De Messerschmitt Bf 109 was een Duits jachtvliegtuig. Het werd voor het eerst ingezet tijdens de Spaanse Burgeroorlog in 1937, en was tijdens de Tweede Wereldoorlog in gebruik bij de Duitse Luftwaffe en haar bondgenoten. Toen het vliegtuig voor het eerst ingezet werd, was het een van de meest geavanceerde vliegtuigen ter wereld. Het toestel had een monocoque constructie helemaal van metaal, een intrekbaar landingsgestel en een dichte cockpit. Met ongeveer 34.000 geproduceerde toestellen is de Bf 109 het meest geproduceerde jachtvliegtuig ooit.
De Bf 109 werd in de dertiger jaren van de vorige eeuw ontworpen door Willy Messerschmitt en Robert Lusser bij de Bayerische Flugzeugwerke. Het toestel was oorspronkelijk bedoeld als onderscheppingsvliegtuig, maar latere modellen konden ook andere taken vervullen, zoals escortejager, jachtbommenwerper, nachtjager, grondaanvalsvliegtuig of verkenningsvliegtuig.
De drie best scorende azen van de Luftwaffe van de Wehrmacht hebben allemaal in een Bf 109 gevlogen. De allerbeste Duitse aas, Erich Hartmann behaalde maar liefst 352 overwinningen aan het Oostfront tegen de Russen. De Duitse azen in de Bf 109 behaalden vele malen meer overwinningen in de veelzijdige Bf 109 dan azen uit alle andere landen. Hier dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat de Luftwaffe geen roulatiesysteem had zoals de geallieerden waarbij piloten in shifts werkten, maar keer na keer op dezelfde dag werden uitgezonden op een missie na het aanvullen van munitie en brandstof. De kwaliteiten van dit toestel waren te vergelijken met de Supermarine Spitfire van de Britse Royal Air Force (RAF), zijn tegenstander in onder meer de Slag om Engeland. Omdat de 109 constant verbeterd werd gedurende de Tweede Wereldoorlog, kon het vliegtuig tot het einde van de oorlog elk geallieerd vliegtuig aan. Vandaar dat het toestel gerespecteerd en bewonderd werd door de Asmogendheden én de Geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.
Ontwerp en ontwikkeling Oorsprong Na de Eerste Wereldoorlog was de Duitse oorlogsindustrie en economie bijna helemaal ontmanteld door de overwinnaars. De enige vliegtuigen die de Duitse luchtmacht voor de Bf 109 had, de Arado Ar 64 en Heinkel He 51, waren hopeloos verouderd en eigenlijk meer geschikt voor de Eerste Wereldoorlog. In 1933 deed het Reichsluftfahrtministerium (RLM - het Duitse luchtvaartministerie) onderzoek naar nieuwe typen vliegtuigen die geschikt waren voor luchtgevechten in de toekomst. Het RLM bedacht 4 nieuwe typen vliegtuigen die nodig waren: Rüstungsflugzeug I, een middelzware bommenwerper met twee bemanningsleden, Rüstungsflugzeug II, een tactische bommenwerper, Rüstungsflugzeug III, een jachtvliegtuig met 1 bemanningslid, Rüstungsflugzeug IV, een zwaar jachtvliegtuig met 2 bemanningsleden. Rüstungsflugzeug III zou uiteindelijk de Bf 109 worden. De RLM wilde een jachtvliegtuig met een minimale topsnelheid van 400 km/h op 6.000 meter hoogte. Het vliegtuig moest dit 20 minuten vol kunnen houden, in een totale vluchtduur van 90 minuten. Het vliegtuig moest een dienstplafond hebben van 10.000 meter, en bewapend zijn met drie 7,9 mm-mitrailleurs of een 20 millimeter-kanon.
Prototypen
thumb|Messerschmitt Bf 109 V1 thumb|Prototype V3
Het ontwerp van het toestel wordt toegekend aan Willy Messerschmitt en Robert Lusser, die werkten bij de Bayerische Flugzeugwerke (BFW). De nieuwe Messerschmitt werd gebaseerd op de Messerschmitt Bf 108, die door de firma ontwikkeld was als sport- en tourvliegtuig. Het type bleek zeer goed en verbrak enkele records op de lange afstand. Bij de Bf 109 zou gefocust worden op dezelfde goede aspecten als de 108, de metalen monocoque structuur, de dichte cockpit en het intrekbare landingsgestel. Naast deze eigenschappen was het doel een zo sterk mogelijke motor in een zo klein mogelijk frame te krijgen. De keuze viel aanvankelijk op de Junkers Jumo 210A, die 610 paardenkracht kon leveren. Een minder populaire optie was de Daimler-Benz DB 600. Beide motoren waren echter nog niet beschikbaar, dus kreeg het eerste prototype van de Bf 109 een Rolls-Royce Kestrel VI. De eerste vlucht vond plaats op 28 mei 1935. Het tweede prototype kreeg de bedoelde Junkers-motor, en het ontwerp bleek uitstekend. Hans-Dietrich "Bubi" Knoetzsch testte het vliegtuig gedurende de zomer van 1935. Verscheidene prototypen werden gebouwd en naar Berlijn gestuurd om door de Luftwaffe geïnspecteerd te worden.
Terwijl Messerschmitt werkte aan het prototype, maakten andere grote namen zoals Heinkel (met de He 112 V4), Focke-Wulf (met de Fw 159 V3), en Arado (met de Ar 80 V3) ook hun eigen prototypes. De kansen waren klein dat Messerschmitt de competitie zou verslaan, ook omdat het hoofd van de RLM, Erhard Milch, Messerschmitt niet mocht. De ontwerpen van Focke-Wulf en Arado bleken in 1935 echter snel verslagen. Messerschmitt had nog wel een strijd met de Heinkel He 112, omdat die verkozen werd door de RLM tegen het relatief onbekende Messerschmitt. De Heinkel 112 liep echter langzaam achter op Messerschmitt, zowel in normale vlucht als in klim. De RLM koos in 1936 voor het ontwerp van Messerschmitt, nadat het vernomen had dat in Engeland de Supermarine Spitfire aangenomen was.
In 1937 begon officieel de productie van de nieuwe ‘Bf 109’. Het jaar ervoor waren een paar prototypen van het vliegtuig zelfs al naar Spanje gestuurd om getest te worden tijdens de Spaanse Burgeroorlog. De Bf 109 zou een typisch voorbeeld worden van Messerschmitts manier van ontwerpen, dat de nadruk legde op eenvoud en een gemakkelijk onderhoud. Het vliegtuig was licht, en had weinig luchtweerstand. Een oorzaak daarvan was dat oorspronkelijk 2 mitrailleurs in de neus zaten in plaats van in de vleugels.
Varianten De eerste 4 varianten van de Bf 109, de Bf 109 ‘Anton’, ‘Berta’, ‘Caesar’ en ‘Dora’ werden aangedreven door de relatief zwakke Junkers Jumo 210A, die 610 paardenkracht leverde. De eerste grote verbetering kwam toen de Daimler-Benz DB 601 en DB 605 geïntegreerd werden in de Bf 109. Alle varianten A t/m D waren samen goed voor 1068 toestellen.
Bf 109A ‘Anton’ 22 geproduceerde toestellen, bewapend met twee 7,9 mm-mitrailleurs. Verdere ontwikkeling werd stilgelegd vanwege de zwakke bewapening in vergelijking tot de Britse Spitfire die net in dienst genomen werd.
Bf 109B ‘Berta’ miniatuur|Bf 109B-2 (JG “Richthofen”) De Messerschmitt Bf 109B zou de eerste echte productievariant worden. De eerste exemplaren uit de B-serie werden voortgestuwd door een Jumo 210-motor van 610 pk en een houten tweebladige propeller. Om de zwakke bewapening te verbeteren werd een derde 7,92 mm-mitrailleur in de schroefas aangebracht. Het wapen was echter zeer storingsgevoelig en werd meestal weer verwijderd. De Bf 109B was de eerste serie waarmee de Luftwaffe hun Bf 109 aan de wereld toonde. Er werd zelfs een snelheidsrecord gevestigd van 608 km/u. De productie kwam pas echt op gang bij de B-1-serie. 30 van deze toestellen werden geproduceerd. Het type gebruikte de 635 pk zware Jumo 210Da en tweebladige metalen propeller. 24 van deze toestellen werden naar Spanje gestuurd om in de Spaanse Burgeroorlog aan de kant van het Condor Legioen tegen de Russen te vechten. Het vliegtuig bleek veruit superieur te zijn aan de Russische Polikarpov I-15’s en Polikarpov I-16’s. De laatste versie uit de B-serie werd de B-3. Het toestel kreeg de 670 pk zware Jumo 210G. 18 van deze toestellen zijn naar Spanje gestuurd om te worden getest.
Bf 109C ‘Caesar’ De ervaringen uit de Spaanse burgeroorlog leidden tot de ontwikkeling van de Messerschmitt Bf 109C. Het type was nagenoeg gelijk aan de Bf 109B, maar zwaarder bewapend. Het had twee extra mitrailleurs in elke vleugel, en werd aangedreven door een Jumo 210G-motor. Over het aantal verschillende typen binnen de C-serie is veel onenigheid.
Bf 109C-0 Feit is dat de voorserie, de C-0, gebaseerd is op de Bf 109V8. Het type werd ontwikkeld om kinderziekten te kunnen ontdekken in dienst. Bf 109C-1 De eerste echte productie van de C-serie was de C-1. 58 werden geproduceerd. De C-1 had als eerste een FuG-7-radio aan boord. In 1938 werden van dit type 12 naar de Spaanse burgeroorlog gestuurd. Bf 109C-2 De C-2 is niet meer naar Spanje gestuurd maar het zou bewapend worden met een vijfde 7,92 mm-machinegeweer in de holle schroefas. Het toestel is uiteindelijk niet meer geproduceerd omwille van de C-3. Bf 109C-3 Enkele exemplaren voor beproevingen gebouwd, met 20 mm kanonnen in de vleugels i.p.v. 7,92 mm-mitrailleurs. Het bleek echter niet goed te werken. Bf 109C-4 De C-4 was een C-3 waarbij de 7,92 mm-mitrailleur in de schroefas vervangen werd door een 20 mm-kanon. Het type is nooit geproduceerd.
Bf 109D ‘Dora’ Tegen de tijd dat de Daimler-Benz DB 600A met een vermogen van 960 pk klaar was, wilde men deze in productie nemen voor de Bf 109. Er kwam echter al een verbeterde versie, de DB 601. Hierdoor ontstond de Bf 109D, die eigenlijk omgebouwd was voor de DB600A, maar nog steeds een Jumo 210G had. In totaal werden slechts 13 exemplaren gebouwd. Tien ervan werden aan Zwitserland verkocht en drie aan Hongarije.
Bf 109D-0 Slechts enkele exemplaren gebouwd. Bf 109D-1 Slechts enkele gebouwd, en samen met D-0 geëxporteerd. Beiden werden uitgerust met twee 7,92 mm-mitrailleurs in de neus en twee in de vleugels. Bf 109D-2 Slechts enkele gebouwd, het was een experiment voor zwaardere bewapening gevormd door twee 7,92 mm-mitrailleurs en 20 mm-kanonnen. Bf 109D-3 Hiervan zijn slechts enkele exemplaren gebouwd, ze waren vrijwel identiek aan de D-2.
Bf 109E ‘Emil’ miniatuur|Bf 109E-3 De Bf 109E ‘Emil’ kreeg zwaardere bewapening en een grotere actieradius. Het is het eerste model Bf 109 dat echt een succes genoemd kan worden. Het eerste prototype, de Bf 109V14, vloog in de zomer van 1938. De langere, zwaardere Daimler-Benz DB 601A werd gebruikt in plaats van de zwakke Junkers Jumo 210. Ook kreeg het toestel een driebladige propeller i.p.v. een tweebladige. Het type was daardoor veel sneller, maar ook zwaarder dan eerdere uitvoeringen. De Emil had een topsnelheid van 570 km/u in plaats van 450 km/u. De Bf 109E werd nog ingezet in de laatste fase van de Spaanse Burgeroorlog, en bleef in dienst tot het in mid-1941 vervangen werd door de Bf 109F. De Bf 109E bewees zijn waarde tijdens de Blitzkrieg en het veroveren van Europa, maar ook de waarde als jachtbommenwerper. Het type bezat over het algemeen twee 7,92 mm MG 17-mitrailleurs in de neus en twee 20 mm MG-FF-kanonnen in de vleugels. Voor de rol als jachtbommenwerper kon de E-serie ook een bommenlast van vier keer 50 kg bommen of een 250-bom meenemen. Van dit type is ook een groot aantal geëxporteerd naar andere landen. In totaal zouden er 3477 vliegtuigen uit de E-serie gebouwd worden.
Bf 109E-0 Dit was de voorserie. 10 toestellen werden geproduceerd met een bewapening van vier 7,92 mm-mitrailleurs. De 1100 pk zware Daimler Benz DB 601A-motor werd geïnstalleerd. Bf 109E-1 Dit type dat in februari 1939 van de band rolde, had dezelfde bewapening en motor als de E-0.
Van de Bf 109E zijn de volgende varianten bekend:
Bf 109E-1/B Een jachtbommenwerperversie van de E-1 met een maximale bommenlast van 250 kg. Bf 109E-2 Een versie waarbij twee 7,92 mm-mitrailleurs vervangen werden door 20 mm-kanonnen. Bf 109E-3 Dit was een uitvoering van Emil met de DB 601 Aa die een vermogen van 1175 pk produceerde, vier 7,92 mm-mitrailleurs en een 20 mm-kanon, een gewijzigde cockpitkap en bepantsering van de cockpit. Het type werd geïntroduceerd in 1939 en werd de meest gebouwde versie van de Bf 109E. Bf 109E-4 Deze versie was uitgerust met andere kanonnen in de vleugels. De E-4/B was een jachtbommenwerperversie die een maximale bommenlast van 250 kg kon meevoeren. De E-4/N was een E-4 met een DB 601N-motor met een vermogen van 1200 pk. De laatste versie van de E-4 was de E-4/trop, een tropenuitvoering met stoffilters en een overlevingspakket voor de Noord-Afrikaanse woestijn. Bf 109E-5