Het Evangelie volgens Johannes (vaak kortweg Johannes genoemd) is een van de vier evangeliën in het Nieuwe Testament. Het onderwerp van het evangelie is het leven van Jezus. Het werd door een onbekende auteur (of auteurs) geschreven in het Koinè-Grieks.

Omdat dit evangelie in de canon van het Nieuwe Testament volgt op drie andere (eveneens anonieme) evangeliën, wordt het geschrift al eeuwenlang het Vierde Evangelie genoemd, een term die soms ook wordt gehanteerd door historici.

Auteur(s)

Traditioneel wordt dit evangelie toegeschreven aan de apostel Johannes, maar dit wordt door hedendaagse wetenschappers verworpen. Het evangelie is anoniem; de auteur noemt zijn naam niet in de tekst. Oorspronkelijk had dit geschrift ook geen naam; de titel "Evangelie volgens Johannes" is er pas later aan gegeven toen men aannam dat het was geschreven door de apostel Johannes. Omdat hierdoor gewoonlijk naar de auteur werd verwezen als "Johannes", werd de aanduiding "Johannes de Evangelist" geïntroduceerd om een onderscheid met de apostel te maken als het om de auteur ging.

Vanaf de 2e eeuw tot heden hebben tal van kerkvaders en wetenschappers trachten te achterhalen wie de auteur kan zijn geweest van dit evangelie en de andere werken die aan de apostel Johannes werden toegeschreven, het zogeheten Johanneïsch vraagstuk. Irenaeus, bisschop van Lyon vanaf het jaar 177, schrijft dat Johannes het boek op hoge leeftijd te Efeze heeft (uit)gegeven. Irenaeus noemt als bron Polycarpus van Smyrna die rond 155 op 85-jarige leeftijd stierf en zelf Johannes nog gekend had. De Canon Muratori gaat er in het jaar 170 van uit dat Johannes de apostel het evangelie door anderen liet schrijven en autoriseerde.

Onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft aangetoond dat de theorie dat het Evangelie volgens Johannes door een enkel persoon zou zijn geschreven niet houdbaar is. Waarschijnlijk is het – net als de synoptische evangeliën – ontstaan door het samenvoegen van perikopen en een redactioneel proces. De wetenschappelijke consensus is dat de auteur van de uiteindelijke redactionele versie van het Evangelie volgens Johannes waarschijnlijk deel uitmaakte van een – geconstrueerde of echte – groep die bekend staat als de "Johanneïsche gemeente" of "Johanneïsche gemeenschap", of ook wel "Johanneïsche school" of "Johanneïsche kring" wordt genoemd.

Datering thumb|Rylands papyrus; ca 125 na Chr thumb|papyrus Bodmer II, ca 200 Omdat van de traditionele auteur, de apostel Johannes, al in de tijd van Papias werd aangenomen dat hij tegen het eind van zijn leven in Efeze woonde (een belangrijk centrum van het christelijk geloof na de val van Jeruzalem in 70 n. Chr.), nam men veelal aan dat het evangelie in die stad geschreven werd.

Het Johannesevangelie wordt vrij laat gedateerd. F.C. Baur suggereerde het jaartal 160. In 1934 publiceerde C.H. Roberts een stukje papyrus (P52 = Papyrus Ryl. Gr. 457) dat enkele verzen uit hoofdstuk 18 van het Evangelie volgens Johannes bevat. Hij dateerde op grond van het lettertype, dat erg lijkt op de regeringsstukken van Hadrianus (keizer van 117-138), als uit de eerste helft van de tweede eeuw. Hoewel sommige experts in de paleografie bezwaar maakten en meenden dat het manuscript niet zo nauwkeurig kan worden gedateerd, wordt algemeen erkend dat dit de oudste tekst is met een deel van het Nieuwe Testament.

De Bodmer II papyrus bevat de eerste 14 hoofdstukken van dit evangelie, en dateert van rond 200. Daarnaast zijn er vele papyri en grote codices als getuigen van de tekst.

Hoewel er diverse speculaties zijn over het tijdstip van ontstaan, wordt er dikwijls van uitgegaan dat het Evangelie volgens Johannes rond 90-110 zijn vorm heeft gekregen. Dit is waarschijnlijk later dan de andere drie evangeliën. Mogelijk heeft de schrijver kennis gehad van de geschriften van Matteüs, Marcus en Lucas en veronderstelt hij de inhoud van deze Evangeliën ook bekend bij zijn lezers, maar ook hierover kan enkel gespeculeerd worden.

Kenmerken Het boek is voornamelijk aan niet-Joodse christenen gericht. Dat is onder andere te merken aan de vele parenthesen (uitleggingen direct na een bepaald woord, zie bijvoorbeeld 1:39, 1:42, 1:43 en 9:7). Een typisch stijlkenmerk van het Evangelie volgens Johannes is het gebruik van ironie, zoals wanneer het volk de keuze krijgt tussen Barabbas en Jezus (de eerste naam betekent letterlijk Zoon van Vader, de andere is volgens christenen de Zoon van God).

In het Johannesevangelie komt een aantal "Ik ben"-uitspraken van Jezus voor. Bijvoorbeeld: "ik ben het brood", "ik ben het licht der wereld", "ik ben de deur" en "ik ben de goede herder". Een aantal maal bevatten deze uitspraken geen predicaat en zegt Jezus simpelweg: "Ik ben". Dit is een verwijzing naar de manier waarop in het Oude Testament soms over God gesproken wordt, een verwijzing die door de toehoorders herkend wordt en soms tot grote verontwaardiging leidt (8:58,59).

Het Johannesevangelie is naar binnen gericht. Het bevat geen verwijzing naar de wereldse geschiedenis of aandacht voor maatschappelijke kwesties, zoals we die vinden bij met name Lucas. Het gebod van Matteüs om je vijanden lief te hebben is bij Johannes vervangen door het gebod elkaar lief te hebben (13:34, 15:12). Het evangelie benadrukt hoe Jezus en zijn boodschap zowel door "de Joden" als door de wereld verworpen wordt en dat wie Jezus volgt uit de synagoge gezet zal worden (9:22) en gehaat zal worden door de wereld (15:18-27).

Jezus wordt in het Johannesevangelie vaak verkeerd begrepen wanneer hij metaforen en beeldspraak gebruikt. Als hij met Nikodemus over de wedergeboorte spreekt, denkt Nikodemus dat hij dit letterlijk bedoelt (3:3-5). Als hij de Samaritaanse vrouw vertelt dat hij haar "levend water" kan geven, vraagt zij zich af hoe Jezus dat zou kunnen terwijl hij niet eens een emmer heeft (4:10-12). Het omgekeerde gebeurt ook: als Lazarus gestorven is zegt Jezus tegen Lazarus' zuster Marta: "Je broer zal uit de dood opstaan". Marta reageert daarop door te zeggen dat haar broer inderdaad zal opstaan, namelijk bij de opstanding op de jongste dag (11:24), terwijl Jezus het directer bedoelde (11:43,44).

In het evangelie van Johannes komt evenals in het evangelie met Matteüs de confrontatie met de Joodse leiders naar voren. Waar de andere evangeliën, ook dat van Matteüs, hun kritiek meestal beperken tot de Judeese religieuze leiders (farizeeën, schriftgeleerden, priesters, enzovoort), heeft Johannes het regelmatig over "de Judeërs" (bijvoorbeeld 5:16, 7:1, 20:19), en vrijwel altijd wordt deze aanduiding in negatieve zin gebezigd.

Het Johannesevangelie en de synoptische evangeliën De evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas worden de synoptische evangeliën genoemd. Deze drie evangeliën hebben een groot aantal passages gemeen en vaak zijn die passages zelfs woordelijk hetzelfde. Het is daarom waarschijnlijk dat deze drie boeken in relatie tot elkaar staan: ze zijn gedeeltelijk op elkaar gebaseerd of de auteurs hebben gebruikgemaakt van hetzelfde bronnenmateriaal. De vraag naar de relatie tussen de drie synoptische evangeliën wordt het synoptische vraagstuk genoemd.

Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen het Johannesevangelie en de synoptische evangeliën. Er zijn echter ook overeenkomsten en op enkele plaatsen bevat het Johannesevangelie passages die ook in een of meer van de synoptische evangeliën voorkomen. De vraag of het Johannesevangelie helemaal los van de andere drie evangeliën gezien moet worden of dat de auteur toch een of meer van de andere evangeliën kende, of misschien gebruikgemaakt heeft van dezelfde bronnen als de auteurs van de andere evangeliën, is nog steeds onderwerp van onderzoek en debat.

Tot in de twintigste eeuw werd vaak aangenomen dat de auteur van het Johannesevangelie in ieder geval het evangelie van Marcus kende, en misschien ook de andere twee. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw neemt men veelal aan dat de auteur van het Johannesevangelie geen van de synoptische evangeliën kende, maar wel gebruik heeft gemaakt van tradities en overleveringen die ook bij de synoptici bekend waren; dit zou dan de overeenkomsten verklaren.

Overeenkomsten Net als de andere drie evangeliën in het Nieuwe Testament is het Johannesevangelie een soort biografie van Jezus. De nadruk ligt op zijn handelingen en uitspraken, en op zijn lijden en sterven. Net als de andere evangeliën is het geschreven in het Koinè-Grieks en wordt er geen auteur vermeld. Het laatste hoofdstuk van het Johannesevangelie is, net als het laatste hoofdstuk van het Marcusevangelie (Marcus 16), vrijwel zeker een latere toevoeging.

Het Johannesevangelie bevat een tiental passages die in dezelfde volgorde staan als de overeenkomstige passages in het Marcusevangelie. Verder zijn er verschillende korte passages waarin er een sterke gelijkenis bestaat tussen de woordkeuze en formulering in het Johannesevangelie en dat van Marcus (bijvoorbeeld Joh. 1:26-34 en Marcus 1:7-11).Een ander voorbeeld zijn Marcus 14:3-9 en Johannes 12:1-8. Het Griekse woord "pistikos" ("zuiver") komt buiten deze twee passages nergens in het Nieuwe Testament voor.

Verschillen Bij Matteüs, Marcus en Lucas is het optreden van Jezus geografisch in twee delen verdeeld. Het eerste deel vindt plaats in Galilea, het tweede deel in Jeruzalem. Het moment dat Jezus zijn optreden van Galilea naar Jeruzalem verplaatst vormt een keerpunt, en de reis van Galilea naar Jeruzalem heeft (vooral bij Lucas, die hier zo'n tien hoofdstukken aan besteedt) een symbolisch belang. Deze geografische indeling vinden we niet bij Johannes terug. Bij Johannes speelt het optreden van Jezus (dat hier ook langer duurt dan bij de andere evangeliën, namelijk twee of drie jaar) zich wisselend in Galilea en Jeruzalem af. Veel woorden en uitdrukkingen die in de andere evangeliën vaak voorkomen ontbreken bij Johannes.Bijvoorbeeld de aanduiding "koninkrijk", die in de andere evangeliën gebruikt wordt in de context van "Gods koninkrijk". Een ander voorbeeld is de Griekse term dunamis ("macht", of "kracht"). Andersom gebruikt Johannes een aantal uitdrukkingen die in de andere evangeliën niet of nauwelijks voorkomen.Bijvoorbeeld "de Joden" en "liefde". In het algemeen is het vocabulaire bij Johannes beperkt: hij gebruikt zo'n 1.000 verschillende woorden (Marcus zo'n 1.350, Lucas 2.000). Het Johannesevangelie bevat geen echte gelijkenissen zoals die bij de synoptici te vinden zijn en ook geen verhalen over bezetenheid of het uitdrijven van geesten. Het aantal wonderen dat Jezus bij Johannes doet is beperkt (zeven stuks, inclusief die in hoofdstuk 21), maar ze zijn wel opvallender (spectaculairder) dan de wonderen uit de andere evangeliën. Het Laatste Avondmaal beslaat bij Johannes vijf hoofdstukken (13 t/m 17). Toch wordt hier nergens melding gemaakt van de instelling van het bijbehorende sacrament zoals dat bij de andere evangeliën te vinden is. Bij Johannes spreekt Jezus vaak over wie hij is, iets wat bij de synoptici nauwelijks gebeurt. Het bevat een aantal "Ik ben"-uitspraken van Jezus en het is ook het enige canonieke evangelie waarin Jezus zichzelf als gelijk of gelijkwaardig aan God voorstelt. De geheimzinnigheid die bij de synoptische evangeliën rond Jezus' identiteit hangt (vooral bij Marcus, waar sprake is van wat het "Messiaans geheim" wordt genoemd) ontbreekt bij Johannes volledig. Een aantal markante passages uit de synoptische evangeliën ontbreekt bij Johannes. Voorbeelden zijn: verhalen over de geboorte van Jezus, de verzoeking in de woestijn, de transfiguratie en de instelling van het Avondmaal. En omgekeerd bevat het Johannesevangelie een aantal passages die in de andere evangeliën ontbreken, waaronder het verhaal over Jezus die water in wijn verandert op een bruiloft (2:1-11) en dat over de opwekking van Lazarus.