Linde (Tilia) is een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie (Malvaceae). Lindesoorten komen voor op het noordelijk halfrond in Europa, Noord-Amerika en Azië.
De linde kan zeer oud worden. Afhankelijk van de soort of variëteit kan ze 20 tot 30 meter hoog worden.
Uiterlijke kenmerken Linden zijn bladverliezende, hoge tot middelhoge bomen. Ze hebben over het algemeen een dichte kroon met veel twijgen. De meeste linden in Europa en de Amerikaanse linde groeien uit tot bomen van 25 à 30 (soms 40) meter hoog. Volgroeide bomen hebben grote kronen en dikke stammen (in Nederland met een omtrek van soms wel 6 meter). Linden van het Aziatische vasteland (bijv. T. chinensis, T. mongolica en T. oliveri) worden 10 tot 15 meter hoog. In Japan worden T. japonica en T. maximowicziana 20 tot 30 meter hoog. De kroonvorm van de verschillende soorten is over het algemeen breed, maar varieert van (ei-)rond tot pyramidaal en kegelvormig.Fontaine 1989, p. 29.
Hoewel de stam van de meeste linde-soorten zwaar en dik is, gaat deze niet altijd recht omhoog. Verschillende breed-uitdijende soorten hebben een stam die zich halverwege (of nog veel lager) splitst in zware opgaande stammen met zwaar afstaande gesteltakken.
De meeste linden groeien echter allemaal min of meer op dezelfde manier. Als ze goed in het licht staan ontwikkelt zich een verticale as van de eerste orde, waarlangs assen van de tweede orde radiaal aftakken in een hoek van 40 tot 80º. Takken van de derde orde staan ongeveer horizontaal in twee rijen. Omdat de lengtegroei van de tweede orde takken in eerste instantie minder is dan die van de primaire, krijgt de boom een conische vorm. Als de boom in de schaduw opgroeit, zullen de takken van de tweede orde ook in twee vlakken staan en een platte scheut vormen die horizontaal afbuigt. Pigott (2012)Pigott 2012, p. 3; let vooral op de afbeeldingen 2.1 a en b. baseert zich hieromtrent op het werk van Harry Marshall Ward uit 1909, die de ontwikkeling van de vorm van allerlei soorten bomen beschrijft. Zie o.a. p. 71-73 (figuur 18-21 voor vier stadia in de ontwikkeling van "the Lime-Willow type") en 86 f.
Jonge linden hebben een gladde bast. Pas als de boom ouder wordt krijgen de stam en de hoofdtakken verticale en soms diep gespleten schorsgroeven. Daartussen vormen zich eveneens verticale, vrij platte en tamelijk smalle schorsruggen. Er kan op oudere leeftijd bij soorten zoals T. x vulgaris en T. platyphyllos knobbelvorming optreden. Die grote tot zeer grote bobbels op de stam en de basis van de hoofdtakken zijn geheel overdekt met schubbige schorsplaatjes. Op die knobbels ontstaan in schorsspleetjes knoppen waaruit korte zomerloten ontspruiten. De kleur van de schors varieert van licht en zilverig tot grauw-grijs en bruinig-grijs.Fontaine 1989, p. 31.
Twijgen staan over het algemeen breed-spreidend. Ze zijn slank, maar stevig. Vanaf de basis dragen ze in afwisselende stand in twee rijen ruim geplaatste kortere zijtwijgen die naar de top overgaan in kortloten. Bij sommige soorten kunnen de twijgen wat dunner en slapper zijn, waardoor ze overhangen. De twijgen zijn kaal of zacht behaard en kunnen geel, groen, (rood-)bruin tot bijna zwart-grauw zijn.
links|thumb|Tak van Hollandse linde
Blad Bladeren (en knoppen) afwisselend in twee rijen aan weerszijde op de twijgen geplaatst.Goudzwaard 2013, p. 379 en Fontaine 1979, p. 31. Bladeren hartvormig en handnervig. De bladrand is enkelvoudig gezaagd, soms getand of gelobd. De bladvoet is min of meer scheef, maar begint in tegenstelling tot de iep aan beide zijden van de bladsteel op gelijke hoogte aan de steel. De bladeren zijn, afhankelijk van de soort, van 3 à 6 cm lang en breed, tot 5 à 12 cm lang en breed; soms zijn de bladeren wat langer dan breed. Over het algemeen is de bladsteel vrij lang; maar bij T. cordata niet meer dan 1 tot 3 cm. Soms is de bladsteel langer dan de halve bladschijf. Bij een aantal soorten zijn blad en bladsteel bij het uitlopen donzig behaard. Die beharing verdwijnt later, of blijft alleen aan de onderzijde.
In de nerfoksels, aan de onderzijde van de bladeren blijven bij veel soorten lichtgrijze, wittige of bruinige haartoefjes aanwezig, de acarodomatiën. Daarin wonen mijten die een afweer tegen luizen en rupsen vormen.Heimans 1906, p. 68-69; Fontaine 1979, p. 31; Mauritz 2009, p. 19.
De kleur van het blad is vaak frisgroen met een lichtere onderzijde, maar soms diep-groen met een wittige tot zilverwittige onderzijde (zilverlinde) of met een blauwgroene onderzijde (winterlinde).
Bloei Linden bloeien in de voorzomer, dus na de bladontwikkeling. De bloeiwijze ontwikkelt zich op jonge twijgen. In de regel zijn het hangende, okselstandige trosjes van kleine geel-witte of lichtgele bloemen aan een vrij lange, gemeenschappelijke steel. Met die steel is een tongvormig, vliezig en aanvankelijk bleekgroen schutblad vergroeid. De lengte waarover deze "bracteeën" met de bloemsteel zijn vergroeid, is een belangrijk determinatie-kenmerk voor de verschillende soorten linden. De bloemtrosjes worden 7 tot 10 cm lang en bestaan uit 3 tot 15 kleine, tweeslachtige bloempjes. Ze zijn soms fijn viltig of donzig behaard. De bloempjes zijn vijftallig en hebben een losbladige bloemkroon, omgeven door vijf napvormige kelkblaadjes. Binnen de bloemkroon staan 10 of meer meeldraden, die minstens zo lang zijn als de kroonbladeren. Sommige soorten hebben staminodiën: steriele meeldraadachtige elementen, zonder helmknoppen. Het vruchtbeginsel is bovenstandig en loopt uit in één slanke stijl. Het is vijfhokkig. De stamper is gevormd uit meer dan één vruchtblad met een vijfdelige stempel.Fontaine 1979, p. 33.
Vrucht De vrucht van de linde is een vrij klein, rond tot stomp-peervormig nootachtig vruchtje. Het wordt ongeveer 6 tot 10 mm lang en ongeveer even dik. Aan een vruchttros komen in de regel evenveel vruchtjes als er bloempjes waren. De vruchtwand is dun, of wat dikker, maar in rijpe, droge toestand gemakkelijk te verpulveren en bevat drie, soms vijf zaden. De vruchttros wordt bij rijping, mét de droge en vliezige bractee, (grauw-)grijs of dofgroen-grijs. De bractee dient als "draagvleugel" bij verspreiding door de wind.
Taxonomie In het Cronquist-systeem (1981-1998) vormde Tiliaceae een afzonderlijke familie met 35 à 40 geslachten en ongeveer 400 soorten. Die waren grotendeels van tropische origine. Bekend voorbeeld: de kamerlinde (Sparmannia africana). Van die familie kwam het geslacht Tilia alleen voor in de gematigde zone van het noordelijke halfrond.De Jong 1992, p. 35.
Sinds de introductie van het APG-systeem in 1998 wordt Tilia beschouwd als een onderdeel van de sterk vergrote familie Malvaceae. id. APG II (2003) en APG III (2009).
Het idee van een aparte familie voor Tilia en verwante geslachten leeft nog voort in het feit dat Tilioidae soms als een onderfamilie (van Malvaceae) wordt beschouwd. De exacte relatie tussen de verschillende subfamilies binnen de Malvaceae leek anno 2013 nog niet te zijn vastgesteld.Goudzwaard 2013, p. 379. Als een reactie op de introductie van de "superfamilie" der Malvaceae, besloot Heywood in 2007 om de Tiliaceae als familie te handhaven.Heywood c.s. 2007, p. 321. In aansluiting daarop heeft Pigott in zijn gezaghebbende monografie van Tilia gekozen voor het handhaven van de Tiliaceae als familie, zelfs als die familie uitsluitend uit het geslacht Tilia zou moeten bestaan. Maar volgens Pigott moet ook Mortoniodendron, een genus van houtige gewassen uit Midden-Amerika, tot de familie gerekend worden; hij acht het zeer waarschijnlijk dat dit ook het geval is voor Craigia, een geslacht van Chinese bomen.Pigott 2012, p. 1-2.
Soorten Het onderscheiden van lindesoorten is soms lastig. "Zelfs Linnaeus had er moeite mee." Uit het overzicht dat De Jong in 1993 publiceerde blijkt duidelijk hoe groot de veranderingen in de taxonomie binnen het geslacht zijn. Hij meldt dat Hardin in 1990 het aantal soorten voor Amerika tot één had teruggebracht. Voor China is een totaal van 32 soorten beschreven. Hij verwacht dat ook het aantal Chinese soorten aanzienlijk zal afnemen bij nadere studie.De Jong 1993, p. 48.
Aan het begin van de twintigste eeuw werden door Engler (1909) 25 soorten onderscheiden, waarvan anno 1992 er alweer vijf de status van synoniem hadden gekregen. In totaal werden op het moment van publicatie van de studies van De Jong ruim 60 soorten onderscheiden.Helemaal duidelijk is dit niet: in De Jong 1992, p. 35 is sprake van 60 soorten; in De Jong 1994, p. 91 (English summary) wordt over ongeveer 45 soorten gesproken. In het derde deel van zijn overzicht van het geslacht TiliaDe Jong 1994. bespreekt De Jong een tiental hybriden en daarnaast nog zes hybriden die (nog) onbenaamd waren.
Fontaine (1989) stelt het aantal soorten op 25 en noemt daarnaast een vijftal hybriden.Fontaine 1989, p. 3.
In The Hillier Manual of Trees & Shrubs wordt gesproken over ongeveer 45 soorten.Hillier & Coombes 2007, p. 364.
In Plants of the World Online worden 33 soorten en 6 hybriden onderscheiden. Hiervan komen 5 soorten en 2 hybriden in Nederland voor: Tilia americana – Amerikaanse linde Tilia cordata – Winterlinde of kleinbladige linde Tilia dasystyla – Kaukasische linde Tilia platyphyllos – Zomerlinde of grootbladige linde Tilia tomentosa – Zilverlinde Tilia ×euchlora (T. cordata × T. dasystyla) – Krimlinde Tilia ×europaea (T. cordata × T. platyphyllos) – Hollandse linde
Van diverse soorten en kruisingen zijn daarnaast cultivars geselecteerd. Zo zijn de 'zwarte linde' en de 'koningslinde' beide cultivars van de Hollandse linde.
De winter- en de zomerlinde komen van nature in de Benelux voor. Ze behoren hier tot de grootste loofbomen en hebben hun biotoop met name in beekdalen.
Ecologische waarde In juni bloeit de linde rijkelijk. In de kelkblaadjes van de lindebloemen bevinden zich kliertjes die nectar afscheiden, de bron van de lindebloesemhoning. Deze nectar is een belangrijke voedselbron voor bijen en hommels, maar laat in het seizoen zijn er vaak dode hommels onder lindebomen te vinden. Vroeger werd wel gedacht dat de nectar in die tijd giftig zou zijn, maar de zachte, zoetige geur van de lindebloesem blijft een sterke aantrekkingskracht uitoefenen ook als de nectar al op is. De hommels gaan dood van honger.
Vermeerdering De boom vermeerdert zich door zaden en door wortelopslag, maar wordt ook vegetatief vermeerderd door stekken. Aan de steel van de bloeiwijze zit een langwerpig blaadje dat, als de rijpe vruchtjes naar beneden vallen, zorgt voor een tollende beweging, waardoor de zaden langer in de lucht blijven en dus door de wind verder verspreid kunnen worden. Het blaadje is voor een deel vergroeid met de steel van de bloeiwijze.
Gebruik Boom De linde wordt veel gebruikt als leiboom. Dan wordt ze wel leilinde genoemd. Takken worden hierbij horizontaal gebogen en aan een frame vastgemaakt. In volgende jaren worden de scheuten op de stam en scheuten die de verkeerde kant op groeien gesnoeid. Op die manier ontstaat een dicht bladerscherm, dat met name in de zomer verkoeling in huis biedt. Ook komen er knotlindes voor het beschaduwen van vee, markten of terrassen voor.
Tanzlinde thumb|Tanzlinde, een dans- en gerechtslinde Sachsenbrunn thumb|Tanzlinde in Schenklengsfeld, 1200 jaar oud In Duitsland kunnen nog "tanzlinden" worden aangetroffen Dit betreft een bijzondere vorm van een leilinde. De bomen werden hierbij zo gesnoeid dat onder / tussen de bomen ruimte ontstond die het middelpunt vormde voor dorpsfeesten en andere gebruiken. Tegenwoordig zijn er nog maar in een paar Duitse dorpen "tanzlinden" te vinden.
Lindes worden veelvuldig aangeplant als herdenkingsboom. Zo heeft Staatsbosbeheer de Nederlandse gemeenten een 'koningslinde' aangeboden ter gelegenheid van de geboorte van prinses Amalia. In 260 van de 403 gemeenten van Nederland is deze op de Nationale Boomfeestdag geplant.
Bloemen