De gewone of Australische mierenegel (Tachyglossus aculeatus), ook wel stekelmiereneter genoemd, is een eierleggend zoogdier dat voorkomt in uiteenlopende habitats in Australië, Tasmanië en Nieuw-Guinea. Het is de enige soort uit het geslacht Tachyglossus. De mierenegel is het meest wijdverspreide inheemse zoogdier van Australië en komt op het hele continent voor, hoewel de populatiedichtheid overal laag is. Hij is gemakkelijk te onderscheiden van alle andere inheemse Australische zoogdieren door zijn met stekels bedekte lichaam, kale snavel en unieke rollende gang. De vijf ondersoorten, waarvan een in Papoea-Nieuw-Guinea voorkomt, vertonen variaties in vachtdichtheid, stekeldiameter, lengte en aantal verzorgingsklauwen. De ondersoort die alleen op Kangaroo Island voorkomt, staat op de Rode Lijst van de IUCN uit 2016 vermeld als "bedreigd", maar alle andere ondersoorten als "niet bedreigd".
De mierenegel vormt samen met de vachtegels de familie van de mierenegels (Tachyglossidae). Samen met het verwante vogelbekdier en fossiele soorten vormen zij de orde van de cloacadieren (Monotremata). Net als de egels, waaraan hij niet verwant is, heeft hij lange stekels waar hij zich mee beschermt. De mierenegel eet vooral termieten en mieren.
Beschrijving Het compacte lichaam van de mierenegel is langer dan breed, met een gewelfde rug en een vlakke of licht holle buikzijde. De gemiddelde lengte van een volwassen dier is 40-45 cm met een 1 cm lange staart. De rug en flanken zijn bedekt met stekels van verschillende groottes. De stekels kruisen elkaar langs wervelkolom. Twee halfronde rozetten van stekels bedekken de korte, kale staartbasis. Tussen de stekels bevindt zich fijn tot dik haar. De lengte en dichtheid van de vacht verschillen per ondersoort. De vachtkleur van de twee ondersoorten die voorkomen op Kangaroo Island en op Tasmanië, variëren van licht strogeel tot donkerbruin. Ondersoorten van het vasteland zijn over het algemeen uniform donker van kleur. Albinisme komt voor bij alle ondersoorten. De poten en buikzijde van de mierenegel zijn vrij van stekels, maar bedekt met haar. Zowel de voor- als achterpoten zijn kort, stevig en vijfvingerig. De voorste tenen hebben sterke, spatelvormige klauwen, waarbij de drie middelste langer zijn dan de andere. De achterpoten zijn naar achteren gedraaid. Door de stekelige vacht heeft de mierenegel geen duidelijk gedefinieerde nek. Het voorste deel van de schedel is langwerpig en loopt uit in een snavelachtige snuit, die bedekt is met een zachte, haarloze huid. De naar voren gerichte ogen van ongeveer 9 mm bevinden zich bijna aan de basis van de snuit. De neusgaten zitten op de bovenzijde van de snuit en de kleine mondopening van ongeveer 5 mm zit aan de onderkant. De mond opent zich slechts zo breed als de tong, die tot 18 cm voorbij het uiteinde van de snavel kan uitsteken. De oren hebben meestal geen uitwendige oorschelpen en verschijnen als verticale spleten aan de zijkant van de kop. Kleine stekels en haartjes verbergen deze openingen vaak. De gemiddelde minimale en maximale lichaamsmassa van volwassen dieren varieert van jaar tot jaar. Bij beide eilandondersoorten bedroeg het gemiddelde gewicht van de mannetjes 2,8 kg tijdens het schaarse seizoen en 4,4 kg tijdens het seizoen van overvloed, terwijl het gemiddelde gewicht van de vrouwtjes schommelde tussen 2,5 en 5,0 kg. De zwaarste gedocumenteerde mierenegel, met een lichaamsgewicht van bijna 7 kg, leefde in de Snowy Mountains. Normaal gesproken zijn er geen secundaire geslachtskenmerken, behalve tijdens het paringsseizoen wanneer sommige mannetjes een duidelijke penisverdikking hebben.
Chromosomen en genetische geslachtsbepaling Vrouwelijke mierenegels hebben 32 paar homologe chromosomen (2n=64), 27 paar autosomen en vijf paar X-chromosomen. Mannetjes hebben 63 chromosomen, 27 paar autosomen, vijf X-chromosomen en vier Y-chromosomen. Mannelijke vogelbekdieren hebben overigens vijf X- en vijf Y-chromosomen. De complexiteit van de geslachtschromosomen bij cloacadieren is uniek onder zoogdieren. Opmerkelijk is dat deze geslachtschromosomen niet homoloog zijn aan de geslachtschromosomen bij levendbarende zoogdieren, maar aan de WZ-chromosomen van vogels. Dit verklaart de afwezigheid van het geslachtsbepalende SRY-gen bij eileggende zoogdieren, in tegenstelling tot alle andere zoogdieren. Bij deze cloacadieren is het geslachtsbepalende gen waarschijnlijk AMH dat aanwezig is op een van de Y-chromosomen van de mierenegel.
Anatomie Het bloedvatenstelsel is vergelijkbaar met dat van andere zoogdieren en bestaat uit twee volledig gescheiden bloedsomlopen, waarbij de systemische aorta ontspringt uit de linker vierde aortaboog. Het dier heeft een middenrif en asymmetrische longen, waarbij de rechterkant ongeveer 65% van het volume uitmaakt. Het verdraagt hoge CO2-concentraties (tot 12%), waardoor het fysiologisch goed is aangepast om te graven en langdurig onder de grond te verblijven.
Geraamte thumb|SkeletMusée d'Histoire Naturelle de Lille
De schoudergordel van de mierenegel bestaat uit dezelfde beenderen als die van de Therapsida, een groep voorouders van de zoogdieren die het land domineerden gedurende de tweede helft van het Perm. Bij de mierenegel bestaat de schoudergordel uit twee schouderbladen, twee ravenbeksbeenderen en twee sleutelbeenderen, samen met twee botten die bij geen enkel ander zoogdier voorkomen: een T-vormig tussen-sleutelbeen en twee epicoracoïden gelegen tussen de ravenbeksbeenderen en het borstbeen. De wervelformule van de mierenegel doet denken aan die van de buideldieren met 7 halswervels, 15 borstwervels, 3 lendenwervels en 4 heiligbeenwervels, in totaal 29. De bekkengordel heeft de zes gebruikelijke botten van zoogdieren: twee drievlakkige darmbeenderen aan de rugkant, twee zitbeenderen aan de achterkant en twee schaambeenderen aan de onderkant. Aan de voorrand van elk schaambeen bevindt zich bovendien een daarmee scharnierend buidelbeen dat zo lang is als het schaambeen en ook bekend is van de buideldieren en uitgestorven voorouders van alle zoogdieren. De schedel is glad met langwerpige bovenkaakbeenderen en premaxilla die de bovenkaak vormen. De onderkaak wordt gevormd door de rechter- en linkeronderkaakbeenderen, die priemvormig zijn. Door rotatie van de onderkaakbeenderen om hun eigen as kan de mond openen en sluiten. Tanden ontbreken en prooien worden vermalen door ze te wrijven tussen hoornachtige stekels achter op de tong en op het gehemelte. Het oppervlak van de lange, wormvormige tong is kleverig door het slijm dat wordt afgescheiden door de gepaarde speekselklieren onder de tong. Het snel uitsteken en terugtrekken van de tong, ongeveer 100 keer per minuut, wordt mogelijk gemaakt door de samentrekking van circulaire spieren en drie paar longitudinale spieren.
Spijsverteringsstelsel De maag bestaat uit een ruwe, hoornachtige huid van meerlagig epitheel en bevat geen klieren. Peristaltische bewegingen van de maag helpen bij het vermalen van voedsel, waardoor de harde exoskeletten van ongewervelde dieren worden afgebroken. De spijsvertering vindt voornamelijk plaats in de 3,4 m lange dunne darm. De passage van de ontlasting kan tot 2 dagen duren, waardoor de zachte delen van ongewervelde dieren grondig verteerd kunnen worden en water kan worden geresorbeerd. Vuil en onverteerd exoskeletten worden via de cloaca afgevoerd. De goed gevormde uitwerpselen hebben een karakteristieke cilindrische vorm met stompe uiteinden. De nier is typisch zoogdierachtig, met uitzondering van de aanwezigheid van een dwergnefron, dat ook voorkomt in de nier van veel reptielen. Urineleiders van de nieren monden uit in een ongepaarde sinus urogenitalis, tegenover de hals van de blaas. Samentrekking van de blaas zorgt ervoor dat de urine in de sinus stroomt en via de cloaca het lichaam verlaat, zowel bij mannetjes als vrouwtjes.
Zenuwstelsel Het centrale zenuwstelsel wordt als opmerkelijk beschouwd vanwege de korte lengte van het ruggenmerg, dat eindigt bij de zevende borstwervel, in tegenstelling tot tussen de eerste en tweede lendenwervel bij mensen. De positie en onderlinge verhouding van de visuele, auditieve en sensorische gebieden verschillen van die bij placentale zoogdieren. Bijna de helft van het sensorische hersengebied is toegewezen aan tastorganen zoals de snuit en de tong. De hersenen zijn sterk geplooid, wat wordt beschouwd als een kenmerk van neurologisch meer geavanceerde zoogdieren. De prefrontale cortex, geassocieerd met complexe cognitie, het ophalen van langetermijngeheugen en besluitvorming, beslaat 50% van de neocortex, maar slechts 29% bij mensen. Toen een mierenegel werd getest met behulp van doolhofproeven en positionele, visuele en tactiele experimenten, leerde hij snel, verbeterde zijn prestaties door oefening en vertoonde hij bewijs van het opslaan, classificeren en integreren van informatie.
Huid thumb|Slachtoffer van een aanrijding waar de beharing op de buik en de voor- en achterpoten goed te zien zijn De stekels zijn gemodificeerde haren. Er is geen jaarlijkse rui, maar de stekels worden na verloop van tijd afgestoten en vervangen. De basis van elke stekel wordt omgeven door een bundel spieren en de wortel ervan is verankerd in de panniculus carnosus, een grote spiermassa die zich rond de romp uitstrekt. Deze structuur maakt het mogelijk om de individuele stekels te controleren tijdens het klimmen, foerageren, poetsen of ontwijken van een bedreiging. De panniculus carnosus, dikker aan de rugzijde en dunner aan de buikzijde, is verantwoordelijk voor het vermogen van de mierenegel om zich tot een bal op te rollen. Het is onmogelijk om de echte huid (epidermis en dermis) plus stekels en haren te scheiden van de panniculus carnosus. Dit enorme orgaan beslaat een derde tot de helft van de lichaamsmassa. In tegenstelling tot andere zoogdieren bevat de huid zeer weinig zweetklieren. Door de naar buiten gerichte rotatie van het scheenbeen en kuitbeen en het horizontale dijbeen zijn de achterpoten en klauwen naar achteren gericht. De mierenegel heeft verlengde klauwen aan de achterpoten die gebruikt worden voor de verzorging. De articulatie van de gedraaide achterpoten in het bekken maakt het mogelijk om de verzorgingsklauwen tussen de stekels op bijna elk deel van het lichaam te steken om teken te verwijderen of, in het geval van opgroeiende jongen, om droge huid tussen de uitstekende stekels te verwijderen. De eerste klauw aan de buitenkant van de achterpoot is het kortst, de tweede is meestal het langst, en afhankelijk van de ondersoort is de derde korter, even lang of langer dan de tweede. De klauwen aan de vierde en vijfde teen zijn opvallend kort. De meeste jonge volwassen dieren hebben een met een schede bedekte spoor aan de binnenkant van de enkel van beide achterpoten. Sporen bij volwassen dieren zijn hol, geperforeerd en via een kanaal verbonden met de klier in de kuit, die zich net onder de knie bevindt. De spoor is niet giftig, in tegenstelling tot bij het mannelijke vogelbekdier. Door de structuur en oriëntatie van de achterpoten kan de gang van mierenegels worden omschreven als rollend. De mierenegel heeft een opmerkelijke kracht dankzij zijn ongebruikelijke anatomie. Goed ontwikkelde spieren van de korte, stevige poten hechten zich aan de solide schoudergordel en vormen een mechanische constructie die een hefboom van de derde orde wordt genoemd. De verhouding tussen de grote spiermassa en de botlengte verklaart zijn effectieve kracht. De sterke klauwen aan de voorpoten zijn effectief om voedsel te zoeken. De snuit heeft ook de mechanische voordelen van een hefboom. De snuit heeft de vorm van een dubbele wig, waardoor de kracht die de snuit uitoefent zes keer zo groot is als de volledige lengte ervan. Het dier gebruikt zijn snuit om harde grond te splijten, stenen om te draaien of de lichamen van ongewervelde prooien te verscheuren die te groot zijn om in hun geheel op te eten.
Zintuigen