Het paltsgraafschap aan de Rijn, de Keur-Palts of kortweg de Palts (Duits: kurfürstliche Pfalzgrafschaft bei Rhein (Kurpfalz), Latijn: palatinatus rheni) was een wereldlijk rijksvorstendom in het Heilige Roomse Rijk. Het Paltsgraafschap ontstond in de hoge middeleeuwen en werd in 1803 opgedeeld. In de 13e eeuw werd de Palts een van de zeven keurvorstendommen in het Heilige Roomse Rijk, waardoor de paltsgraaf het recht had om mede de Rooms-Duitse koning te kiezen.
Het territorium van de Palts bestond uit verschillende niet-aaneengesloten gebieden aan beide zijden van de Rijn. In de loop van de geschiedenis werd het gebied regelmatig uitgebreid, maar veel gebieden gingen later weer verloren. Het politieke, economische en culturele centrum van het land lag rond de samenvloeiing van de Neckar en de Rijn. Hier lagen ook de oude hoofdstad Heidelberg en de latere hoofdstad Mannheim. Tussen 1329 en 1623 was ook de Opper-Palts, in het noorden van Beieren, een onderdeel van het keurvorstendom. In 1512 werd de Palts ingedeeld bij de Keur-Rijnse Kreits.
Als keurvorstendom was de Palts een van de invloedrijkste gebieden in het Heilige Roomse Rijk. De macht van de Palts bereikte een hoogtepunt tijdens de regering van Paltsgraaf Ruprecht als Rooms-koning (1400–1410). Het land bereikte zijn grootste territoriale omvang aan het einde van de 15e eeuw. In de late 16e en vroege 17e eeuw speelden de keurvorsten een grote rol als aanvoerders van de calvinistische vorsten in het Heilige Roomse Rijk. Tijdens de Dertigjarige Oorlog en de Negenjarige Oorlog werd het land verwoest en de bevolking gedecimeerd, waardoor de Palts zijn politieke betekenis verloor. Economisch was de Palts vooral bekend als wijnproducent.Bij het schrijven van dit artikel is gebruikgemaakt van (2008): Kleine Geschichte der Kurpfalz, derde druk, G.Braun Buchverlag, Karlsruhe.
Geschiedenis thumb|De koningstroon in de Dom van Aken. De Paltsgraven van Lotharingen waren onder andere verantwoordelijk voor de koningpalts in Aken.
Het ontstaan van het paltsgraafschap Hoewel de lijn van paltsgraven aan de Rijn teruggaat tot de 10e eeuw kwam het gebied dat met deze titel verbonden was pas in de 12e eeuw vast te liggen. In 1214 kwam de Palts in handen van een vaste dynastie: het huis Wittelsbach.
Paltsgraven waren oorspronkelijk verantwoordelijk voor het onderhoud en de bevoorrading van koninklijke paltsen, paleizen waartussen de koning op reizen heen en weer trok. In de 10e eeuw bestonden er in het Heilige Roomse Rijk tegelijkertijd verschillende paltsgraven, die elk voor de paltsen in een deel van het Rijk verantwoordelijk waren. De meeste paltsgraafschappen verdwenen echter in het verloop van de middeleeuwen.
De voorlopers van de paltsgraven aan de Rijn waren de paltsgraven van Lotharingen. In 985 verkreeg Herman de Zwakke uit de dynastie der Ezzonen het paltsgraafschap. De belangrijkste bezittingen van de Ezzonen lagen in het Nederrijngebied rond Keulen en in de noordelijke Eifel. Toen de Ezzonen in mannelijke lijn uitstierven in 1085 vielen hun gebieden terug aan de keizer en de Kerk. Keizer Hendrik IV beleende vervolgens zijn volgeling Hendrik van Laach met de titel paltsgraaf.
Met de belening van Hendrik verschoven de gebieden van het paltsgraafschap naar het zuiden, waar Hendrik de Abdij Maria Laach stichtte. Hendrik werd nog opgevolgd door zijn stiefzoon Siegfried, maar het lukte niet om de Palts erfelijk te maken. Tussen 1113 en 1156 werd de palts, vaak na onderlinge oorlogen, door steeds nieuwe families bestuurd. Rond 1150 werd onder paltsgraaf Herman van Stahleck de titel "Paltsgraaf van de Rijn" (Latijn: Comes palatinus de Rheno of Rheni) gebruikelijk.
Staufen en Welfen Na de dood van Herman van Stahleck beleende keizer Frederik I Barbarossa in 1156 zijn stiefbroer Koenraad de Staufer als erfelijk paltsgraaf. Met de steun van de keizer bouwde Koenraad langs de Rijn een nieuw territorium op. Het door Koenraad opgebouwde Paltsgraafschap bestond uit vier kerngebieden die hij op verschillende manieren in handen kreeg. Bacharach met kasteel Stahleck was een erfenis van Herman van Stahleck terwijl Alzey door de keizer aan Koenraad was gegeven. Neustadt was oorspronkelijk een leen van het bisdom Spiers en Heidelberg van de bisschop van Worms. Door de gunstige ligging, op de handelsweg tussen Frankfurt en Bazel en de route van Spiers en Worms langs de Neckar naar het oosten, groeide Heidelberg uit tot de belangrijkste stad van de Palts. Met het verkrijgen van de voogdijrechten over de Abdij van Lorsch kon Koenraad zijn macht over het gebied rond de stad nog verder uitbreiden.
|220px|left|thumb|Koningskeuze in de Saksenspiegel (1300). Op de middelste rij staat de paltsgraaf voor de koning met een gouden schotel in zijn handen. |- |thumb|left|Kaart van de Palts in 1329 na het Verdrag van Pavia. De opper-Palts is niet afgebeeld. |} Koenraad stierf zonder mannelijke erfgenaam, waardoor de Palts via zijn dochter Agnes aan haar man Hendrik de Lange uit het huis Welf kwam. Nadat ook de Welfische paltsgraven in mannelijke lijn uitgestorven waren, kwam de Palts in 1214 toe aan hertog Lodewijk I van Beieren uit het huis Wittelsbach.
Langs de Donau en de Rijn Beieren en de Palts bleven door de belening van Lodewijk I voor ruim een eeuw met elkaar verbonden. In 1255, na de dood van Lodewijks zoon Otto II van Beieren, werd het hertogdom Beieren verdeeld. De Palts en Opper-Beieren kwamen aan Lodewijk II, de oudste zoon. Als voogd van Konradijn, de laatste mannelijke afstammeling uit het huis Hohenstaufen, lukte het Lodewijk II om zijn gebieden uit te breiden met voormalige bezittingen van de Hohenstaufers. Ook kocht hij het gebied rond Kaub, waar zijn opvolgers een tolstation, Kasteel Pfalzgrafenstein, lieten bouwen. Vanwege hun macht en rijkdom werden de paltsgraven onderdeel van de groep keurvorsten, dit zijn de rijksvorsten die de Duitse koning mochten kiezen.
Lodewijk II werd in 1294 opgevolgd door zijn oudste zoon Rudolf, maar het lukte Rudolfs jongere broer Lodewijk de Beier om zich in 1301 te laten benoemen tot mederegent in Opper-Beieren. Lodewijk werd in 1314 tot koning gekozen en na een troonstrijd wist Lodewijk zijn broer zelfs van de troon te stoten. Lodewijk nam de regering van zowel de Palts als heel Beieren op zich, hoewel hij de Palts in naam regeerde voor zijn oudste neef Adolf. Na Adolfs dood sloot Lodewijk in 1329 het Verdrag van Pavia met de tweede zoon van zijn broer Rudolf I. In het verdrag werd afgesproken dat de Palts terugkwam aan de opvolgers van Rudolf, maar dat Opper-Beieren in handen van Lodewijk en zijn erfgenamen bleef. Als compensatie hiervoor kregen de paltsgraven het noordelijke deel van Beieren. Dit gebied werd later bekend als de Opper-Palts. In zijn functie als keizer droeg Lodewijk de Beier ook een aantal bezittingen van het Rijk aan de Paltsgraven over.De plaatsen Neckargemünd, Eberbach, Mosbach, Sinsheim, Germersheim, Annweiler werden door Lodewijk IV de Beier aan de Palts overgedragen. Hun stem als keurvorst zouden de twee takken onder elkaar af laten wisselen.
Van keurvorst tot koning Na de dood van keizer Lodewijk de Beier werden de paltsgraven belangrijke aanhangers van zijn opvolger keizer Karel IV. Vanwege hun hoge schulden moesten de paltsgraven wel het noordelijke deel van de Opper-Palts aan de keizer afstaan, maar de keizer beloonde hen voor hun trouw met verschillende rechten en gebieden. In de Gouden Bul uit 1356 stelde Karel IV vast dat de Paltsgraaf aan de Rijn, en niet de hertog van Beieren, tot de groep van zeven keurvorsten behoorde. De Beierse tak weigerde dit te accepteren en de strijd om het keurrecht verzuurde de relaties tussen de twee takken tot in de 18e eeuw. In de Gouden Bul werd ook beslist dat keurvorsten hun kerngebied nooit mochten verdelen en werd de paltsgraaf benoemd tot een van de twee rijksvoogden. Als rijksvoogd mocht de paltsgraaf tijdens een interregnum bepaalde keizerlijke taken uitvoeren in de delen van het Rijk met Frankisch recht.
|thumb| Kaart van het Heilige Roomse Rijk rond 1400. |- |thumb|Kaart van de Palts in 1410. Gebieden die de Palts in pand kreeg van het Rijk zijn geel afgebeeld. De opper-Palts is niet afgebeeld. |} Het keurvorstendom bracht de Palts niet alleen veel prestige, maar ook materiële voordelen. Karel IV verpandde verschillende gebieden, zoals Kaiserslautern en Simmern, aan de Palts om zo steun te krijgen voor de verkiezing van zijn zoon Wenceslaus. Keurvorst Ruprecht I stichtte in 1386 de derde universiteit van het Rijk in Heidelberg. De universiteit was niet alleen een opleidingscentrum voor ambtenaren en theologen, maar ook een belangrijk statussymbool voor de keurvorsten. Met 4000 inwoners kon Heidelberg zich echter niet meten met grote universiteitssteden als Parijs en Praag.
thumb|left|180px|Ruprecht van de Palts met zijn vrouw Elisabeth. In 1400 bereikte de ontevredenheid van de Duitse vorsten over de regering van koning Wenceslaus een hoogtepunt. Wenceslaus bezocht Duitsland bijna nooit en in Bohemen had hij last van verschillende opstanden. Samen met de keurvorsten van Mainz, Trier en Keulen zette keurvorst Ruprecht III Wenceslaus af wegens slecht bestuur. Vervolgens stemde Ruprecht, gesteund door zijn drie medestanders, voor zichzelf als nieuwe koning van Duitsland.
Ruprecht werd door een deel van de keurvorsten en door de afgezette koning Wenceslaus nooit als koning erkend. Omdat voorgaande koningen grote delen van het kroondomein verpand hadden leverde het koningschap Ruprecht ook financieel weinig op. De opbrengsten van de Palts alleen waren te laag om de kosten van het koningschap te dekken. Hierdoor moest Ruprecht wegens geldgebrek de gebruikelijke reis naar Italië, waar hij zich door de paus tot keizer wilde laten kronen, afbreken. Wel kon Ruprecht zijn koningschap gebruiken om opnieuw gebieden aan zijn territorium toe te voegen: van Bohemen kreeg hij de Opper-Palts terug en hij verpandde de Rijkslandvoogdijen over Ortenau en de Elzas aan zichzelf. Ruprecht stierf in 1410, hoge schulden achterlatend, zonder dat hij geprobeerd had om zijn erfgenaam tot nieuwe koning te laten kiezen.
Opdeling en uitbreiding Ruprecht III had in zijn testament bepaald dat de Palts onder zijn vier nog levende zonen verdeeld moest worden. Als oudste zoon kreeg Lodewijk III de kerngebieden en werd hij de nieuwe keurvorst. Johan kreeg Palts-Neumarkt uit een deel van de Opper-Palts, Stefan kreeg Simmern en Zweibrücken aan de linkerzijde van de Rijn en Otto kreeg met Palts-Mosbach gebieden ten oosten van Heidelberg. De takken Palts-Neumarkt en Palts-Mosbach stierven al in de 15e eeuw uit waarmee hun gebieden weer aan het keurvorstendom kwamen. De linie Palts-Simmern-Zweibrücken daarentegen bleef bestaan en tot aan de late 18e eeuw bestonden er verschillende vorstendommen die door deze tak geregeerd werden.
Lodewijk III zette de politiek van zijn voorgangers om de keizer zo veel mogelijk te steunen voort. Als dank erkende de nieuwe keizer Sigismund het koningschap van Ruprecht en bevestigde hij het bezit van de Palts over verschillende door het Rijk verpande gebieden. Lodewijk III hield in opdracht van de keizer tegenpaus Johannes XXIII vast op een van zijn kastelen en op het Concilie van Konstanz begeleidde de keurvorst de tot ketter veroordeelde hervormer Johannes Hus naar de brandstapel.
thumb|left|180px|Portret van Frederik I van de Palts door Albrecht Altdorfer. Onder Frederiks bewind bereikte de Palts zijn grootste omvang. Lodewijk III werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk IV de zachtmoedige die echter al op 25-jarige leeftijd stierf. Omdat zijn zoontje Filips nog maar een jaar oud was nam Lodewijks broer Frederik de regering waar. Frederik benoemde zichzelf tot keurvorst en adopteerde zijn neef om geen onrust te veroorzaken. In Amberg in de Opper-Palts brak wel een opstand uit, maar Frederik wist deze vrij gemakkelijk neer te slaan.