thumb|Landverlaters, door Eugène Laermans, 1896 De immigratie in Nederland betreft het zich vestigen van mensen binnen de landsgrenzen van de Nederlandse staat.

Al voor er een staat was, werden de gebieden van de Nederlanden duizenden jaren lang steeds weer bevolkt door landverhuizers. Iedereen in Nederland stamt, als men maar lang genoeg in de geschiedenis teruggaat, uiteindelijk af van immigranten. De immigratie was vroeger vaak massaal, in de vorm van het binnenvallen van hele volksstammen.

In de zestiende eeuw was er een burgeroorlog tussen protestanten en katholieken. De protestanten stichtten in de Noordelijke Nederlanden een eigen republiek, de Verenigde Provinciën. Tienduizenden geloofsgenoten vluchtten van het zuiden naar het noorden toe. Later kwamen daar Joden bij en Franse hugenoten. Al deze immigranten droegen veel bij aan de welvaart van de Republiek. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw trokken ook een half miljoen "Duitse"De "Duitse" migranten kwamen uit de staten van het Heilige Roomse Rijk, met name die welke direct ten oosten van de Republiek lagen. Het is problematisch ze als Duitsers te benoemen omdat die nationale identiteit toen nog niet in de huidige zin van het woord bestond. en Oost-Europese werkkrachten naar het welvarende land.

In de negentiende eeuw verarmde Nederland en er was weinig (arbeids)immigratie. In de twintigste eeuw namen immigratie en emigratie geleidelijk steeds sterker toe. Dat kwam door een proces van globalisering: mensen werden rijker, reizen werd goedkoper en sneller, internationale handel en vervoer stegen in omvang en in de verschillende landen begonnen de culturen naar elkaar toe te groeien. Dat gold vooral voor de westerse landen onderling. De meeste migratie naar en uit Nederland bestond en bestaat uit vele miljoenen westerse migranten. De rest van de wereld werd in de globalisering betrokken en zo kwamen ook mensen met een meer afwijkende cultuur naar Nederland. Die kleinere immigratiestroom heeft meestal meer aandacht gekregen, naast, ten dele daarmee overlappende, immigratiegolven van oorlogsvluchtelingen.

In 1914 vluchtten tijdens de Eerste Wereldoorlog een miljoen Belgen naar Nederland die meestal weer snel terugkeerden. In de jaren dertig probeerden Duitse Joden er een veilig heenkomen te zoeken maar werden vaak geweigerd of zelfs opgespoord en teruggestuurd, de dood tegemoet. Uit schaamte hierover werd na de Tweede Wereldoorlog het asielrecht verbeterd. Tussen 1946 en 1962 immigreerden zo'n vierhonderdduizend mensen uit Nederlands-Indië toen dat het onafhankelijke Indonesië werd.

Tussen 1960 en 1974 groeide de economie zo hard dat er buiten Europa een 150.000 gastarbeiders werden geworven voor de industrie. Vanwege de Eerste Oliecrisis werd die werving beëindigd maar door gezinshereniging, gezinsvorming met een immigrerende partner en een natuurlijke bevolkingsaanwas zouden de aantallen Turken en Marokkanen blijven toenemen, groepen die economisch sterk getroffen werden door de Tweede Oliecrisis. In 1974 leidde de onafhankelijkheid van Suriname tot een immigratie van uiteindelijk een kwart miljoen. In de jaren negentig leiden oorlogen en hongersnoden tot de vestiging van ruim 120.000 asielmigranten en in hetzelfde decennium kwam een groeiende arbeidsmigratie uit Oost-Europa op gang. Tegelijkertijd verbeterden het opleidingsniveau en de werkgelegenheid van Surinamers, Turken en Marokkanen aanzienlijk. Door de Wet Cohen daalde na 2000 de asielmigratie sterk. Hetzelfde gold voor de gezinsvorming, door strengere maatregelen van Rita Verdonk in 2004, samenvallend met een daling van de geboortecijfers onder Turken en Marokkanen. Na 2005 daalden de misdaadcijfers met een derde, ook onder migrantengroepen. Deze ontwikkelingen vielen samen met een groei in populariteit van politieke bewegingen die uitgesproken negatief tegenover immigratie staan, zoals eerst de LPF en later de PVV.

Migratie tot 1572 Het gebied dat later Nederland zou worden, is pas door immigratie bevolkt geraakt: de mens is hier immers niet geëvolueerd. De oudste menselijke wezens waarvan sporen gevonden zijn, waren de Neanderthalers. Later trok de moderne mens ofwel Homo sapiens er binnen in de vorm van kleine groepjes jager-verzamelaars. Zo'n zevenduizend jaar geleden arriveerden ten gevolge van de Neolithische revolutie de landbouw en veeteelt in Noordwest-Europa, hierheen gebracht door migranten uit Klein-Azië. Ruim tweeduizend jaar geleden trokken stammen Germanen het gebied binnen, waaronder de beroemde Batavieren. In de vroege middeleeuwen waren er ingewikkelde migratiebewegingen in de Grote Volksverhuizing. Traditioneel spreekt men van de vestiging in deze contreien van Friezen, Saksen en Franken. Deze 'stammen' kwamen niet in hun geheel van elders maar bestonden uit elites die de autochtone bevolking onder zich organiseerden in nieuwe sociale en militaire verbanden. Na de invallen van de Noormannen tot de elfde eeuw hield de stamsgewijze migratie op en werd het verschijnsel individueler van karakter. Van echte immigratie vanuit het ene naar het andere land kon overigens nog geen sprake zijn omdat de Nederlandse gewesten slechts een los geheel vormden binnen het Heilige Roomse Rijk.

De toenemende verstedelijking en handel trokken rijke Italiaanse en Joodse kooplieden en bankiers aan en de deelname aan het Hanzeverbond bracht in de aangesloten steden een voortdurende migratiebeweging van stadsburgers teweeg, die kantoren in elkaar steden vestigden en daar hun familieleden en dienstpersoneel te werk stelden.

Immigratie naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden thumb|Migratieonderzoeker Leo Lucassen over hoe massa-immigratie Nederland rijk heeft gemaakt - Universiteit van Nederland

Vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden

Sinds 1572, het begin van De Opstand tegen de landsheer Filips II, de koning van Spanje, ontwikkelden de noordelijke gewesten der Nederlanden zich tot een soevereine staat. Deze Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd vanaf het einde van de zestiende eeuw een belangrijke handelsnatie, die veel vreemdelingen aantrok. Omdat dit nieuwe Nederland bekendstond als betrekkelijk tolerant en al vroeg een zekere mate van vrijheid van godsdienst kende, kwamen er uit de Nederlandse gewesten die onder Spaans-Habsburgs bestuur bleven en ook rechtstreeks uit Spanje en Portugal veel godsdienstvluchtelingen naar de vrijgevochten noordelijke gewesten. Enkele zuidelijke en dan met name Waalse gewesten hadden zich in 1579 met Filips II verzoend krachtens de Unie van Atrecht. Calvinistische gemeenten zoals die van Doornik (Tournai) vertrokken naar de noordelijke Nederlanden en stichtten daar de zogenaamde Waalse kerken. De verovering van andere zuidelijke gewesten met als afsluiting de Val van Antwerpen in 1585 en de invoering van de Contrareformatie brachten een aanzienlijke intern Nederlandse migratie op gang vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar de noordelijke Nederlanden. Behalve godsdienstige speelden economische redenen een grote rol. De immigranten behoorden vaak tot de gegoede klasse; armen konden zich de kosten van een uitwijking niet veroorloven. Deze emigratiegolf vond zijn hoogtepunt na de val in 1584 van de toen calvinistische stad Gent en in 1585 van het in meerderheid door calvinisten en lutheranen bewoonde Antwerpen. De afsluiting van de Schelde door de (Noordelijke) Republiek betekenden Antwerpens neergang en die van de zuidelijke Nederlanden. De noordelijke Nederlanden en in de eerste plaats Amsterdam konden op deze neergang hun Gouden Eeuw opbouwen.

Vanaf 1580 tot circa 1630 kwamen 150.000 vluchtelingen, onder wie Vlamingen, Brabanders, maar ook Franstalige inwoners uit de Waalse gewesten, naar het Noorden, vaak via een omweg die verliep door Engeland (Londen) en verschillende Duitse landen, net name steden als Emden in Oost-Friesland, Wezel in Kleverland, Frankfurt in Hessen, waar zich tussen 1540 en 1589 grote Nederlandse religieuze gemeenten hadden ontwikkeld.

Na 1585 halveerde de Antwerpse bevolking in korte tijd. Het omgekeerde gebeurde in de Hollandse en Zeeuwse steden. Het aantal inwoners van Amsterdam steeg door de komst van de vluchtelingen van 30.000 in 1578 tot 108.000 in 1622. De welgestelde immigranten brachten hun kennis en vaardigheden mee. Ook andere Hollandse en Zeeuwse steden vermeerderden hun bevolking met de helft of meer door deze immigratie zoals Leiden waar wevers uit de Westhoek (later Frans-Vlaanderen) zich vestigden, en Middelburg dat veel Gentenaren opnam. De handwerkslieden, waarvan velen uit de textielnijverheid en de diamantnijverheid, brachten hun technieken mee en verplaatsten daardoor het zwaartepunt van deze nijverheden naar het Noorden. De reacties van de plaatselijke bevolking op de komst van deze immigranten verschilden van plaats tot plaats. Omdat velen gevlucht waren om godsdienstige redenen, werden zij door de protestantse minderheid goed onthaald want zij versterkten de positie van de officiële calvinistische kerk aanzienlijk en vormden de basis van wat later als haar typisch 'Hollandse' karakter aangeduid zou worden. Toch waren er ook wrijvingen tussen de verschillende migrantengroepen: calvinisten, lutheranen, wederdopers. Door hun grote aantal, in de Republiek woonden toen ongeveer 2 miljoen inwoners, en hun orthodoxe calvinisme was er bij vrijzinnige Hollandse regenten aanvankelijk huiver om Zuidnederlanders naast zich in het openbaar bestuur een plaats toe te staan. In het blijspel De Spaanse Brabander uit 1617 van Gerbrand Adriaensz. Bredero wordt dat plastisch en humoristisch weergegeven.

Joodse immigranten en hugenoten thumb|Een boekwinkel van hugenoten in Amsterdam Ook uit andere delen van Europa kwamen stromen immigranten op gang, onder anderen de Portugese en Spaanse Joden (Sefardim) in de zestiende eeuw, op de vlucht voor de Spaanse inquisitie. Asjkenazim, dat wil zeggen Jiddisch- of Duitstalige Joden, officieel Hoogduitse Joden genoemd, arriveerden vanaf het begin van de zeventiende eeuw, gevolgd door hugenoten uit Frankrijk na 1685. Zij kozen Nederland omdat ze in hun land van herkomst vervolgd of gediscrimineerd en ten slotte uitgewezen werden vanwege hun religie. De hugenoten werden als calvinistische geloofsgenoten opgenomen in de staatskerk en ontvingen zelfs een zekere bevoorrechting. Onder hun bevonden zich vooral intellectuelen en ondernemers. Ze bouwden in Amsterdam een internationale reputatie op als drukkers en uitgevers van Franstalig werk dat in Frankrijk verboden was. Voor de Asjkenazim was armoede naast discriminatie een drijfveer om Oost- en Midden-Europa te verlaten. Nog twee eeuwen zouden zij een zeer arme bevolkingsgroep van kleine handelaren blijven die met moeite en met de hulp van weinige welgestelde Joden een bestaansgrond kon behouden. Een rijke Sefardische bovenlaag kon ruimhartiger bescherming bieden aan de minvermogenden binnen hun eigen gemeente. Overigens ging de tolerantie van de overheden ten aanzien van Joden niet verder dan dat hun verblijfsrecht werd toegekend zolang zij geen beroep deden op openbare middelen en de armlastigen in hun gemeenschap zelf onderhielden. Hun rechtsverhoudingen dienden zij volgens hun eigen religieuze regels op orde te houden. Pas in de tijd van de Franse Revolutie werden Joden gelijkberechtigd als staatsburger en kwamen zij onder het (seculiere) burgerrecht te vallen.

Vluchtelingen uit Protestantse staten