Otto III (Kessel, Reichswald, juni of juli, 980 - Castel Paterno bij Faleria, Italië, 23 of 24 januari 1002) was de vierde heerser uit het Saksische Huis van de Liudolfingen, de eerste dynastie van het Heilige Roomse Rijk. Hij werd na de dood van zijn vader, Otto II in 983 op driejarige leeftijd tot koning van Duitsland verkozen en in 996 gekroond tot Rooms-Duitse keizer.

Tijdens zijn minderjarigheid werd het rijk door de keizerinnen Theophanu en Adelheid van Bourgondië bestuurd. Hij verlegde het zwaartepunt van zijn machtsuitoefening naar Italië. Zijn bewind wordt gekenmerkt door zeer individuele beslissingen. Zo zette Otto tegen de zin van de opstandige Romeinse adel met zijn vertrouwelingen Bruno van Karinthië als paus Gregorius V en Gerbert van Aurillac als paus Sylvester II eigen kandidaten op de pauselijke troon.

Vanaf het begin van zijn regeerperiode werd Otto III geconfronteerd met oppositie van de Slaven langs de oostelijke grens van het Rijk. Na de dood van zijn vader in 983 waren de Slavische stammen in opstand gekomen tegen het Heilig Roomse Rijk. Het rijk werd gedwongen om zijn gebieden ten oosten van de Elbe op te geven. In 987 weigerde ook het koninkrijk Frankrijk deel te blijven uitmaken van het Heilig Roomse Rijk.

Otto III zou gedurende zijn gehele regeerperiode vechten om de verloren gebieden voor het Rijk te herwinnen. Hij boekte hierbij echter slechts beperkt succes. Terwijl hij in het oosten was, versterkte Otto III de betrekkingen van het Rijk met Polen, Bohemen en Hongarije. Door zijn activiteiten in Oost-Europa in het jaar 1000 was Otto III in staat om de invloed van het christendom in Oost-Europa sterk uit te breiden. Grote successen waren het besluit van het congres van Gniezno dat het missiewerk van de kerk in Polen gesteund zou worden. Er werd in Polen een van het Heilige Roomse rijk onafhankelijke kerkelijke organisatie opgericht. Een ander succes was de kroning van Stefanus I als eerste christelijke koning van Hongarije.

In 1001 in Rome teruggekeerd werd Otto III met een opstand door de Romeinse aristocratie geconfronteerd, die hem dwong om de stad te ontvluchten. Terwijl hij in 1002 met zijn troepen naar de stad optrok om deze opnieuw in te nemen, werd Otto III door een plotselinge koorts getroffen. Hij stierf op 21-jarige leeftijd in Castel Paterno, een kasteel in de buurt van Civita Castellana. Zonder duidelijke erfgenaam om hem op te volgen stortte zijn vroege dood het Rijk in een politieke crisis. Zijn lichaam werd bijgezet in Aken.

Hij gold lange tijd als een 'onduitse' keizer. Op basis van onderzoek door Percy Ernst Schramm, die de Italiaanse politiek van Otto III ziet binnen het langetermijnconcept van de Renovatio imperii Romanorum (restauratie van het Romeinse Rijk) bediscussieert men in het recentere onderzoek of aan zijn bewind vergaande politieke concepten kunnen worden toegeschreven.

Leven Onzeker begin Otto III was de zoon van keizer Otto II en keizerin Theophanu. Hij had drie zusters: Adelheid, Sophia en Mathilde. Reeds op driejarige leeftijd, nog tijdens het leven van zijn vader, werd hij op een hofdag in Verona in mei 983 door de rijksgroten van Duitsland en Italië tot Duits koning gekozen.

thumb|left|De kinderkroon, die Otto III bij zijn kroning in de dom van Aken zou hebben gedragen, maakt al vele eeuwen deel uit van de domschat van Essen. De reden waarom juist op dat moment de troonopvolging door een driejarige koningszoon zeker moest worden gesteld, wordt niet vermeld in de bronnen. Samen met een deel van de deelnemers aan de hofdag trok de kleine Otto III over de Alpen, om in de traditionele kroningsstad van de Ottonen, in Aken de koningswijding te ontvangen. Toen hij op eerste kerstdag 983 door de aartsbisschoppen Willigis van Mainz en Johannes van Ravenna tot koning werd gekroond, was zijn vader Otto II al drie weken dood. Kort na de kroningsceremonie bereikte het nieuws van zijn dood Aken en dit maakte "een einde aan de feestvreugde". III, blz. 26.

De toestand in het Rijk was zeer onstabiel. In juli 982 werd het Duitse leger in de slag bij Kaap Colonna vernietigend verslagen. Een jaar later werd het succes van de christelijke missiepolitiek door de opstand van de Slaven ten oosten van de Elbe in een klap ongedaan gemaakt. III, blz. 17-18. De dood van Otto II leidde in Italië tot een groot aantal opstanden tegen de Ottoonse heerschappij. Deze precaire situatie maakte veel bisschoppen terughoudend om voor een lange regering van een driejarige te kiezen.

Tijdens zijn minderjarigheid nam zijn moeder tot haar dood in 991 het regentschap voor haar rekening. Vervolgens was zijn grootmoeder Adelheid van Italië tot bij zijn meerderjarigheid in 994 regent. Hij was toen veertien jaar.

Strijd om de opvolging van Otto II thumb|Hendrik de Ruziezoeker in Frankische dracht (miniatuur uit het regelboek van het Niedermünster (Staatsbibliotheek Bamberg, Msc.Lit.142, fol 4v) circa 985).

Als lid van de Beierse lijn was hertog Hendrik II van Beieren de naaste mannelijk verwant. De wegens gewapend conflict in Utrecht gevangen zittende Hendrik werd onmiddellijk nadat de dood van Otto II in Utrecht bekend was geworden door bisschop Folcmar van Utrecht vrijgelaten. De aartsbisschop van Keulen, Warin van Keulen, gaf hem conform het verwantschaprecht (ius propinquitatis) de net gekroonde jonge koning in bewaring. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt, want behalve Otto's moeder Theophanu bevonden ook zijn grootmoeder Adelheid van Bourgondië en zijn tante Mathilde zich nog in Italië. Hendrik II ("de Twistzieke" of "de Ruziezoeker" genaamd) bracht Otto III en zijn zusje Adelheid in het voorjaar van 984 onder in de burcht Ala bij Goslar. Alles wijst er op dat ze goed verzorgd werden (bij de Karolingische en Byzantijnse dynastieën was het niet ongebruikelijk dat een als rivaal beschouwd familielid in een vergelijkbare situatie werd verminkt of gedood: Theophanu divina gratia imperatrix augusta:Western and eastern emperorship in the later tenth century. In: Davids, Adelbert: The Empress Theophano. Byzantium and the West at the turn of the first millennium. Cambridge University Press 1995, blz. 18)

De verdere activiteiten van Hendrik II van Beieren waren namelijk niet zozeer gericht op een plichtsgetrouwe invulling van het voogdijschap. In plaats daarvan probeerde hij zelf koning te worden. Hendrik II sprak al snel een bijeenkomst in Breisach af met de West-Frankische koning Lotharius, die in dezelfde graad verwant was aan de jonge Otto III als Hendrik II.Lotharius en Hendrik II waren net als Otto II directe kleinzonen van Hendrik I. Om onbekende redenen zag Hendrik echter van de geplande ontmoeting met Lotharius af. Hij vertrok onmiddellijk vanuit Keulen, waar hij de jonge Otto III in zijn macht had genomen via de Abdij van Corvey naar het hertogdom Saksen. IV, blz. 1 In Saksen nodigde Hendrik alle groten van het hertogdom in Maagdenburg uit voor de viering van Palmzondag. Hier voerde hij openlijk campagne voor zijn koningschap, echter met weinig succes. Toch waren zijn aanhangers nog steeds talrijk genoeg om naar Quedlinburg te trekken om daar in aansluiting op de Ottoonse traditie, het paasfeest te vieren. Hier probeerde in hij onderhandelingen de instemming van de aanwezigen te verkrijgen om tot koning te worden verheven. Hij slaagde erin dat velen hem "hun steun toezegden door hem middels een eed als koning en heer te erkennen". IV, blz. 2 Onder degenen die Hendrik ondersteunden waren Mieszko I van Polen, Boleslav II van Bohemen en de Slavische prins Mistui.

Om het koningschap van Hendrik II te voorkomen, verlieten zijn tegenstanders Quedlinburg. Op de Asselburg kwamen zij in een zweerverbond (coniuratio) bijeen. Toen Hendrik II hiervan op de hoogte werd gesteld, trok hij met militaire eenheden van Quedlinburg naar Werla, in de buurt van zijn tegenstanders, om hen ofwel uiteen te drijven ofwel een regeling met hen te treffen. Ook stuurde hij bisschop Folcmar van Utrecht naar hen toe om middels onderhandelingen tot een oplossing van het probleem te komen. In deze onderhandelingen werd duidelijk dat de tegenstanders van Hendrik II niet bereid waren om "af te zien van hun gezworen trouw aan hun koning." IV, blz. 4 Hendrik kreeg slechts een garantie voor toekomstige vredesonderhandelingen in Seesen. Daarop vertrok Hendrik II plotseling naar Beieren; daar werd hij door alle bisschoppen en een aantal graven erkend. Na zijn mislukkingen in Saksen en successen in Beieren hing nu alles af van de beslissing van de Frankische groten. Dezen bleken echter onder geen enkele omstandigheid afstand te nemen van en troonopvolging door Otto III. Hendrik II vreesde nu een militair conflict. Hier schrok hij voor terug. Op 29 juni 984 gaf hij het koninklijke kind in het Thüringse Rohr terug aan zijn moeder en grootmoeder.

Regentschap van de keizerinnen (985-994) De lange periode van het regentschap van de keizerinnen bleef grotendeels vrij van conflicten. Vanaf 985 tot haar dood oefende Otto's moeder Theophanu de regeringsmacht uit. Tijdens haar regentschap zette zij in voor het hernieuwd instellen van het bisdom Merseburg, dat door haar man Otto II in 981 was opgeheven. Verder nam Theophanu de hofkapelaans van de kapel van Otto II over. De leiding bleef in handen van de kanselier bisschop Hildebold van Worms en aartskapelaan Willigis van Mainz. Beide bisschoppen ontwikkelden zich door regelmatige interventies tot co-regenten van de keizerin. alt=Deventer, Denarie keizer Otto III. Zilver, gewicht 1,41 g., diameter ca. 19 mm. Voorzijde.: Gekroond hoofd v.v., driepuntige kroon met daarop kruis. Omschrift: REX.ODDO (deels leesbaar). Keerzijde.: Kort kruis met in de hoeken vier punten, omschrift: DAVENTRE.|miniatuur|Zilveren denarie of penning van Keizer Otto III, geslagen te Deventer, ca. 990. In 986 vierde de vijfjarige Otto III het paasfeest in Quedlinburg. De vier hertogen Hendrik II ("de Ruziezoeker") van Beieren als aartsdrossaard, Koenraad I van Zwaben als kamenier, Hendrik de Jongere van Karinthië als schenker en Bernhard I van Saksen als maarschalk IV, blz. 9 oefenden hier de hofambten uit. Deze dienst door de hertogen werd al bij de kroonsbestijgingen van Otto I de Grote in 936 in Aken en ook die van Otto II in 961 verleend. Door middel van deze dienst symboliseerden de hertogen bij het feest hun bereidheid om de jonge koning te dienen. Daarnaast symboliseerde de dienst van Hendrik II ("de Ruziezoeker") van Beieren op de plaats waar hij twee jaar eerder zijn mislukte usurpatie was gestart, zijn volledige onderwerping aan de koninklijke genade. Otto III ontving van graaf Hoico en van Bernward, de later bisschop van Hildesheim, een uitgebreide opleiding in hoofs- en ridderlijkheid, alsook een geestelijke opleiding en opvoeding.

Tijdens het regentschap van Theophanu brak het zogenaamde Gandersheimse conflict uit. Dit ging om de vraag of de abijd van Gandersheim onder het bisdom Hildesheim of onder het bisdom Mainz ressorteerde. Het startpunt van het geschil was de vraag in welke vorm de inhuldiging van zijn zuster Sophia als Sanctimoniale moest worden gegoten. Zij wilde zich niet onder leiding van de bevoegde Hildesheimse bisschop Osdag van Hildesheim stellen en wendde zich in diens plaats tot de Mainzse aartsbisschop, Willigis. Een dreigende escalatie van dit conflict werd in aanwezigheid van koning Otto III en zijn keizerlijke moeder Theophanu eerst daardoor vermeden, dat Sophia onder beide bisschoppen zou ressorteren, terwijl de rest van Sanctimonialen alleen onder Osdag zou vallen., Vita Bernwardi, hfdst. 13rechtop=1.2|thumb|left|Detail voorkant Codex Aureus Epternacensis met links Otto III