Bernard Arthur Owen Williams (Westcliff-on-Sea, 21 september 1929 – Rome, 10 juni 2003) was een Brits filosoof gespecialiseerd in de ethiek, die door de krant The Times de "briljantste en belangrijkste Britse filosoof van zijn tijd" werd genoemd.Professor Sir Bernard Williams, The Times, 14 juni 2003
Williams was meer dan tien jaar Knightbridge Professor of Philosophy aan de Universiteit van Cambridge en bijna even lang ook Provost van King's College in Cambridge.Professor Sir Bernard Williams, The Daily Telegraph, 14 juni 2003 Williams werd internationaal bekend door zijn poging om terug te keren naar de studie van de fundamenten van de moraal: geschiedenis, cultuur, politiek en psychologie, in het bijzonder, bij de Grieken.
Williams besteedde meer dan vijftig jaar aan het zoeken naar antwoorden op één vraag, namelijk: "Wat betekent het om goed te leven?" Dit was een vraag die nog maar door weinige analytische filosofen was onderzocht. Zij verkozen het om de nadruk te leggen op de kwestie van de morele plicht. Voor Williams moest morele verplichting verenigbaar zijn met het nastreven van het eigenbelang en het goede leven.
Hij werd beschreven als "een analytisch filosoof met de ziel van een humanist",Isn't It the Truth?, Colin McGinn, The New York Review of Books, 10 april 2003 maar hij beschouwde zichzelf als een synthetisch denker, die ideeën verzamelde uit verschillende domeinen die steeds minder onderling bleken te communiceren. Hij verwierp het natuurkundige en evolutionaire reductionisme en noemde de reductionisten ooit "mensen die ik echt niet kan appreciëren", omdat ze een gebrek hadden aan morele verbeeldingskracht.Q & A: Bernard Williams Carrying the torch for truth. Philosopher calculates the moral cost of rejecting the concept (interview), Kenneth Baker, San Francisco Chronicle, 22 sept 2002 Williams beschouwde complexiteit als mooi, betekenisvol en onherleidbaar.
Williams werd bekend als een grote voorstander van vrouwen in de academische wereld,Tragedy and Justice, Martha Nussbaum, Boston Review, okt/nov 2003 aangezien hij hierin de mogelijkheid van een synthese tussen rede en emotie zag, die volgens hem in de analytische filosofie ontbrak. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum zei van Williams dat hij « als machtig man van zijn generatie zo dicht bij het feminisme stond als maar kon ». Levensloop Jeugd Williams werd geboren in Essex, als de enige zoon van een ambtenaar. Hij ging naar de Chigwell School en studeerde Klassieke Studies ("Greats") aan Balliol College, Oxford. Nadat hij in 1951 afgestudeerd was met de zelden verleende onderscheiding 'congratulatory first-class honours degree', de hoogste onderscheiding op dat niveau van het Britse universiteitssysteem, vervulde hij zijn dienstplicht bij de Royal Air Force (RAF), waarvoor hij in Canada met Spitfires vloog.
Vroege carrière en huwelijk met Shirley Williams Hij leerde zijn latere vrouw, Shirley Williams-Catlin, de dochter van politieke wetenschapper en filosoof George Catlin en romancière Vera Brittain, kennen tijdens een verlofperiode in New York, waar zij studeerde aan Columbia University. Op 22-jarige leeftijd, na het winnen van een Prize Fellowship aan het All Souls College in Oxford, keerde Williams terug naar het Verenigd Koninkrijk, samen met Shirley, om er zijn functie te aanvaarden. Voor hun terugkeer had Shirley nog een affaire met de atleet Roger Bannister. Ze trouwden in 1955. Shirley Williams werd gekozen als parlementslid voor de Labour Party, maar verliet de partij later als een van de leden van de "bende van vier", de oprichters van de Social Democratic Party, een rechtse afsplitsing van de Labour Party. Later werd ze in de adelstand verheven en kreeg ze de titel Baroness Williams of Crosby. Ze bleef lang een prominent lid van de Liberal Democrats, waarin haar eigen partij was opgegaan.
Williams verliet Oxford om tegemoet te komen aan de steeds sterker wordende politieke ambities van zijn vrouw en aanvaardde eerst een functie bij de University College London en vervolgens aan de University of London, terwijl zijn vrouw werkte als journalist voor de Financial Times. Zeventien jaar lang woonde het paar in een ruim huis in Kensington, samen met de literair agent Hilary Rubinstein en diens vrouw. Gedurende deze periode, die door Williams beschreven werd als een van de gelukkigste van zijn leven, werd er een dochter, Rebecca, geboren, maar de ontwikkeling van Shirleys politieke carrière dreef het paar uit elkaar. Ook het grote verschil in persoonlijke waarden – Williams was een overtuigde atheïst, zijn vrouw een devote katholiek – zette de relatie onder druk. Het einde kwam toen Williams een verhouding had met Patricia Law Skinner, de toenmalige vrouw van de historicus Quentin Skinner. In 1974 werd de echtscheiding uitgesproken, waarna Williams hertrouwde met Patricia. Uit dat huwelijk kwamen twee zonen voort.
Latere academische carrière thumb|Williams verbleef bijna twintig jaar aan de Universiteit van Cambridge, waarvan acht jaar als provost van King's College. Williams werd in 1967 Knightbridge professor in de moraalfilosofie aan de Universiteit van Cambridge en diende vervolgens van 1979 tot 1987 als Provost aan King's College in Cambridge, tot hij verhuisde naar de Universiteit van Californië - Berkeley om er de functie van Sather Professor of Classics te bekleden. Dit omdat hij zich, zoals hij aan een Britse krant meldde, slechts met moeite een huis in het centrum van Londen kon veroorloven met zijn salaris als academicus. Zijn publieke aanklacht tegen de lage beloning aan Britse universiteiten deed het lijken alsof zijn vertrek deel uitmaakte van de braindrain, zoals de Britse media het noemden. Dit bleek ook zijn bedoeling te zijn. In The Guardian vertelde hij in november 2002: "Ik betreur het nu dat mijn vertrek zo bekend is geworden. Ik was ervan overtuigd dat er een echt probleem was met betrekking tot de academische omstandigheden en dat als mijn vertrek in de publiciteit kwam, dit deze omstandigheden onder de publieke aandacht zou brengen. Dat gebeurde ook wel, maar het wekte de indruk dat ik gefrustreerd was, en toen ik drie jaar later terugkwam, leek het behoorlijk absurd. Ik kwam terug om persoonlijke redenen – het is moeilijker om daar een gezin te onderhouden dan ik had gedacht."The quest for truth, Stuart Jeffries, The Guardian, 30 nov 2002
Hij keerde in 1990 terug naar Engeland als White's Professor of Moral Philosophy in Oxford, een post die hij behield tot 1996, toen hij benoemd werd als Deutsch Professor of Philosophy aan Berkeley. Hij bleef er tot aan zijn dood in Oxford.
Commissies Naast zijn leven als academicus was Williams ook lid van een aantal koninklijke commissies en regeringscommissies. In de jaren 70 zetelde hij in het comité over obsceniteit en censuur in films, dat in 1979 rapporteerde dat: "Gelet op de hoeveelheid expliciet seksueel getint materiaal dat in omloop is en de vaak geuite beschuldigingen over de effecten daarvan is het frappant dat het wemelt van de rapporten over seksuele misdaden waarin zelfs geen suggestie te vinden is van een verband met dit pornografische materiaal."
Het rapport van het comité was beïnvloed door het liberale gedachtegoed van John Stuart Mill, een filosoof die zeer sterk bewonderd werd door Williams, die van Mills principe van vrijheid gebruik maakte om zijn "harm condition" te ontwikkelen, waarbij "geen enkel handelen door de wet onderdrukt mag worden, tenzij aangetoond kan worden dat het handelen iemand schade toebrengt". Williams concludeerde dat, in overeenstemming met de harm condition, "de rol van pornografie in het beïnvloeden van de maatschappij niet zo erg belangrijk was ... Een andere opvatting hebben is het probleem van pornografie uit proportie halen in vergelijking met de andere problemen waarmee onze maatschappij vandaag geconfronteerd wordt". Het comité meldde dat, zolang kinderen maar beschermd werden tegen blootstelling aan pornografisch materiaal, volwassenen vrij waren om het te lezen of er naar te kijken als zij dat beliefden. Margaret Thatcher maakte echter in haar eerste wetgeving een einde aan de liberale agenda over seks en maakte bijna een einde aan Williams' politieke carrière. Hij werd bijna vijftien jaar lang niet meer gevraagd om zitting te nemen in een openbare commissie.
Naast de commissie met betrekking tot pornografie, zat hij ook in commissies die onderzoek deden naar recreatief druggebruik in 1971; gokken in 1976-78, de rol van Britse privéscholen in 1965-70; en sociale rechtvaardigheid in 1993-94. Hierover zei hij: "Ik behandelde alle belangrijke ondeugden".
Williams was vermaard om zijn scherpte in discussies. De filosoof Gilbert Ryle uit Oxford zei ooit over hem dat "hij beter begrijpt wat je gaat zeggen dan dat je het zelf begrijpt, en hij ziet alle bezwaren ertegen, alle antwoorden op alle mogelijke bezwaren, zelfs nog voor je aan het einde van je zin aanbeland bent."
Overlijden Bernard Williams, die leed aan de Ziekte van Kahler (een vorm van kanker), stierf in de zomer van 2003 op 73-jarige leeftijd tijdens een vakantie in Italië. Hij liet zijn vrouw Patricia achter, alsook zijn twee zonen Jacob en Jonathan en zijn dochter Rebecca uit zijn eerste huwelijk.
Filosofie Moraalfilosofie De boeken en artikelen van Williams bevatten studies van René Descartes en Oudgriekse filosofie, maar daarnaast ook gedetailleerde aanvallen op het utilitarisme en het kantianisme.
Williams was een vernietiger van systemen en viel alle "ismen" aan met gelijke kracht. Hij rekende af met de meta-ethiek die bestudeerd werd door de meeste filosofen uit de Westerse analytische traditie - bijvoorbeeld: "wat is het goede?" en "Wat betekent het begrip 'zou moeten'?" - en concentreerde zich vooral op normatieve ethiek of praktische ethiek. Williams probeerde de vraag te stellen naar het goede leven, met de nadruk op hoe dat goede leven 'geleefd' moet worden, niet hoe men er een verhandeling over moet schrijven. Hij legde zich toe op de complexiteit, de "Moral Luck" van het dagelijkse leven en was erg kritisch over veel van de tekstboeken over moraalfilosofie met hun talloze droge voorbeelden.
thumb|De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) die een belangrijke invloed op het werk van Bernard Williams had In zijn Morality: An Introduction to Ethics uit 1972, schreef hij dat "waar de meeste tijd moraalfilosofie leeg en saai geweest is [...] hedendaagse moraalfilosofie een originele manier gevonden heeft om saai te zijn, namelijk door de eigenlijke problemen helemaal niet te bediscussiëren". De studie van de moraal, zo betoogde hij, behoort onontkoombaar en dwingend te zijn. Hij wilde een moraalfilosofie vinden die verantwoording kon afleggen aan de psychologie en de geschiedenis, aan politiek en cultuur. In zijn afwijzing van de moraliteit als wat hij "een vreemde institutie" noemt, waarmee hij een afgezonderd domein van het menselijk denken bedoelde, leek hij op de 19e-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Williams had grote bewondering voor Nietzsche en zei dikwijls dat hij wenste dat hij Nietzsche kon citeren op elke pagina die hij schreef.
Hoewel Williams' minachting voor Reductionisme hem soms deed lijken op een moreel relativist, was hij dat zeker niet. Hij geloofde, net als de oude Grieken, dat de zogenaamde "brede" morele begrippen, zoals moed en wreedheid, echt waren. Wat moedig en wreed is, is niet relatief, volgens Williams. We weten wat deze dingen zijn, wanneer we ze zien.