thumb|Voorgevel van het Collegium Trilingue anno 2021 Het Collegium Trilingue, ook wel Collegium trium linguarum, Collegium Buslidianum, College der Dry Tonghen, of, in modern Nederlands, Drietalencollege, was een instituut voor onderwijs in de drie Bijbelse talen – Latijn, Oudgrieks en Hebreeuws – aan de Universiteit van Leuven. Het was het eerste in zijn soort en bestond gedurende 280 jaar, tussen 1517 en 1797.

Stichting

Het Collegium Trilingue werd gesticht met een aanzienlijk legaat uit de nalatenschap van Hieronymus Busleyden (ca. 1470-1517). Busleyden was een Luxemburger van aanzienlijke afkomst: zijn vader was raadsheer van Karel de Stoute. Hij was als jurist gevormd in Leuven (jaren 1490), Orléans (laatste jaren 15e eeuw) en Padua (1501-1503) en hij was tijdens die studies al in contact gekomen met Desiderius Erasmus, een van de leidende intellectuelen in die tijd. Busleyden maakte carrière als topmagistraat onder Filips de Schone, die hem aanstelde tot raadsheer bij de Grote Raad van Mechelen. Daarnaast was hij een humanistische mecenas, kunstminnaar en muziekliefhebber. Het Hof van Busleyden in Mechelen bouwde hij vanaf 1503 uit tot een renaissancepaleis dat o.m. Thomas More van zijn sokken blies (“… ut me plane obstupefecerit …”Uit een brief van Thomas More aan Erasmus, dd 17.2.1516 (Allen, II, 388), geciteerd in Papy (2017a: 24).). In augustus 1517 overleed Busleyden onverwacht, toen hij ziek werd in Bordeaux, op weg naar Spanje met een diplomatieke missie. Als stichtingsdatum voor het Collegium Trilingue wordt 22 juni 1517 gehanteerd, de dag waarop hij zijn testament ondertekende.

Erasmus had zijn vriend Busleyden geadviseerd omtrent de praktische structuur en de organisatie van de nieuwe stichting die uit de testamentaire beschikkingen moest ontstaan. Er zouden een tiental beurzen worden ingesteld voor onvermogende studenten, er werd een beperkt aantal betalende koststudenten tot het nieuwe college toegelaten, en vooral: er waren drie beurzen om gerenommeerde professoren aan te trekken voor elk van de drie talen. Hun lessen zouden gratis en publiek zijn. Een president zag toe op de gang van zaken en stond in voor inkomsten en uitgaven. Erasmus zelf vervulde nooit enige officiële functie aan het Collegium Trilingue, maar als humanist met veel connecties en op het toppunt van zijn Europese faam was hij in de beginjaren de voornaamste sturende en bezielende kracht. Hij bleef dat ook na zijn vertrek uit Leuven, tot aan zijn dood in 1536.

Aanvankelijk was het de bedoeling om de nieuwe stichting te laten aansluiten bij een bestaand college van de universiteit. Dat mislukte door weerwerk van de Artesfaculteit, die vreesde voor concurrentie: aan Artes werd immers ook Latijn onderwezen. Op die manier ontstonden er bijkomende problemen, o.m. qua huisvesting. In april 1519 werd een gebouwencomplex aangekocht met de hoofdingang aan de Vismarkt.Het is een van de laatste renaissancegebouwen in Leuven en staat aan de Busleydengang, bereikbaar vanaf de Vismarkt. Na uitgebreide verbouwingswerken werd het in oktober 1520 ingehuldigd. Behalve een kapel en auditorium, waren er een keuken, een refter, verblijven voor de inwonende studenten en professoren (toegang via de 'Wentelsteen') en een bibliotheek met een zware deur, hengsels en slot: het waardevolle boeken- en manuscriptenbezit van Busleyden vond hier een plaats nadat het per boot vanuit Mechelen was overgebracht. Daar werd evenwel niet op gewacht om de lessen van start te laten gaan: de doortastende bemoeienissen van Erasmus zorgden ervoor dat Matthaeus Adrianus (ca. 1475-na 1521) al vanaf maart 1518 de eerste lessen Hebreeuws gaf, en dat vanaf 1 september in datzelfde jaar Hadrianus Barlandus (1486-1536) en Rutger Rescius (ca. 1495-1545) hem volgden voor respectievelijk Latijn en Grieks.

De aanvaarding van het nieuwe college binnen de universiteit liep niet van een leien dakje. De recente Reuchlin-affaire in Keulen en de eerste démarches van Luther in Duitsland versterkten de afkeer van sommige theologen voor de studie van het Grieks en het Hebreeuws, en de Artesfaculteit wou de onverdeelde zeggenschap over het talenonderwijs. Aanslepende onderhandelingen en interventies van gewichtige personen (onder wie de latere paus Adrianus VI) leidden tot de uiteindelijke erkenning van het Collegium Trilingue als universitair instituut. Het werd niettemin nooit geïncorporeerd in de Artesfaculteit, en het duurde tot maart 1520 voor het door de universiteitsraad aanvaard werd. Deze regeling was te danken aan kardinaal-aartsbisschop Willem van Croÿ die op dat moment studeerde in Leuven, doch reeds in bezat was van hoge kerkelijke ambten.

De 16de eeuw: Een periode van bloei Het nieuwe college kende een moeilijke start. Naast de materiële problemen en de gespannen verhouding met de betrokken faculteiten, liep het ook met de eerste docenten niet zo vlot. Adrianus (Hebreeuws) verdween al in juli 1519 en zijn onmiddellijke opvolgers, eerst Robert Wakefield (d. 1537) en dan Robert Sherwood – beiden Engelsen –, bleven ook maar kort. Barlandus (Latijn) vertrok in november 1519 en werd opgevolgd door Conrad Goclenius (1490-1539). Rescius (Grieks) belandde zelfs tijdelijk in de gevangenis. Zowel de talenstudie in het Collegium Trilingue als Erasmus zelf werden in openlijke disputen en sermoenen aangevallen door sommige professoren in de godgeleerdheid. Jacobus Latomus (ca. 1475-1544) publiceerde de kritiek van de theologische faculteit in zijn Dialogus (1519), een andere theoloog noemde Erasmus’ naam samen met die van Luther, en nog een andere beschuldigde hem openlijk van ketterij.

Toch stond deze moeilijke start een vrijwel onmiddellijk en opzienbarend succes niet in de weg. De nieuwe wetenschappelijke methode die Erasmus propageerde was een uitbreiding van wat de Italiaanse humanisten deden met literatuur uit de Griekse en Romeinse oudheid. Een toepassing ervan op de Bijbelstudie had Lorenzo Valla (ca. 1407-1457) bepleit in zijn Adnotationes in Novum Testamentum, waarvan Erasmus in 1504 een kopie onder ogen kreeg. Die methode werd samengevat in het motto “Ad fontes!”: wetenschappelijk onderzoek moest steunen op het onderzoeksobject zelf en niet op overgeleverde uitspraken ter zake van generaties ‘autoriteiten’. Om die bronnen te kunnen onderzoeken was de talenkennis nodig die aan het Collegium Trilingue onderwezen werd, en dat lokte al in de eerste jaren honderden studenten vanuit de vier windstreken naar Leuven om er de gratis lessen aan het nieuwe college te volgen.

Al in het eerste decennium van zijn bestaan dwong de grote toeloop van studenten tot een uitbreiding van de leslokalen, en dan nog diende Goclenius een paar jaar later zijn lessen tweemaal te geven wegens plaatsgebrek. Het aantal inwonenden (president, professoren, beursstudenten, koststudenten, personeel) bleef al die tijd beperkt tot een twintigtal. Voor hen bestond er naast de lessen een routine van misvieringen en gezamenlijke maaltijden. De studenten verrichtten karweitjes en hadden een speelveld voor kaatsspel. Het eten was rijkelijk en gevarieerd, en bij feestelijke gelegenheden (bijvoorbeeld een bezoek van Erasmus) kon het menu indrukwekkend zijn.

In de eerste halve eeuw na zijn oprichting telde het Collegium Trilingue onder zijn docenten vooraanstaande figuren als Petrus Nannius (1496-1557), die Goclenius opvolgde op de leerstoel Latijn van 1539 tot 1557 en die onder meer geboekstaafd staat als Vergiliuscommentator (Deuterologiae sive spicilegia Petri Nannii Alcmariani in quartum librum Aeneidos Virgilii, 1544). Zijn opvolger Cornelius Valerius (1512-1578) was de leermeester van Justus Lipsius (1547-1606). Wederom steunend op Vergilius en Cicero, die beiden tot de auteurs behoorden die aan het Trilingue intensief werden bestudeerd, schreef hij een reeks leerboeken over onder meer grammatica en retoriek (Grammaticarum institutionum libri, 1550; In universam bene dicendi rationem tabula, 1558). Beide werken werden talloze keren herdrukt tot diep in de zeventiende eeuw. Onder de alumni uit die tijd vinden we een groot aantal namen die bijzondere faam verwierven in allerlei vakgebieden, ook buiten de filologie: cartografen, oudheidkundigen en historici, Bijbelexegeten, pedagogen, medici (waaronder Dodoens en Vesalius), rechtsgeleerden en staatslieden.

Aan die bloeiperiode kwam een eind in het laatste kwart van de 16de eeuw. In die fase van de Tachtigjarige Oorlog werd Leuven bezet door een Spaans garnizoen. De stad en omstreken werden grondig geplunderd, er heerste pest en hongersnood en de universiteit telde nauwelijks nog studenten. Ook aan het Collegium Trilingue werd nog amper les gegeven, de studenten bleven weg en de professoren verlieten hun post.

17de en 18de eeuw thumb|Justus Lipsius, professor Latijn aan het Collegium Trilingue. Rond de eeuwwisseling tussen de 16de en de 17de eeuw lag het Collegium Trilingue er verwaarloosd en vervallen bij, ondanks de aanstelling in 1592 van de eminente humanist en filoloog Justus Lipsius als professor Latijn. Onder een nieuwe president werden de gebouwen hersteld en ook de leerstoelen Grieks en Hebreeuws werden in 1606 en 1612 opnieuw bezet. Hoewel de grote hoogten van weleer nooit meer bereikt werden, beleefde het college een nieuwe bloei in de eerste helft van de 17de eeuw. Erycius Puteanus (1574-1646), de exuberante leerling en opvolger van Lipsius – hij maakte zich onder meer kwaad over het terugschroeven van de docentenwedde in de 17de eeuw – bekleedde de leerstoel Latijn gedurende bijna veertig jaar. Zijn internationaal prestige als opvoeder stond buiten kijf. Zijn collega en tijdgenoot Valerius Andreas (1588-1655) had behalve de leerstoel Hebreeuws nog andere taken als historiograaf en als bibliothecaris van de universiteit. Nicolaus Vernulaeus (1583-1649) volgde Puteanus op van 1646 tot zijn dood in 1649. In zijn Academia Lovaniensis (1627), een geschiedenis van de Leuvense universiteit, stelde hij dat het Collegium Trilingue in elke branche van de wetenschap eersterangsfiguren had voortgebracht.

Daarna deemsterden reputatie en succes stilaan weg. Soms was er nog een opflakkering door toedoen van markante figuren, zoals in het tweede kwart van de 18e eeuw, met Jan Gerard Kerkherdere (1677-1738) als plaatsvervangend docent Latijn, en Jean-Noël Paquot (1722-1803) wat later op de leerstoel Hebreeuws. Van die laatste zijn de Mémoires pour servir à l'histoire littéraire des dix-sept provinces des Pays-Bas, de la principauté de Liège, et de quelques contrées voisines (1763-1770, 18 vols.) nog steeds een belangrijke informatiebron omtrent de geschiedenis van het Trilingue. Voor de professoren was het talenonderwijs aan het college veelal (en soms noodgedwongen) niet meer de eerste prioriteit: zij combineerden het met andere verantwoordelijkheden, voornamelijk in de faculteiten Rechten en Theologie. Het Collegium Trilingue overleefde, maar bloeide niet echt.

De leerstoel Latijn werd na 1768 niet meer bezet, en het Collegium Trilingue werd net zoals de rest van de universiteit onder de Franse bezetting in 1797 opgeheven; de gebouwen werden verkocht. Na de heroprichting van de universiteit in 1834 werd het college nooit meer heringesteld. Een poging van rector Paulin Ladeuze, begin 20ste eeuw, om niet alleen de gebouwen terug te winnen voor de universiteit maar ook opnieuw een internationaal centrum van het humanisme te creëren, leed schipbreuk op de perikelen rond de Eerste Wereldoorlog. Ook een later ‘masterplan’ uit de jaren zeventig van vorige eeuw werd niet gerealiseerd. Van het eens zo vermaarde Collegium Trilingue kreeg het gebouwenblok aan de Vismarkt bestemmingen als sociale woning, drukkerij, ijsfabriek, haringrokerij... Of hoe een parel van het humanisme verwerd tot ‘eine schöne Ruine’, zoals men recent met een welwillend eufemisme omschreef in het buitenland.

Het onderwijs Latijn