De Senaat (Frans: Sénat, Duits: Senat) is sinds 1831 een van de twee kamers van het tweekamerstelsel van het Federaal parlement van België. De andere kamer is de Kamer van volksvertegenwoordigers. De gemeenschappelijke vergadering van de senatoren en de Kamerleden vindt plaats in de Verenigde Kamers. De Senaat is gevestigd in het Paleis der Natie in Brussel.
Naar aanleiding van de vierde staatshervorming in 1993 werd de Senaat voor een eerste maal grondig hervormd. Als gevolg van de zesde staatshervorming (Vlinderakkoord) zijn de bevoegdheden van de Senaat sinds 2014 grondig ingeperkt, waarbij de bicamerale wetgevingsprocedure (art. 77 en 78 van de Belgische Grondwet (GW)) de uitzondering werd en de monocamerale wetgevingsprocedure de regel (art. 74 GW). Bovendien worden de senatoren sinds 2014 niet langer rechtstreeks verkozen. Op 24 april 2014 hield de uit rechtstreeks verkozen senatoren samengestelde Senaat zijn laatste zitting.
Sinds 2014 geldt de Senaat als een ontmoetingsplek tussen vertegenwoordigers van de gewesten en gemeenschappen van het federale België en zijn er 60 senatoren: 50 deelstaatsenatoren en 10 gecoöpteerde senatoren. De Senaat houdt 10 zittingen per jaar. In 2026 zette de Senaat de eerste stap richting haar afschaffing met de goedkeuring van het openstellen van artikel 195 in de plenaire zitting van 3 april 2026.
Geschiedenis miniatuur|De plenaire vergaderzaal van de Senaat in 2016. miniatuur|Groene Salon, met busten van de Belgische vorsten, 2023.
1831: oprichting Na de Belgische Revolutie in 1830 moest het Nationaal Congres zich buigen over de opstelling van de Belgische Grondwet. Verenigd in de strijd tegen Nederland was men het over de meeste zaken snel eens. De Senaat was echter een moeilijk punt.
Vooreerst was er discussie of men moest kiezen voor een eenkamer- dan wel een tweekamerstelsel. Men had immers negatieve ervaringen met zo'n "eerste kamer" onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Uiteindelijk koos men toch voor een tweekamerstelsel, uit vrees voor al te revolutionaire beslissingen door de democratischere Kamer van volksvertegenwoordigers, zoals men dat in Frankrijk had gezien. De Senaat zou dus als een conservatief tegengewicht moeten dienen. Bovendien dacht men dat zo'n aristocratische Kamer als bemiddelaar zou kunnen fungeren tussen de Kamer en de koning. Doordat wetten een tweede keer goedgekeurd moeten worden, vermijdt men ook dat de Kamer onder druk van de publieke opinie zou overgaan tot gelegenheidswetten, volgens de waan van de dag. In de praktijk is echter gebleken dat de Senaat zich altijd eerder terughoudend heeft opgesteld ten aanzien van de Kamer.
Nadat die basisoptie genomen was, moest men nog bepalen hoe men die Kamer zou samenstellen. Hiervoor had men de keuze tussen verschillende systemen: benoeming door de koning, erfelijk lidmaatschap enz. Uiteindelijk koos men voor een verkozen kamer, waar men om verkozen te kunnen worden aan een hogere cijnsvoorwaarde moest voldoen (1000 gulden), waardoor er in de praktijk slechts 400 personen verkiesbaar waren. De Senaat werd dus een erg elitair orgaan. Naast die rechtstreeks verkozen senatoren zaten er ook de senatoren van rechtswege.
1831-1893 Aanvankelijk gold de Senaat als een conservatief en aristocratisch tegengewicht voor de Kamer van volksvertegenwoordigers. Deze verhouding kwam voort uit de verschillende verkiesbaarheidsvoorwaarden. Deze cumulatieve verkiesbaarheidsvoorwaarden waren de volgende: Belg zijn door geboorte of de staatsnaturalisatie verkregen hebben; zijn politieke en burgerlijke rechten genieten; zijn woonplaats hebben in België; ten minste 40 jaar oud zijn; en ten minste 1.000 gulden rechtstreekse belastingen betalen in België, met inbegrip van het octrooirecht. In de provincies waar het aantal inwoners dat 1.000 gulden rechtstreekse belastingen betaalde meer dan de verhouding van 1 op 6.000 inwoners bedroeg, werd de cijns verhoogd tot men aan de verhouding van 1 op 6.000 inwoners geraakte.
De senatoren werden gekozen voor acht jaar. Om de vier jaar werd de helft van het aantal senatoren vernieuwd. Een soortgelijk systeem bestaat in de federale Amerikaanse Senaat.
Leopold II
thumb|Eedaflegging van prins Leopold als senator van rechtswege. Brussel, Paleis der Natie, 9 april 1853.Afbeelding: The Illustrated London News, 16 april 1853, p. 289.
Prins Leopold, de latere koning Leopold II van België, zetelde in de Senaat van 9 april 1853 tot 10 december 1865 in de hoedanigheid van senator van rechtswege.
Leopold legde de eed af op zijn 18e verjaardag. Hij nam op 29 december 1855, ruim twee jaar na zijn eedaflegging, voor het eerst deel aan de debatten. In totaal nam hij tijdens vijftien vergaderingen het woord, in de periode van april 1853 tot mei 1861. Net zoals op zijn eedaflegging zou hij hierbij enkel Frans en nooit Nederlands spreken. Het Parlement anders bekeken, Academia Press, 2006, p. 21, . Leopold wijdde de meeste van zijn toespraken, die hij zelf schreef, aan zijn verlangen om België een kolonie te verschaffen. In zijn jaren als senator zou de tribune van de Senaat voor hem de plaats zijn om zijn expansionistische ideeën te verdedigen tegenover zijn landgenoten.
Leopold was de eerste van zeven senatoren van rechtswege die België zou kennen. Na hem volgden nog de latere koningen Albert I, Leopold III, Albert II en Filip en ook prinses Astrid en prins Laurent.
1893-1921 In 1893 werd de Senaat gedemocratiseerd, doordat de cijnsvereiste verlaagd werd. Daarnaast werd een nieuwe categorie van senatoren ingevoerd: de provinciale senatoren. Elke provincie mocht een aantal senatoren aanduiden, om op die manier te verzekeren dat elke provincie betrokken zou worden bij de nationale besluitvorming. Deze categorie werd in 1993 afgeschaft en vervangen door de gemeenschapssenatoren.
1921-1993 In 1921 volgde een tweede grote hervorming van de verkiesbaarheidsvoorwaarden. Volgens de nieuwe voorwaarden diende men cumulatief: Belg te zijn door geboorte of de grote naturalisatie verkregen hebben; het genot te hebben van de burgerlijke en politieke rechten; zijn woonplaats te hebben in België; en ten minste 40 jaar oud te zijn. De cijnsvoorwaarde als enige voorwaarde werd afgeschaft. In plaats kwam een lijst van 21 voorwaarden (waaronder evenwel nog een cijnsvoorwaarde). Personen die aan de vier voornoemde voorwaarden voldeden, dienden bovendien te voldoen aan minstens een voorwaarde gesteld in de lijst opdat men verkiesbaar zou zijn als senator. In de feiten voldeed bijna iedereen aan een van de 21 voorwaarden, waardoor het verschil in samenstelling met de Kamer afnam.
Deze lijst met voorwaarden hield in dat men diende te behoren tot een van volgende categorieën: De ministers, gewezen ministers en ministers van Staat; De leden en gewezen leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat; De houders van een diploma van het hoger onderwijs; De gewezen opperofficieren van het leger en van de marine; De titelvoerende leden en gewezen titelvoerende leden der handelsrechtbanken, die ten minste tweemaal met een mandaat werden belast; Zij die, gedurende ten minste tien jaar, het ambt hebben bekleed van bedienaar van een eredienst, waarvan de leden een jaarwedde trekken ten laste van de Staat; De werkende leden en de gewezen werkende leden van een koninklijke academie en de leraars en gewezen leraars in het hoger onderwijs; De gewezen provinciale gouverneurs; de leden en gewezen leden van de bestendige deputaties; de gewezen arrondissementscommissarissen; De leden en gewezen leden van de provincieraden, die ten minste tweemaal met een mandaat werden belast; De burgemeesters, de gewezen burgemeesters, de schepenen en gewezen schepenen van gemeenten die tevens arrondissementshoofdplaatsen zijn of van gemeenten met meer dan 4.000 inwoners; De gewezen gouverneurs-generaal en ondergouverneurs-generaal van Belgisch-Congo en de leden en gewezen leden van de Koloniale Raad; De gewezen bestuurders-generaal, de gewezen bestuurders en de gewezen inspecteurs-generaal bij een ministerie; De eigenaars en vruchtgebruikers van onroerende goederen gelegen in België, waarvan het kadastraal inkomen ten minste 12.000 frank bedraagt; de belastingplichtigen, die elk jaar ten minste 3.000 frank als rechtstreekse belastingen betalen; Zij die, als beheerder-afgevaardigde, bestuurder of in een soortgelijke hoedanigheid, gedurende vijf jaar aan het hoofd gesteld werden van het dagelijks beheer een Belgische naamloze vennootschap, waarvan het kapitaal werd volgestort ten bedrage van ten minste 1.000.000 frank; De hoofden van nijverheidsbedrijven, waarbij ten minste 100 werklieden bestendig arbeiden, en van landbouwbedrijven van ten minste 50 hectaren; Zij die, als bestuurder-zaakvoerder of in een soortgelijke hoedanigheid, gedurende drie jaar aan het hoofd gesteld werden van het dagelijks beheer ener Belgische coöperatieve vennootschap met ten minste 500 leden sedert vijf jaar; Zij die, als werkende leden, gedurende vijf jaar het ambt hebben vervuld van voorzitter of secretaris van een mutualiteit of van een bond van mutualiteiten met ten minste 1.000 leden sedert vijf jaar; Zij die, als werkende leden, gedurende vijf jaar het ambt hebben vervuld van voorzitter of secretaris van een beroeps-, nijverheids- of landbouwvereniging met ten minste 500 leden sedert vijf jaar; Zij die, gedurende vijf jaar, het ambt hebben vervuld van voorzitter van een handels- of nijverheidskamer met ten minste 300 leden sedert vijf jaar; De leden van de nijverheids- en arbeidsraden van de provinciale landbouwcommissies, van de arbeidsrechtbanken, die ten minste tweemaal met een mandaat werden belast; De gekozen leden van een der raadgevende raden ingesteld bij de ministeriële departementen.
Nieuwe categorieën van verkiesbaren konden door een wet met een tweederdemeerderheid worden ingevoerd.
Tevens werd opnieuw een nieuwe categorie senatoren ingevoerd, de gecoöpteerde senatoren. De bedoeling was om meer kwaliteit in de Senaat te brengen, mensen met verdienste in de samenleving die een positieve inhoudelijke bijdrage zouden hebben in de totstandkoming van de wetten. Deze categorie bestaat tot op de dag van vandaag.
De achtjarige duur van het mandaat en de vernieuwingen van de helft van de senatoren werden afgeschaft en vervangen door een mandaat van vier jaar en enkel een algehele vernieuwing van de Senaat.
1993-2014 Tot 1993 werden de deelstaatparlementen niet rechtstreeks verkozen. Het Vlaams Parlement bijvoorbeeld bestond uit de Vlaamse leden van het federaal parlement. Dit dubbelmandaat werd afgeschaft, waardoor 318 nieuwe parlementaire zetels ontstonden in de verschillende deelstaatparlementen. Om deze toename te compenseren werd het aantal leden van de Kamer van 212 tot 150 gebracht en het aantal senatoren van 184 tot 71. Ook kwam er een inhoudelijke hervorming: er werd een nieuwe categorie senatoren ingevoerd, de gemeenschapssenatoren. Daardoor wilde men de Senaat aanpassen aan de door de staatshervorming gecreëerde federale structuur. Hierdoor kunnen de deelstaten betrokken worden bij grondwetswijzigingen. Daarnaast vond men het nuttig om een reflectiekamer te hebben, die over de kwaliteit van de wetgeving zou kunnen waken door een evocatierecht.
De senaat telde toen 71 leden, verdeeld in 3 categorieën: 40 rechtstreeks verkozen senatoren (25 Nederlandse kiescollege, 15 Franse kiescollege) 21 gemeenschapssenatoren (10 Nederlandstalige, 10 Franstalige, 1 Duitstalige) 10 gecoöpteerde senatoren (6 Nederlandstalige, 4 Franstalige) In de nieuwe samenstelling verloor de Senaat zijn begrotingsrecht en zijn politiekecontrolerecht van de regering.
Het behoorde tot de doelstellingen van de regering-Verhofstadt II om de Senaat opnieuw te hervormen, waarbij waarschijnlijk de functie van reflectiekamer zou verdwijnen en de Senaat nog verder zou omgevormd worden tot een kamer van de deelstaten.
2014-heden