Inductie is een manier van redeneren, waarbij er op grond van een aantal specifieke waarnemingen tot een algemene regel, generalisatie geheten, wordt gekomen. Te denken valt aan juridische wetten en natuurwetten, en spraakkunstregels in de taalkunde.

Een voorbeeld van inductie is de beroemde hypothese 'alle raven zijn zwart'. Deze conclusie komt voort uit een groot aantal waarnemingen van zwarte raven, zonder daarbij één enkele witte raaf te observeren. De conclusies die volgen uit een inductieve redenering vanuit ware vertrekpunten of premissen, kunnen waar maar ook onwaar zijn; in dit geval zou dat zo zijn wanneer er één witte raaf wordt waargenomen.

Inductie staat tegenover deductie als manier van redeneren. Inductieve redeneringen beginnen doorgaans bij de waargenomen feiten en omstandigheden; kwesties van waarschijnlijkheid en kansberekening staan hierbij centraal. Bij deductie gaat het eerder om de kwaliteit van de argumenten, waarbij de logica centraal staat. Beide vormen worden vaak gecombineerd, zoals in de empirische cyclus.

Een inductieve redenering die niet strookt met de waargenomen feiten en omstandigheden, wordt een overhaaste generalisatie genoemd.

Typen Er bestaan verschillende typen van inductieve redeneringen. Generalisatie, of preciezer: inductieve generalisatie, bijvoorbeeld statistische verbanden, dat zijn conclusies gebaseerd op associatie oftewel correlatie Statistisch syllogisme: een redenering die via inductieve generalisatie naar conclusies over een individueel geval leidt Simpele inductie: een redenering die via een veronderstelling over de hele groep verschijnselen naar conclusies over een individueel geval leidt (bijvoorbeeld labelling) Enumeratieve inductie: een redenering die via specifieke voorbeelden naar conclusies over een hele groep verschijnselen leidt Analogie: conclusies getrokken op grond van uiterlijke overeenkomsten Oorzaak en gevolg: een redenering die vanuit een waargenomen effect via een verondersteld causaal verband naar conclusies over de oorzaak leidt Voorspelling: een redenering die vanuit veronderstellingen over een bestaande groep gebeurtenissen naar een conclusie over een toekomstige gebeurtenis leidt

Inductie in de Griekse filosofie In de Oudgriekse filosofie speelde inductie ook een rol, met name bij Aristoteles (384 v.Chr. – 322 v.Chr.). Hierbij ging het echter niet om een soort redenering. Bij hem ging inductie niet alleen uit van zintuiglijke indrukken, maar bleef ze er ook altijd aan gebonden. Wat mensen beweerden over hun ervaringen viel bij hem ook onder 'verschijnselen', phainomena. Het doel van inductie was ontologisch.Aristoteles: leven en werk Het verkrijgen van inzicht in een universeel zijnsaspect, waarbij intuïtief schouwen en het aantonen dat stellingen als "Metalen zijn zwaarder dan water" in zo veel mogelijk gevallen opgaan door ze steeds te onderzoeken, aan de hand van individuele metaalsoorten als goud, zilver, ijzer, een belangrijke rol speelde. Niettemin was het volgens Aristoteles nooit mogelijk om op deze manier tot een absolute zekerheid te komen, hoewel hij de inductie wel als een onmisbaar wetenschappelijk hulpmiddel zag. Tevens stelde Aristoteles dat alle dwalingen voortkwamen uit het op een verkeerde manier combineren van zintuiglijke waarnemingen.Störig, p. 173

De aristotelische inductie had in feite niets van doen met statistiek, zoals bij de huidige inductie. Er is wel sprake van een serie waarnemingen, maar de laatste waarneming leidt dan tot het inzicht dat eerder nog niet tot de observator was doorgedrongen. Hier baseert de inductie zich dus op één geval. Dit betekent ook dat deze vorm van inductie niet propositioneel van aard was.

Inductieve wetenschap thumb|Francis Bacon Francis Bacon (1561-1626) legde al de nadruk op de inductieve methode. Later vierde het inductieprincipe hoogtijdagen ten tijde van het empirisme, met John Locke (1632-1704) als grondlegger. Deze stroming verdedigt de opvatting dat enkel de zintuiglijke waarneming als bron voor ware kennis kan gelden. Later vloeide het logisch positivisme hieruit voort, wat het handelsmerk van de Wiener Kreis was. Dit betrof een groep wetenschappers en filosofen waaronder Moritz Schlick (1882-1936) en Rudolf Carnap (1891-1970). Logisch positivisten baseerden zich enkel op de waarneembare feiten, terwijl ze religieuze en metafysische verklaringen resoluut van de hand wezen. Gedurende de eerste periode van wetenschap vormde het verhogen van de confirmatiegraad (de zekerheid vergroten door stijging van het aantal bevestigingen) het demarcatiecriterium (datgene wat wetenschap onderscheidt van niet-wetenschap), wat gebaseerd was op inductie.

Inductie in de taalverwerving De spraakkunstregels van de klassieke talen Grieks en Latijn zijn vanzelfsprekend gebaseerd op inductieve waarnemingen, maar al vroeg is men tot vaststaande regels gekomen, waaraan men zich diende te houden om verzorgd taalgebruik te bereiken. Deductie als principe bij taalverwerving, of beter taalvervolmaking, had daardoor voorrang op inductie: men leerde de grammatica en de woordenlijsten, bestudeerde zgn. voorbeeldzinnen ofte lemmata, zinnen die men vond bij de erkende klassieke auteurs, en stelde zo correcte zinnen op in het Grieks, Latijn en later in alle westerse talen. Pakweg einde de jaren 60 van de 20e eeuw werd er in het vreemdetalenonderwijs veel meer plaats ingeruimd voor een wijze van inductieve taalverwerving: men confronteerde de student alleen nog maar met tekst en voegde, indien nodig of indien er vraag naar bleek, grammaticale richtlijnen toe. Degenen die altijd hadden gepleit voor de aloude deductieve methode vonden en vinden dat met de inductieve methode geen inzicht in de structuur van een taal kan worden verworven. De inductieve methode heeft nochtans de deductieve methode in het taalonderwijs verdrongen en daar zijn verklaringen voor: er is niet altijd tijd voor de studie van een taalstructuur. De noodzaak en het nut van het kennen van enkele woorden en zinnetjes die men begrijpt binnen een specifieke context en de `slordige vlotheid´ waarmee men die kennis verwerft, kunnen primordiaal zijn. Dat doet zich voor in een oorlog en bij toerisme. Bedenk dat taalonderricht van militairen allereerst met een inductieve aanpak verwant is: bij de bevrijding van Europa en Azië tussen 1942 en 1945 moesten Amerikanen, Engelsen en alle meevechtende kolonialen zo snel mogelijk via herhaling en geheugenoefeningen een mondje Duits, Japans, Frans, Italiaans en Spaans verwerven, meestal op het niveau van kindertaal. Spraakkunst, die men per definitie trager verwerft, weliswaar ook door veel te oefenen, is in zulke utilitaire omstandigheden niet nodig.

Het probleem van inductie In het dagelijks leven maken we voortdurend gebruik van inductieve argumenten. Bij een heleboel zaken verwachten we dat de toekomst op het verleden zal lijken. Bijvoorbeeld dat eten ons zal voeden, dat drinken onze dorst zal lessen, dat de nacht zal volgen op de dag, dat we nat worden als we buiten in de regen staan, dat de grond niet onder onze voeten zal wegzakken wanneer we eroverheen lopen enzovoorts. We koesteren vertrouwen in de regelmaat van de werking der natuur. De eerste die een probleem schetste bij inductie was de Schotse filosoof David Hume (1711-1776). Hij gaf aan dat het de mens niet was gegeven een oneindig aantal gevallen waar te nemen, er is steeds sprake van een eindig aantal waarnemingen. Derhalve is het onmogelijk voor de mens om universele uitspraken te rechtvaardigen aangaande de werkelijkheid op basis van ervaring. Bovendien betoogde hij dat we nooit zekerheid hebben over hoe de toekomst eruit zal zien op basis van het verleden. De conclusie die kan worden getrokken uit Hume's kritiek op inductie is dat ze geen absolute, universele geldigheid met zich brengt, in tegenstelling tot conclusies uit deductieve argumenten. Het probleem van de inductie betekent in feite de vraag hoe we ooit kunnen rechtvaardigen dat we blijven redeneren op zo'n manier.

Een ander kritiekpunt op inductie werd ontwikkeld door de Amerikaanse filosoof Nelson Goodman (1906-1998). Hierbij gaat het om het idee dat er bij inductief redeneren meerdere conclusies kunnen worden getrokken op basis van het beschikbare bewijsmateriaal. Dit leidt er vervolgens toe dat er verschillende voorspellingen voor de toekomst zullen worden gedaan. Het gedachte-experiment waarmee hij dit wilde aantonen staat bekend als de 'grue-paradox'.

'Grue' is een kunstmatige kleuraanduiding. Iets is 'grue' als het is bekeken vóór het jaar x en toen groen, green bleek te zijn, of als het niet is bekeken en blauw, blue is. Op grond van heel wat waarnemingen kan de generalisatie worden verdedigd dat alle smaragden groen zijn. Maar het bewijsmateriaal voldoet in gelijke mate aan de hypothese dat alle smaragden 'grue' zijn, mits alle waarnemingen voor het jaar x hebben plaatsgevonden. Maar deze twee verschillende conclusies zijn van invloed op de voorspellingen die kunnen worden gedaan over waarnemingen na het jaar x. Als wordt beweerd dat alle smaragden 'grue' zijn, wordt daarmee voorspeld dat sommige smaragden die na tijdstip x worden waargenomen blauw zullen ogen. Toch is het veel waarschijnlijker dat alle smaragden groen zijn, maar dan wordt voorspeld dat ze allemaal groen zullen ogen wanneer ze worden bekeken.

Nog een ander probleem bij inductie betreft de zogeheten ravenparadox van de Duitse logicus Hempel.

Oplossingen voor het inductieprobleem Er is een aantal pogingen ondernomen om het inductieprobleem op te lossen. Denkers als Braithwaite en Black waren van mening dat inductie is gerechtvaardigd, aangezien het altijd heeft gewerkt. Het is een nuttige methode gebleken om regelmatigheden in de natuur te ontdekken en voorspellingen over het toekomstig gedrag van natuurverschijnselen te doen. Het kritiekpunt hierop is dat er sprake is van een cirkelredenering. Het inductieprincipe wordt zelf namelijk verdedigd met een inductief argument. Inductie zou dan in de toekomst werken aangezien dit in het verleden tevens het geval was. Ook deze generalisatie is gebaseerd op een aantal specifieke voorbeelden van de werking van inductie.

Men heeft ook wel geprobeerd het inductieprobleem op te lossen aan de hand van inductieve logica. Bij inductieve logica wordt een poging ondernomen een gerechtvaardigde 'sprong' naar de generalisatie te maken, door de conclusie uit gegeven premissen tot een bepaalde hoogte te confirmeren. Het is hierbij niet zo dat de premissen de conclusie impliceren. De problemen hierbij zijn in feite hiervoor al geschetst, namelijk de grue- en ravenparadox. Deze twee gedachte-experimenten illustreren dat inductieve logica in tegenspraak is met de menselijke intuïtie.

Een andere manier waarmee men het inductieprobleem te lijf is gegaan vormt de waarschijnlijkheidsrekening. Van de natuurwetten die door de wetenschap zijn ontdekt, is niet bewezen dat ze absoluut geldig zijn, het zijn generalisaties waarvan het hoogstwaarschijnlijk is dat ze waar zijn. Hoe vaker een hypothese wordt bevestigd, des te waarschijnlijker is het dat ze waar is. Dit noemt men het probabilisme. Het probleem hierbij is nu dat waarschijnlijkheid zou kunnen veranderen in de toekomst. Het bepalen van de mate van waarschijnlijkheid in de toekomst wordt gebaseerd op de frequentie waarmee het in het verleden heeft plaatsgehad. De enige rechtvaardiging voor deze veronderstelling is van zichzelf inductief, waarmee er weer sprake is van een cirkelredenering. Verder blijft bij deze theorie de vraag open wat nu wel en niet precies onder waarschijnlijkheid moet worden verstaan.