thumb|Standbeeld van Wilfried Martens door Leo De Buysere op het Wilfried Martensplein te Sleidinge Wilfried Achiel Emma Martens (Sleidinge, 19 april 1936 – Lokeren, 9 oktober 2013) was een Vlaams-Belgische politicus voor de CD&V (vroeger CVP) en was van april 1979 tot maart 1992 (met een korte onderbreking) eerste minister van België.
Biografie Jeugd Martens groeide op in een bescheiden, katholiek landbouwersgezin met vijf zonen in het landelijke Sleidinge, tussen Gent en Eeklo. Zijn vader baatte naast zijn hoeve ook een kleine kolenhandel uit en was daarnaast actief als melkophaler. Zijn vader overleed voortijdig in oktober 1943, waarna zijn moeder in december 1944 hertrouwde met een andere man, die tien jaar later ook op jonge leeftijd overleed. Uit dit tweede huwelijk werd nog een stiefbroer geboren. De eerder sombere jeugd van de introverte jongeman werd verder getekend door de schaarste tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en een zwakke gezondheid. Hoewel hij wegens ziekte vaak het bed moest houden, slaagde de leergierige scholier er toch in om de primus van zijn klas te zijn., Histories: docu: Zes aansprekers - Wilfried Martens heeft een ideaal, Canvas, 2001
Studies In 1949 belandde Wilfried Martens door toedoen van E.H. Drossens, onderpastoor van Sleidinge (1991), p. 15 met behulp van een studiebeurs van het Fonds voor de meestbegaafden in het internaat van het Sint-Vincentiuscollege van Eeklo en blonk er uit in de Grieks-Latijnse Humaniora. Op het college kwam de jongeman voor het eerst in contact met het flamingantisme dat de rode draad doorheen zijn latere politieke carrière vormde. In de klas werd Martens de enthousiaste promotor van het ABN dat hij had aangeleerd door veelvuldig naar de radio te luisteren toen hij in 1950 drie maanden het bed moest houden met acute gewrichtsreuma. Via de radio raakte Martens ook al vroeg gefascineerd door de Belgische politiek en volgde hij de politieke actualiteit zoals het referendum over koning Leopold III tijdens de koningskwestie op de voet.
In 1955 vatte hij aan de Katholieke Universiteit Leuven de studies rechten en wijsbegeerte aan. Uit vrees zijn studiebeurs te verliezen concentreerde hij zich het eerste jaar uitsluitend op zijn studies. Na de eerste kandidatuur verhuisde hij naar het hoofdkwartier van het Hoogstudentenverbond voor Katholieke Aktie, beter bekend onder de naam Universitas (verwijzend naar het tijdschrift van het verbond) waar hij samenwoonde met een tiental studenten.Martens, W., Luctor et emergo, pag. 33, Lannoo, Tielt, 2006. Daar leerde hij niet alleen zijn latere partijgenoot Gaston Geens kennen, maar ook priester professor filosoof-theoloog Albert Dondeyne. Als mentor van de groep rond Martens inspireerde Dondeyne hem en diepte hij het gedachtegoed van de jonge student verder uit. Zo bracht hij Martens al de ideeën van een verenigd, federaal Europa aan. Aan de KU Leuven was hij eerst actief in het Hoogstudentenverbond voor Katholieke Actie (HVKA) en was hij van 1956 tot 1957 redactiesecretaris van het HVKA-studentenblad Universitas en van 1957 tot 1960 lid van de Contactcommissie van het Jeugdverbond voor Katholieke Actie. Nadien werd hij actief in KVHV Leuven, waarvan hij van 1959 tot 1960 preses was, alsook voor enkele maanden in 1958 mederedacteur van het studentenblad Ons Leven. In deze tijd was Martens tevens actief in tal van politieke en studentikoze verenigingen, zoals K.V.H.C. Meetjesland en de Vlaamse Vereniging van Studenten, een traditioneel Vlaamsgezinde studentenvereniging waarvan hij van 1958 tot 1959 preses was. Ook was hij voorzitter van het Studentenparlement in Leuven, een vergadering van 50 verkozenen die activiteiten organiseerde over Vlaamse studenten.
In oktober 1960 behaalde Martens met onderscheiding zijn doctoraat in de rechten alsook de graad van baccalaureus in de Thomistische wijsbegeerte. Kort daarna richtte hij samen met zijn studievriend Lode Verhaegen een advocatenkantoor op in Gent. Tot in 2001 bleef Martens actief in de advocatuur. Daarnaast was hij van 1960 tot 1963 deeltijds leraar Nederlands aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.
Politieke carrière Militant Reeds als scholier sloot Wilfried aan bij de KSA (Katholieke Studenten Aktie) waarvan hij later gewestleider (afdeling Meetjesland) werd. Deze katholieke, Vlaamsgezinde jeugdbeweging wakkerde het flamingantisme in Martens nog verder aan. Zo liet de adolescent zich op de Jongvlaamse Dagen van 1954 opmerken door in een begeesterde maar rationeel onderbouwde toespraak de ABN-beweging, die ijverde voor de promotie en het verspreiden van het Algemeen Beschaafd Nederlands, als een belangrijke pijler van de Vlaamse ontvoogding te verdedigen. Toen dat concept nog taboe was, hield hij in de retorica voor het examen in welsprekendheid toch al een, naar eigen zeggen, 'formidabel pleidooi' voor het federalisme in België. En hoewel zijn leraar het fundamenteel oneens was met de inhoud loofde hij Martens toch om zijn redenaarstalent.
In 1957 werd Martens voorzitter van het Vlaams Jeugdkomitee voor de Wereldtentoonstelling, een koepelorganisatie van Vlaamsgezinde jeugd- en studentenverenigingen.Biografie Wilfried Martens in de Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Herwig De Lannoy en Steven Van Hecke, 2024. Dat comité ijverde voor de erkenning van het Nederlands en een strikte toepassing van de taalwetten en een taalevenwicht in de bestuursorganen van de Wereldtentoonstelling van 1958 en schopte daarmee tegen de schenen van de Franstalige liberale minister van Economische Zaken Roger Motz en Expo-commissaris baron Georges Moens de Fernig, die bleven zweren bij het oude, door de Franstalige bourgeoisie gedomineerde 'La Belgique à papa'. Om zijn eisen kracht bij te zetten voerde Martens met zijn strijdmakkers een protestactie in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het leverde hem een dagvaarding voor de Correctionele rechtbank en een geldboete op. Toch haalde het Jeugdkomitee zijn slag thuis en werd er tijdens de Expo op 6 juli 1958 een Vlaamse Dag georganiseerd.
Op de IJzerbedevaart van 1958 pleitte Martens in een 'Boodschap namens de Jeugd' voor de democratische noodzaak van een federale staat op basis van een Vlaamse en Waalse volksgemeenschap, hetgeen volgens hem noodzakelijk was om de achteruitstelling van Vlamingen in België tegen te gaan. Ook ijverde hij voor een definitieve vastlegging van de taalgrens om de verdere verfransing van de Brusselse Rand te verhinderen en voor een pluralistische samenwerking tussen jongeren van verschillende politieke opinies om de Europese Gemeenschap verder uit te bouwen. Daarnaast engageerde Martens zich in het Komitee voor Gemeenschappelijke Amnestie-actie en nam hij in september 1959 de regie in handen van een betoging voor amnestie en het herstel van de burgerrechten van de oud-collaborateurs vervolgd tijdens de Repressie.
Na zijn studies werd Wilfried Martens van 1960 tot 1964 hoofdbestuurslid en penningmeester van de Vlaamse Volksbeweging (VVB), waaraan hij bijna al zijn vrije tijd opofferde. Martens stelde er het maandelijkse Documentatieblad samen en was hoofdredacteur van het tweewekelijkse VVB-tijdschrift Berichtenblad, in januari 1962 omgedoopt tot Doorbraak. Tevens leerde hij VVB-voorzitter Maurits Coppieters kennen die hem ook het progressieve gedachtegoed (inzake ecologie, vrouwenrechten, actief pluralisme, enzovoort) aanreikte. Als VVB-bestuurslid en penningmeester van het Vlaams Aktiekomitee Brussel en Taalgrens hielp Martens ook de twee Marsen op Brussel in 1961 en 1962 organiseren, die er kwamen om te ijveren voor de vastlegging van de afgebakende taalgrenzen en zich te verzetten tegen de taalfaciliteiten die de Franstaligen in de Brusselse randgemeenten kregen toegekend. Op een van de vele Vlaamse congressen leerde Martens ook zijn eerste echtgenote Lieve Verschroeven kennen, met wie hij in 1962 huwde.
Als rapporteur op het VVB-congres van 4 februari 1962 hield Martens in een historische toespraak een vurig pleidooi voor diepgaande, structurele hervormingen van de Belgische eenheidsstaat, het zogenaamde unionistisch federalisme, met Vlaanderen en Wallonië als deelstaten in een federaal België en de tweetalige Brusselse agglomeratie als 'bondsgebied'. Hij baseerde zich daarvoor op het boek 'Etudes sur le Féderalisme' van de Amerikaan Carl Friedrich. Hiermee ging hij een stap verder dan de oude generatie VVB-ers die zich liever beperkten tot een louter taal- en cultuurflamingantisme en bovendien wilden vermijden dat de VVB een spreekbuis van de Volksunie zou worden. Toch kon Martens de menigte overtuigen en het federalisme als programmapunt introduceren.
Partijpolitiek Om zijn Vlaamse idealen in beleid te kunnen omzetten vertrok Martens in 1964 bij de VVB om zich te engageren in de partijpolitiek. Om strategische redenen sloot hij zich aan bij de Christelijke Volkspartij (CVP) en niet, zoals door velen werd verwacht, bij de Volksunie. In 1963 was Martens lid geworden van de partij omdat hij als voorzitter van de Politieke Werkgroep van de VVB geregeld contact had met parlementsleden van de CVP. Hij werd actief in de arrondissementele werking in Gent-Eeklo en was in mei 1965 voor het eerst kandidaat bij de wetgevende verkiezingen, op de onverkiesbare plaats van lijstduwer op de Kamerlijst van Gent-Eeklo. Na deze verkiezingen was Martens tussen 1965 en 1972 werkzaam op verschillende ministeriële kabinetten: van 1965 tot 1966 was hij adviseur voor Onderwijs, Cultuurautonomie en Decentralisatie op het kabinet van premier Pierre Harmel, van 1966 tot 1968 adviseur voor Nationale Opvoeding, Wetenschapsbeleid en Cultuurautonomie op het kabinet van premier Paul Vanden Boeynants en van 1968 tot 1972 opdrachthouder op het kabinet van minister van Gemeenschapszaken Leo Tindemans.Biografie Wilfried Martens in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (gearchiveerd) Bij de verkiezingen van november 1971 bekleedde hij de zesde plaats op de CVP-Kamerlijst in het arrondissement Gent-Eeklo, maar hij raakte opnieuw niet verkozen.
In 1966 werd Martens verkozen in het nationaal bureau van de CVP-Jongeren. Van februari 1967 tot april 1971 was hij voorzitter van de CVP-Jongeren, waarin hij samen met onder anderen Miet Smet en Jean-Luc Dehaene het bestuur vormde, het zogenaamde 'Wonderbureau'.De titel 'wonderbureau' werd bedacht door politiek journalist en essayist Hugo De Ridder. (Zie Martens, W., Luctor et emergo, pag. 80). Andere leden waren Jan Huyghebaert, Georges Monard, Pol De Broe, Rita Mulier, Paul Pataer en Ward Bosmans. (1991), pp. 62-65.
Onder zijn voorzitterschap werkten de CVP-Jongeren drie geruchtmakende manifesten uit, die Martens en de andere leden van het Bureau in aanvaring brachten met de meer Conservatieve en traditionalistische oudgedienden binnen de partij en bij uitbreiding de christelijke zuil. Het eerste zogenaamde Autonomiemanifestvan 10 juni 1967 beoogde de federalisering van het unitaire België als structurele oplossing voor de communautaire problematieken. Het tweede manifestDe partijvorming in België en de rol van de CVP van 11 januari 1969 streefde naar een samenwerking en zelfs samensmelting van de linkse en de progressieve, katholieke krachten, de zogenaamde 'progressieve frontvorming'. Het derde manifestCreatieve aanpak bij de herziening van het Schoolpact van 11 april 1970 betrof de democratisering en modernisering van het onderwijs door de katholieke en de rijksscholen te integreren in pluralistische, gemengde 'gemeenschapsscholen'. Door een gebrek aan politiek draagvlak moest Martens in 1972 uiteindelijk toegeven dat de progressieve frontvorming en de pluralistische gemeenschapsscholen op korte termijn onhaalbare wensdromen waren.Inventaris van het archief van Wilfried Martens. Deel 1. Van de jeugdjaren tot de verkiezingen van 1978, Agatha Arch. Hij profileerde zich daarna binnen de CVP als een standenloze centrumfiguur, hoewel hij goede banden onderhield met de christelijke arbeidersbeweging ACW.