze dan onder de patria potestas van haar grootvader verbleef.Bij de emancipatio van haar vader was ze juridisch automatisch een weeskind geworden. Commentaar bij de Aulus Gellius-uitgave ed. P. Marshall, Oxford, 1968, I 12.4. Geen een van haar ouders mocht slaaf zijn geweest of zijn levensonderhoud met negotia sordida ("smerige handelszaken", met handwerk of kleinhandel) verdienen. Gellius geeft echter ook redenen ter verontschuldiging op, die werden aanvaard om een roeping als Vestalin te weigeren: Een zuster is reeds Vestalin. Haar vader had reeds een cultische functie in Rome. Haar vader had zijn woonplaats/domicilie buiten Italië. Haar vader had drie kinderen. Vermoedelijk speelden hier respectievelijk als redenen mee de last maar ook het politieke belang van huwbare dochters (zuster is reeds Vestalin, vader had drie kinderen) en religieuze bezwaren of taboes (vader had reeds een cultische functie in Rome, vader had zijn woonplaats/domicilie buiten Italië)., Rome's Vestal Virgins. A study of Rome's Vestal priestesses in the late Republic and early Empire, Londen, 2006, pp. 44-46.
Benoemingsceremonie van een Vestalin Over de benoemingsprocedure zelf is weinig bekend. Gellius vermeldt over dit thema enkel een oude wet van onbestemde datum te hebben gevonden die hierover informatie geeft.Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.10. Volgens die wet selecteerde de pontifex maximus uit het volk eerst 20 geschikte kandidates. In Gellius’ tijd werd deze procedure echter niet meer gebruikt, maar was het nu gebruikelijk, dat leden van de bovenlaag van de bevolking de pontifex maximus hun dochter voor het priesterambt aanboden. In de keizertijd had men soms moeite om een nieuwe Vestalin aan te stellen, omdat zich nu weinig families bereid verklaarden een dochter voor dit ambt af te staan.Suetonius, Divus Augustus 31.3. Vgl. Cassius Dio, LV 22.5. Daarom zou Augustus hebben toegestaan dat ook dochters van vrijgelatenen Vestalin konden worden, waarop er opnieuw werd gestreden om de eer van een dochter Vestalin te zien worden.Cassius Dio, LV 22.5. Zie ook: (com.), The Augustan Succession: An Historical Commentary on Cassius Dio's Roman History Books 55-56 (9 B.C.-A.D. 14), Oxford - New York, 2006, p. 157 (noot 155).
De benoeming werd door de pontifex maximus uitgevoerd, waarbij hij de kandidate de hand oplegde, ze door die benoemingsformule in de dienst van Vesta opnam en ze naar het atrium Vestae, de woon- en werkplaats van de Vestalinnen, wegvoerde. Gellius overleverde volgende benoeming: Als Vestaalse priesteres, die de eredienst zal onderhouden, die zal weten wat als Vestaalse priesteres te doen voor het Romeinse volk en de Quiriten, grijp/neem ik jou, Amata/geliefde. (Sacerdotem Vestalem, quae sacra faciat, quae ius sciet sacerdotem Vestalem facere pro populo Romano Quiritibus, uti quae optima lege fuit, ita te, amata capio).Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.14. miniatuur|De overblijfselen van het Atrium Vestae (gezien vanop de Palatijn). Die betekenis van de eigenlijke benoeming door het begrip capere, "grijpen", "vastgrijpen" respectievelijk "iemand als krijgsgevangene vastgrijpen" alsook de aanspreking van de Vestalin als amata werden reeds in de oudheid bediscussieerd, daar haar betekenis niet meer onmiddellijk duidelijk was. Volgens Gellius sprak men van capere, omdat de Vestalin van haar vader als een krijgsgevangene werd weggevoerd.Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.13. Anderzijds wordt dit begrip ook bij de benoeming van de pontifices, augures en de flamen Dialis gebruikt, bij dewelke geen analogie met een gevangenname te herkennen is.Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.15. Mogelijkerwijze had capere in deze context oorspronkelijk de betekenis "iemand voorbestemmen voor een ambt, zonder dat die zich tegen dit besluit kan verzetten". Deze vraag heeft tot nu toe nog geen plausibel antwoord gekregen.
Eveneens onduidelijk is de cultusnaam Amata, waarmee de kandidate wordt aangesproken. Gellius geeft als reden hiervoor op dat dit de naam van de eerste Vestalin zou zijn geweest, maar geeft daarvoor geen bewijs op.Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.19. In feite is dit in tegenspraak met andere overleveren, daar bijvoorbeeld Plutarchus Getania en Verenia als namen van de eerste Vestalinnen opgeeft.Plutarchus, Numa 10.1. Enkele onderzoekers vermoeden een verband met Amata, de moeder van Lavinia, anderen dachten aan een afleiding van de grondbetekenis van het Latijnse woord amata als "geliefde" (in dit geval: geliefde van de goden) of aan het Griekse ádmetos of adámatos ("maagdelijk"). De naam Amata werd slechts in de benoemingsformule gebruikt en speelde ogenschijnlijk geen rol in de cultus.
Sociale status van de Vestalin Door de roeping tot Vestalin trad het meisje uit de patria potestas van haar vader of grootvader en kreeg volledige juridische zelfstandigheid. De in het oudere onderzoek somtijds geuite aanname, dat ze onder de patria potestas van de pontifex maximus als een symbolische vader of echtgenoot stond, is als onjuist aangetoond.
Hierdoor bezat de Vestalin onbeperkte zeggenschap over haar vermogen, waardoor ze aldus een buitengewone status had, daar andere vrouwen in het oude Rome tot minstens in de vroege keizertijd (principaat) steeds de toestemming van hun mannelijke tutor (voogd) nodig hadden, om rechtsgeldige transacties te kunnen afsluiten.
Met het uittreden uit het familieverband had de Vestalin vanuit een juridisch standpunt geen verwanten meer. Volgens Marcus Antistius LabeoGeciteerd bij Aulus Gellius, Noctes Atticae I 12.18. kwam ze niet meer in aanmerking voor de natuurlijke erfenis en kon ze bezit enkel op basis van testamentaire beschikkingen erven of vermaken. Daardoor viel haar bezit, indien ze geen testament naliet, na haar dood toe aan de staat. De wettelijke basis voor deze toestand was echter reeds in de tijd van Labeo niet meer zeker geweten. miniatuur|Overblijfselen van de tempel van Vesta.