De rechtvleugeligen (Orthoptera) zijn een orde van gevleugelde insecten die bij het grote publiek beter bekend is als de krekels en sprinkhanen. Er zijn ongeveer 25.000 verschillende soorten die verdeeld worden in twee hoofdgroepen; de krekelachtige vormen (Ensifera of langsprietigen) en de sprinkhaanachtige vormen (Caelifera of kortsprietigen). Beide groepen zijn in de meeste gevallen duidelijk te onderscheiden.

De rechtvleugeligen onderscheiden zich uiterlijk van alle andere groepen van insecten door de rechte, lederachtige vleugels, de meestal langwerpige lichaamsbouw en lange voelsprieten en met name de sterk vergrote achterste poten die zijn aangepast om goed te springen. Sommige vertegenwoordigers lijken op soorten uit andere insectenordes en worden hiermee wel verward. Een aantal rechtvleugeligen is moeilijk te onderscheiden van insecten die behoren tot de wantsen (Heteroptera), de kakkerlakken (Blattodea) en de bidsprinkhanen (Mantodea).

Rechtvleugeligen komen wereldwijd voor en leven in de meest uiteenlopende biotopen; van zeer hete woestijnen in Afrika en tropische regenwouden in Zuid-Amerika tot de koude toendra's in het noorden van Azië. Veel soorten zijn omnivoor en eten zowel plantaardig voedsel als kleine ongewervelden, andere soorten zijn strikt herbivoor of juist felle jagers (carnivoor). In tegenstelling tot de meeste insecten zijn rechtvleugeligen strikt landbewonend, geen enkele soort heeft zich aangepast aan het water. In dit artikel worden de krekels en sabelsprinkhanen (Ensifera) aangeduid als de langsprietigen en de sprinkhanen (Caelifera) als de kortsprietigen.

Uiterlijke kenmerken

thumb|260px|right|De meeste soorten zijn zeer goed gecamoufleerd, zoals het gewoon doorntje (Tetrix undulata) thumb|260px|right|Sommige soorten zijn felgekleurd; deze soorten zijn meestal oneetbaar. Afgebeeld is een soort van het genus Eumastax.

De grootte van sprinkhanen en krekels varieert sterk; de dwergsoorten worden niet langer dan 5 millimeter, de grootste soorten kunnen een lengte van meer dan 15 centimeter bereiken. De grootst bekende soort is de sprinkhaan Macrolyristes corporalis uit Maleisië; deze soort heeft inclusief de antennes een lichaamslengte van 35 centimeter waarvan de antennes 12 cm beslaan, het lichaam is 13 cm en de achterpoten kunnen uitgeklapt een lengte bereiken van 16 cm. Ook de soorten uit het geslacht Siliquofera worden erg groot en kunnen 13 centimeter bereiken. Deze soorten komen voor in Australië. Op Nieuw-Zeeland komen de reuzenweta's voor, een groep langsprietigen uit het geslacht Deinacrida. Deze soorten zijn net als veel andere endemische soorten in Nieuw-Zeeland relatief groot. Ze hebben de ecologische rol van de knaagdieren (zoals muizen) overgenomen. Ze kunnen een lengte van 10 cm bereiken en er is een exemplaar gevangen met een gewicht van 70 gram waarmee ze tot de zwaarste insecten ter wereld behoren. De sprinkhaan Tropidacris dux heeft enorme vleugels en lijkt in vlucht meer op een vogel dan op een insect.

De rechtvleugeligen worden verdeeld in de sprinkhaanachtigen die tot de kortsprietigen (Caelifera) worden gerekend en de krekelachtigen die tot de langsprietigen (Ensifera) behoren. Het onderscheid is ondanks de Nederlandse benaming echter niet gebaseerd op de lengte van de antennes, maar op de bouw van het vrouwelijke geslachtsorgaan. Alle vrouwtjes hebben een zogenaamde legbuis of ovipositor, die geschikt is om de eieren diep in het substraat af te zetten. Bij de sprinkhanen bestaat deze legbuis uit een hoog ontwikkelde, uitstulpbare ovipositor, bij de krekels en sabelsprinkhanen echter bestaat het vrouwelijke eilegapparaat uit een niet-intrekbaar uitsteeksel dat de vorm heeft van een zwaard of sabel. De wetenschappelijke namen van Ensifera en Caelifera betekenen respectievelijk sabeldragend en beiteldragend wat naar het eilegapparaat verwijst.

De meeste soorten zijn groen of bruin van kleur, een aantal soorten heeft gele, rode, paarse of zwarte kleuren. Treksprinkhanen hebben een onopvallende basiskleur maar veranderen drastisch van kleur in het zwermende stadium. Rechtvleugeligen die in struiken en bomen leven - tussen de bladeren - hebben vaak een vlekkentekening terwijl soorten die in graslanden leven - tussen de stengels - vaak een lijnentekening hebben. Alle krekels en sprinkhanen hebben gemeen dat ze een zeer goed ontwikkeld achterste potenpaar bezitten.

Lang- en kortsprietigen verschillen onderling enigszins in lichaamsbouw; krekels zijn meestal neerwaarts afgeplat terwijl sprinkhanen juist zijdelings zijn afgeplat. Langsprietigen zijn daarnaast - de sabelsprinkhanen uitgezonderd - meestal niet groen van kleur maar bruin of zwart.

De rechtvleugeligen hebben duidelijk sterk vergrote achterpoten en relatief lange en dunne antennes. Bij de kortsprietigen zijn de antennes uit minder dan 30 geledingen opgebouwd en ze zijn korter dan het lichaam. Bij de langsprietigen is het aantal segmenten groter dan 30 en zijn de antennes draadachtig en veel langer dan het lichaam. Een ander onderscheidend kenmerk is het vermogen tot springen; langsprietigen zijn geen beste springers in vergelijking met de kortsprietigen. Ook hebben langsprietigen een uitwendige legboor, de kortsprietigen hebben een inwendig, telescopisch eilegapparaat.

Er zijn echter ook soorten die een afwijkend uiterlijk hebben, zoals de opmerkelijk gebouwde veenmol. Ook de mierenkrekels zijn door hun vleugelloze, afgeplatte en kleine lichaam gemakkelijk te verwarren met kakkerlakken. Een ander voorbeeld is de sterk afwijkende sabelsprinkhaan Saga pedo uit zuidelijk Europa. Er bestaan binnen de soort alleen vrouwtjes die zich vermenigvuldigen middels maagdelijke voortplanting of parthenogenese. Ze ontwikkelen onbevruchte eitjes die zich langzaam ontwikkelen en genetisch identiek zijn. Bovendien heeft deze soort tot grijporganen omgevormde voorpoten, waarmee prooien worden gevangen. Dit doet denken aan bidsprinkhanen, die echter tot een andere orde behoren.

Kop Rechtvleugeligen hebben een kop die direct opvalt door de aanwezigheid van lange voelsprieten. Met name de langsprietigen (Ensifera of krekels en sabelsprinkhanen) hebben antennes die soms twee tot drie keer zo lang zijn als de lichaamslengte. De voelsprieten worden niet alleen gebruikt als tastorgaan maar bevatten ook receptoren om voedsel op te sporen.

Rechtvleugeligen hebben vijf ogen, waarvan er drie op het voorhoofd gepositioneerd zijn en twee aan weerszijden van de kop. De drie oogjes op het voorhoofd zijn slecht ontwikkeld en klein; ze zijn bij veel soorten nauwelijks zichtbaar en ontbreken bij een aantal soorten zelf volledig. Deze zogenaamde ocelli kunnen waarschijnlijk alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. De samengestelde facetogen aan de zijkanten van de kop zijn altijd duidelijk zichtbaar, met deze ogen worden voedsel en vijanden waargenomen.

De kaakdelen of mandibels bestaan uit twee paar onderkaken en twee paar bovenkaken die ingericht zijn om te kauwen. Alle sprinkhanen en krekels hebben mandibulaire kaken die gebouwd zijn om bijtende en kauwende bewegingen te maken. Dit is een belangrijk verschil met andere groepen van hemimetabole plantenetende insecten zoals wantsen en cicaden, die stekende en zuigende monddelen hebben. Een aantal soorten krekels heeft echter een zuigsnuit die kan worden uitgestoken bij het drinken en in rust wordt opgeborgen in de mond. Deze zuigsnuit lijkt wat op die van vliegen en is een vorm van convergente evolutie.

Zowel de onder- als de bovenkaken van rechtvleugeligen zijn voorzien van één paar gelede tasters die bij veel soorten duidelijk zichtbaar zijn. De tasters aan de bovenkaken worden de liptasters genoemd, die aan de onderkaken worden aangeduid met kaaktasters.

Borststuk thumb|260px|right|De vorm en grootte van het halsschild is een belangrijk determinatiekenmerk, hier de ratelaar (Chorthippus biguttulus). Het borststuk van de rechtvleugeligen draagt zoals alle insecten de zes poten aan de onderzijde en de vier vleugels aan de bovenzijde. Het wordt aan de bovenzijde vrijwel geheel aan het zicht onttrokken door het halsschild of pronotum. Het halsschild is een sterk gepantserd schild dat aan weerszijden van het lichaam omlaag gekromd is en aan de achterzijde vaak uitsteekt over het achterlijf. Het halsschild groeit uit het eerste (voorste) borstsegment, het tweede borstsegment is bij rechtvleugeligen eveneens goed ontwikkeld maar het derde (achterste) segment is opvallend klein. Hierdoor worden de kwetsbare poot- en vleugelaanhechtingen beschermd.

Aan de vorm en grootte van het halsschild zijn veel soorten te herkennen. Bij de veldsprinkhanen heeft het halsschild vaak opstaande randen aan weerszijden die lijsten worden genoemd. Ze zijn vaak gekleurd en op een bepaalde manier gebogen of geknikt, wat per soort verschilt. Bij de doornsprinkhanen is het halsschild sterk verlengd en neemt de beschermende functie van de achtervleugels over. De achtervleugels zijn gedegenereerd tot kleine, schub-achtige flapjes net onder het basis van het halsschild.

Poten De poot zit met de heup (coxa) vast aan het lichaam; de heup wordt van de dij gescheiden door de heupring of trochanter. De dij (femur) is vaak het langste deel van de poot en is verbonden met de scheen (tibia). Aan het uiteinde van de poot is de uit meerdere geledingen bestaande voet (tars) aanwezig met daaraan een klauwtje. Bij de langsprietigen is aan de bovenzijde van de scheen van de voorpoot de gehooropening zichtbaar, bij de kortsprietigen is deze op het achterlijf aanwezig. Een ander verschil is het aantal geledingen van de voet; bij de langsprietigen heeft deze vier segmenten, bij de kortsprietigen drie segmenten.

De drie paar poten zijn bij de meeste soorten steeds anders van vorm; de voorpoten zijn kort, de middelste poten zijn wat langer en de achterpoten zijn zeer goed ontwikkeld en sterk vergroot. Met de voorste en middelste poten kan alleen worden gelopen, de achterpoten hebben een sterk verbrede dij, wat veroorzaakt wordt door de hierin aanwezige spier die gebruikt wordt om te springen. Deze spier is zo´n duizend keer sterker dan een menselijke spier bij een vergelijkbaar gewicht. De sprong vindt plaats door met de sterke dijspier het kniegewricht, dat grotendeels bestaat uit een sterk veermechanisme, op spanning te brengen. Als het wordt ontspannen wordt de scheen razendsnel in het verlengde gebracht van de dij. De sprinkhaan wordt vervolgens gelanceerd en vouwt de vleugels uit, de sprong kan zo´n tien keer de lichaamslengte beslaan. De knie van de achterpoot is goed ontwikkeld en zo gebouwd dat deze niet 'door kan schieten' en de poot beschadigd raakt maar soms wordt er zoveel kracht gebruikt dat de achterpoot afbreekt. Alle zes de poten hebben bij de rechtvleugeligen steeds twee paar doornachtige uitsteeksels aan de achterzijde van iedere scheen. Met name die aan de achterpoten zijn vergroot wat een goede verankering geeft bij het springen zodat de achterpoten niet wegglijden bij de afzet.

Als een rechtvleugelige in het water terechtkomt, worden de achterpoten gebruikt om te zwemmen, al houden weinig soorten dat lang vol. Sommige soorten, zoals bepaalde doornsprinkhanen, kunnen zich echter goed op het wateroppervlak bewegen en zijn zelfs in staat om onder water te duiken bij gevaar. Naast springen en zwemmen worden de poten ook gebruikt om geluid te produceren, zie onder het kopje Communicatie.

Als een poot verloren gaat in het nimfstadium kan deze volledig worden geregenereerd als er nog verschillende vervellingen moeten worden doorlopen. Als een volwassen exemplaar een poot verliest groeit deze niet meer aan.

Vleugels