miniatuur|Het Comité van Vijf presenteert de tekst van de Onafhankelijkheidsverklaring aan het Congres op 28 juni 1776. Schilderij van John Trumbull, 1819. De Amerikaanse Revolutie is de periode die, ruwweg tussen 1765 en 1791, de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika inleidde. De Revolutie begon met politieke veranderingen in de dertien Britse koloniën van Noord-Amerika en toenemend verzet tegen de Britse machthebber, wat uitmondde in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) tussen de opstandige koloniën en moederland Groot-Brittannië. De oorlog resulteerde in de Amerikaanse onafhankelijkheid van de Britse Kroon (uitgeroepen in juli 1776) en de oprichting van 's werelds eerste constitutionele democratie, een gebeurtenis die wereldwijd denkers en revolutionairen inspireerde.

Het verzet tegen de Britse machthebber in de Noord-Amerikaanse koloniën kwam voort uit onvrede over belastingen die de Britten doorvoerden om de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) te bekostigen, zonder daar inspraak in het bestuur tegenover te stellen: no taxation without representation. De Amerikaanse koloniën protesteerden bij koning George III en bij het parlement van het Verenigd Koninkrijk en kwamen vervolgens in opstand. Het Verenigd Koninkrijk probeerde die opstand te onderdrukken door troepen te sturen. Het gewelddadig neerslaan van protesten, zoals bij het Bloedbad van Boston, wakkerde het conflict verder aan.

Op 2 juli 1776 namen de vertegenwoordigers van de verenigde koloniën de Onafhankelijkheidsverklaring aan in Philadelphia -die op 4 juli 1776 gepubliceerd werd- en na een reeks tegenslagen voor het continentaal leger onder bevel van George Washington, keerde de oorlog tegen Groot-Brittannië zich in het voordeel van de Amerikanen. De opstandelingen kregen vrijwillig hulp van veel Europeanen, en vervolgens van de Franse regering onder Lodewijk XVI, van Spanje en van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1783 moest Londen de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten erkennen. Het nieuwe land kreeg een Grondwet (1787) die geïnspireerd was op de filosofie van de Verlichting. George Washington werd in 1789 gekozen tot president; maar de beginjaren van het nieuwe land werden vooral gekenmerkt door politieke tegenstellingen en sociale spanningen.

Door de Amerikaanse Revolutie ontstond niet alleen een nieuwe staat, maar ook een Amerikaanse natie die zich met eigen symbolen en de kiem van een eigen politieke cultuur onderscheidde van het Britse volk. Binnen de Amerikaanse geschiedenis was de revolutie ook van belang omdat ze de tegenstellingen op scherp zette tussen de aanhangers van een sterke centrale overheid en degenen die het belangrijkste gezag liever bij de individuele staten wilden onderbrengen. De revolutie veroorzaakte ook spanningen tussen de ‘Founding Fathers‘ met betrekking tot de rol die het volk moest krijgen in de politiek. Beide scheidslijnen zouden in de daaropvolgend eeuwen nauwverbonden blijven met de Amerikaanse politieke geschiedenis.

Wereldwijd was de Amerikaanse Revolutie de eerste van de liberale revoluties: de gebeurtenissen in de jonge natie kregen wereldwijd bijval en navolging, zoals in de Franse Revolutie (1789) en de Haïtiaanse Revolutie (1791). De Onafhankelijkheidsverklaring en de Grondwet werden een leidraad voor intellectuelen en revolutionairen die het recht op vrijheid, gelijkheid en het nastreven van geluk op schrift wilden stellen.

Context: de dertien Britse koloniën rond 1775 miniatuur|Kaart van de dertien Britse koloniën van Noord-Amerika rond 1775

Geografisch kader De dertien Britse (oorspronkelijk Engelse) koloniën ontstonden in de periode tussen het begin van de zeventiende eeuw en de eerste dertig jaren van de achttiende eeuw over meerdere honderden kilometers langs de Atlantische kust (zie kaart). De geografie, bevolking, economie en instellingen van de koloniën werden in die tijd gekenmerkt door onderlinge verschillen. De communicatie tussen de koloniën verliep langzaam en vaak moeilijk: de bestaande wegen waren in slechte staat en bruggen bestonden bijna niet.

Bevolking Tussen 1710 en 1770 nam de bevolking van de dertien koloniën met tienvoud toe. Rond 1770 bedroeg de totale bevolking ongeveer 2,2 miljoen inwoners. Sinds hun oprichting kenden de koloniën een sterke demografische groei door immigratie, maar ook door een hoog geboortecijfer. De bevolkingsdichtheid was relatief laag. De meeste kolonisten leefden op het platteland en de bevolking concentreerde zich aan de kust, waar de grote steden zich bevonden, zoals Philadelphia dat het dichtst bevolkt was (ongeveer 45.000 inwoners in 1780) en daarmee groter dan Boston of New York.

Maatschappij De koloniale maatschappij was divers: naast de Britse meerderheid leefden er Duitsers, Zwitsers, Hollanders, Ieren, Schotten, Scandinaviërs en Fransen, vooral in de koloniën in het noorden en in het midden van Amerika. Volgens de historicus Fernand Braudel, zou deze etnische mix voor de afscheiding van Groot-Brittannië gezorgd hebben. De religieuze praktijken varieerden ook: hoewel de elites protestant waren, behoorden ze tot verschillende stromingen. De joden en katholieken, die met argwaan bekeken werden, vormden de belangrijkste religieuze minderheden.miniatuur|Amerikaanse kolonisten waren afhankelijk van de zeehandel met Groot-Brittannië. Gravure met de haven van Salem in de jaren 1770|linksAan de vooravond van de Amerikaanse revolutie behoorden kolonisten van Europese afkomst tot verschillende sociale groepen. In de Dertien Koloniën bestonden het hofstelsel en de feodale heerschappij vrijwel niet, maar er heerste een andere vorm van hiërarchie die gebaseerd was op landbezit en rijkdom. De elite bestond uit gouverneurs, plantagebezitters, belangrijke kooplieden en reders. Dan was er nog de groep van ambachtslieden, vertegenwoordigers van de koning, boeren en kleine kooplieden: deze middenklassen vertegenwoordigden 40% van de totale bevolking.

Zeelieden, pachters en bedienden stonden op de laagste trede van de sociale ladder. Contractarbeiders waren blanken uit de laagste arbeidersklasse die bijna dezelfde status hadden als slaven: het waren gevangenen, vrouwen en kinderen die al dan niet vrijwillig naar de Nieuwe Wereld gestuurd waren om er in de landbouw te gaan werken. Vanaf de koloniale periode groeiden de sociale verschillen. De verschillende groepen kolonisten lieten blijken dat ze uiteenlopende belangen hadden. Dit riep spanningen op, veroorzaakte zelfs opstanden in de steden en op het platteland. De verlichte elites waren bezorgd en wilden de sociale orde behouden en hun eigendommen beschermen. Andere kolonisten leden meer onder de Britse belastingmaatregelen en ongelijke verdeling van bezittingen. Het optreden van bepaalde predikanten wakkerde sociale spanningen aan die zich verspreidden naar ontmoetingsplaatsen in de steden, zoals tavernes en herbergen. Hier werd informatie uitgewisseld, werden discussies gevoerd en vergaderingen gehouden. De pers speelde ook een actieve rol bij het voeden van de revolutie.

Regering miniatuur|Paleis van de gouverneur, Williamsburg Elke kolonie had een eigen politieke status die bepaald was door haar geschiedenis. Gewoonlijk werd onderscheid gemaakt tussen drie categorieën: de charterkoloniën die gereguleerd werden door handvesten die door de vorst toegekend waren aan private scheepvaartmaatschappijen, zoals in Rhode Island en Connecticut het geval was. De oprichting van de patroonschappen was het initiatief geweest van één belangrijk persoon, de Lord Proprietor. Er waren drie patroonschappen: Pennsylvanië, Maryland en Delaware. De burgers kozen er hun gouverneur. De acht andere ten slotte waren kroonkoloniën (of koninklijke koloniën). Zij hadden een grondwet die opgesteld was door de kroon.

De gouverneurs oefenden uit naam van de koning de uitvoerende macht uit en beschikten over gewapende troepen. Zij werden bijgestaan door douanebeambten en ook door koninklijke belastinginspecteurs. De raad van de gouverneur had juridische, administratieve en wetgevende bevoegdheden. Zoals bij een Hogerhuis, had de raad een adviserende rol. Tot slot had elke kolonie een assemblee dat de lokale problemen, maar ook de begroting en uitrusting van het leger besprak en regelde met de goedkeuring van de raad. Een kolonie kon agenten naar Londen sturen om er petities en verzoeken over te brengen. De kolonisten in Massachusetts oefenden door middel van town meetings een vorm van directe democratie uit. Door de afstanden en de uitgestrektheid van het koloniale gebied waren de Amerikanen op lokaal niveau betrekkelijk autonoom.

In Londen viel het koloniale beleid onder de verantwoordelijkheid van de particuliere raad (Privy Council) van de koning en de Board of Trade and Plantations. Feitelijk gezien waren de premier (First Lord of the Treasury) en de minister van het departement van het zuiden (de vroegere naam voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken) de personen die de koloniale zaken beheerden. De positie van het parlement was in dit systeem slecht gedefinieerd, maar het stemde over de handelswetten van het koninkrijk en had in die hoedanigheid het recht om de douaneheffingen van de koloniën te bepalen.

De echte macht was vaak in handen van de verschillende sociaal-economische groepen; de onafhankelijke boeren op het platteland van New England, de handelaren en ambachtslieden uit de belangrijkste steden aan de kust, de rivaliserende grootgrondbezitters uit de staat New York die hun pachters op bijna feodale manier behandelden, de kooplieden die gelieerd waren aan de Atlantische-Engelse handel in de stad New York, de familie Penn (die de gouverneur benoemde) en een groep van rijke Quaker families in Pennsylvania en plantagehouders met slaven uit Virginia en Noord- en Zuid-Carolina, waarbij de arme blanken geen politieke rechten hadden.

Economie miniatuur|Old State House (1713) in Boston. In dit gebouw vonden de vergaderingen van de kolonie van Massachusetts plaats De Dertien Koloniën vormden gezamenlijk een economisch rijk gebied. In New England, in het noorden, leefde men van ambachtelijk handwerk, zeehandel en visserij. De kooplieden in Boston dreven handel met de Antillen: zij exporteerden hout, graan, vis, walvisolie en ze importeerden suiker, melasse en tafia (suikerbrandewijn). De handel stimuleerde de productie van metaal en textiel en zorgde zelfs voor de ontwikkeling van scheepswerven en destilleerderijen.

De landbouw in de koloniën in het midden van het land was divers en de veeteelt was alomtegenwoordig. Gekenmerkt door een vochtig, subtropisch klimaat leefden de koloniën in het zuiden voornamelijk van een dynamische, commerciële landbouw (hoofdzakelijk export van tabak, indigo en granen). De telers gebruikten slaven voor het werk op de grote landbouwbedrijven. De blanke aristocratie leefde op de landgoederen en lieten er mooie landhuizen bouwen. Het systeem van plantages was echter niet hetzelfde als het systeem dat tot de Burgeroorlog zou duren. Dat systeem zou in 1798 ingevoerd worden door de Franse eigenaren die vluchten voor de slavenopstand. Het zuiden was overwegend landelijk en de weinige steden waren relatief dunbevolkt (Charleston, Baltimore en Norfolk).

Structurele oorzaken: de koloniale betrekkingen met Groot-Brittannië Brits imperialisme miniatuur|213x213px|Frederick North, Britse premier, Tory (1770-1782) Na de Zevenjarige Oorlog begonnen de Britse autoriteiten zich te bezinnen over het Britse rijk in zijn hoogtijdagen. Tussen 1770 en 1782 droomden de Tories, die toen aan de macht waren, over versterking van de koloniale overheersing en over centralisatie. Als protectionisten probeerden zij het mercantilistische systeem strikt toe te passen door hun handelsmonopolie te versterken, scheepvaartmaatschappijen te stimuleren en smokkel te bestrijden. De Tories kregen te maken met tegenwerking van de Whigs, die voor de vrije handel waren, maar ook van Amerikaanse handelaren.