De Siciliaanse Expeditie was een Atheense expeditie naar Sicilië van 415 v.Chr. tot 413 v.Chr., tijdens de Peloponnesische Oorlog. De expeditie liep na een succesvol begin op een totaal fiasco uit. Thucydides schreef wrang in zijn Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog dat de generaals die deze campagne aanvoerden nauwelijks iets van Sicilië of de Siciliaanse bevolking af wisten, zodat het Griekse leger veel te klein was om het eiland te kunnen veroveren. De 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende de Slag bij Syracuse, waar de Siciliaanse expeditie gebroken werd, onder zijn vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld.
Verzoek om hulp van Segesta Aan de eerste fase van de Peloponnesische Oorlog was met de Vrede van Nicias in 421 v.Chr. een einde gekomen, en in 415 hadden Athene en Sparta een formeel vredesverdrag. In dat jaar stuurde Segesta, de hoofdstad van de Elymiërs in West-Sicilië, ambassadeurs naar Athene om hulp te vragen in hun oorlog tegen Selinus. De Segestanen brachten voldoende geld naar Athene om zestig schepen voor een maand te betalen. De Atheners hadden reeds eerder in de oorlog een vloot naar Sicilië gestuurd, en werden aangetrokken door de overvloed aan graan en andere rijkdommen; door Segesta te helpen dachten ze een bruggenhoofd te kunnen slaan om het eiland later misschien te veroveren. De wijze raad van Pericles, die zolang hij leefde Athene gewaarschuwd had tegen een te zware belasting van het rijk, was vrijwel volkomen vergeten. thumb|Alcibiades
Het debat Nicias, Alcibiades en Lamachus werden gekozen om de expeditie te leiden, ook al had Nicias er geen belangstelling voor. Vijf dagen na hun verkiezing was er een debat in de volksvergadering tussen de tegenstanders van de expeditie, geleid door Nicias, en de voorstanders, geleid door Alcibiades. Nicias stelde dat zij zich niet in een oorlog moesten laten slepen die hun niet aanging, en dat Athene zich, ondanks het vredesverdrag dat hij zelf enkele jaren eerder opgesteld had, niet veilig moest achten. Sparta was nog steeds hun vijand, en zij konden zich niet veroorloven om tijd en mensen te verliezen in een oorlog in een ver land, terwijl hun eigen vijanden zo dichtbij waren. Zelfs al zouden ze erin slagen Sicilië op de een of andere manier te veroveren, wat volgens Nicias de achterliggende reden was voor de expeditie, dan zou het nog onmogelijk zijn het te besturen. De zwakkere en armere bondgenoten van Athene begonnen continu revoltes tegen hen, en zij waren veel dichterbij. De Sicilianen, zo pleitte hij, zouden veel banger zijn voor Athene als de Atheners niet in de strijd op de proef gesteld werden, net zoals Athene veel banger was voor de Spartanen voordat het die in de oorlog verslagen had. Ten slotte hoopte hij dat zijn medeburgers zich niet zouden laten verleiden door de jonge en arrogante Alcibiades, die naar zijn mening alleen uit was op persoonlijke glorie.
Er werden verschillende andere toespraken gehouden, voornamelijk pleidooien vóór de expeditie, voordat Alcibiades zijn antwoord aan Nicias kon geven. Nadat hij het had opgenomen voor zijn jeugd en arrogantie, beweerde hij dat de situatie overeenkwam met die van de Atheners in hun oorlog met Perzië, terwijl ze ook toen vijanden dichter bij huis hadden. Hun overwinning op de Perzen had Athene roem gebracht en vormde het fundament voor de Delische Bond, en deze expeditie zou hun dezelfde resultaten opleveren. Door de expeditie zou Athene in vredestijd toch actief blijven, zodat het voorbereid zou zijn op een toekomstige Spartaanse aanval.
Nicias hield daarna een tweede toespraak. Hij zei dat Athene een veel grotere vloot en leger nodig zou hebben om haar doel te bereiken, veel meer dan de zestig schepen die Segesta had voorgesteld om uit te rusten. Hij hoopte dat de Atheners zouden beginnen te twijfelen wanneer zij zich dit realiseerden, maar het tegenovergestelde gebeurde, zij werden nog enthousiaster. Nicias suggereerde schoorvoetend dat zij zouden moeten uitvaren met minstens 100 triremen en 5000 hoplieten, plus nog duizenden lichtbewapende manschappen en veel voorraden.
Hermenschandaal Na lange voorbereidingen was de vloot gereed om uit te varen. De nacht voor het vertrek vernielde iemand een groot aantal hermai – de stenen gedenktekens als eerbetoon aan Hermes, die rond de stad geplaatst waren om haar geluk te brengen. Dit Hermenschandaal werd als een slecht voorteken voor de expeditie beschouwd. In het daaropvolgende onderzoek beweerden Andokides en andere politieke tegenstanders van Alcibiades dat hij verantwoordelijk was.
Alcibiades bood zich vrijwillig aan voor een rechtszaak waarin hij de doodstraf zou krijgen als hij er niet in slaagde zijn onschuld te bewijzen. Alcibiades was geliefd en genoot als strategos de steun van het Atheense leger. Tijdens de voorbereidingen had hij ook de steun van Argos en Mantinea verkregen. Hij werd niet aangeklaagd en de Atheense vloot voer de volgende dag uit. Het was de grootste militaire expeditie ooit opgetuigd door een Griekse stad, tot dan toe.
Zijn tegenstanders wachtten totdat Alcibiades uitgevaren was voordat zij de beschuldigingen tegen hem uitbrachten. De reden daarvoor was dat het leger, zijn belangrijkste bron van steun, afwezig was, en zijn aanhangers zouden in de minderheid zijn wanneer het tot een stemming zou komen.
Reactie van Syracuse Veel mensen in Syracuse, de rijkste en machtigste stad van Sicilië, zagen de komst van de Atheners als een aanval, onder het voorwendsel van hulp bieden aan Segesta in een ondergeschikte oorlog. De Syracusaanse generaal Hermocrates suggereerde dat zij hulp zouden vragen aan andere Siciliaanse steden, en aan Carthago. Hij wilde ook de Atheense vloot in de Ionische Zee ontmoeten voordat zij zouden arriveren. Anderen beweerden dat Athene geen bedreiging was voor Syracuse, en dat sommige mensen nog niet eens geloofden dat er een vloot onderweg was, omdat Athene niet zo dwaas zou zijn om hen aan te vallen terwijl ze zelf nog in oorlog met Sparta waren. Athenagoras beschuldigde Hermocrates en anderen ervan te hebben geprobeerd de bevolking angst aan te jagen, om zo de regering omver te werpen.
Atheense landing thumb|De route van de Atheense vloot. De triremen voeren langs de kust. De Atheense vloot zeilde eerst naar Korfu om haar bondgenoten te ontmoeten. De schepen werden verdeeld in drie secties, een voor elke commandant. Drie schepen werden vooruit gestuurd om bondgenoten te zoeken in Sicilië. De vloot bestond toen uit 134 triremen (100 van Athene), 5100 hoplieten (van wie 2200 uit Athene), 480 boogschutters, 700 slingeraars, 120 andere lichte troepen en 30 ruiters, met bovendien 130 voorraadschepen en alle manschappen op de triremen en andere niet-strijders.
Zij boekten weinig succes om bondgenoten te vinden op de kust van Zuidelijk Italië, en toen de drie verkenningsschepen terugkwamen, hoorden ze dat Segesta niet het beloofde geld gegeven had. Nicias had dit verwacht maar de andere commandanten waren verbijsterd. Nicias stelde voor om hun macht te tonen en daarna terug naar huis te gaan, terwijl Alcibiades zei dat zij opstanden tegen Syracuse moesten uitlokken, om daarna meteen Syracuse en Selinus aan te vallen. Lamachus was er voorstander van om Syracuse maar meteen aan te vallen.
Overlopen van Alcibiades De vloot voer door naar Catania, waar een Atheens schip aankwam met de boodschap dat Alcibiades onder arrest stond, niet alleen voor de vernieling van de hermai, maar ook voor heiligschennis van de Mysteriën van Eleusis. Alcibiades stemde ermee in om terug te keren, maar op de terugweg vluchtte hij met zijn schip naar de Peloponnesos, waar hij zijn toevlucht zocht bij Sparta. Hij werd bij verstek schuldig bevonden en ter dood veroordeeld.
Ontscheping De vloot werd verdeeld in twee delen, en het leger werd ontscheept om zich te voegen bij de cavalerie van Segesta. Zij vielen echter niet meteen Syracuse aan, en die winter bereidde Syracuse een aanval voor, terwijl de Atheners hun kamp opsloegen bij Catania. Toen de Syracusanen hun opmars richting Catania maakten, vernamen ze dat de Atheners weer aan boord van hun schepen gegaan waren en de haven van Syracuse binnen voeren. De Syracusanen gingen snel terug en maakten zich op voor het gevecht.
Eerste slag bij Syracuse thumb|De Atheense vloot voor Syracuse De Atheense troepen landden buiten Syracuse en stelden zich op in rijen van acht man diep met de Argiven en Mantineërs op de rechterflank en de rest van de bondgenoten op de linkerflank. Het Atheense leger zelf nam het centrum voor hun rekening.
De slagorde van Syracuse was zestien man diep, en het had 1200 ruiters: een enorme overmacht ten opzichte van de Atheense cavalerie, ook al was het totaal aantal mannen min of meer in evenwicht.
De Atheners vielen eerst aan, in de veronderstelling dat ze een sterker en meer ervaren leger hadden en na enig onverwacht sterke tegenstand duwden de Argiven de Syracusaanse linkerflank terug, met als gevolg dat de rest op de vlucht sloeg. De Syracusaanse cavalerie voorkwam dat de Atheners hen op hun vlucht doodden, maar de Syracusanen verloren 260 man, tegen 50 slachtoffers aan Atheense kant. De Atheners voeren terug naar Catania om te overwinteren.
Winter van 415/Voorjaar van 414 v.Chr. Hermocrates stelde voor dat Syracuse zijn leger zou reorganiseren. Hij wilde het aantal generaals terugbrengen van vijftien tot² drie: Hermocrates, Heraclides en Sicanus. Tijdens de winter lieten de Atheners ook nog meer geld en cavalerie komen, terwijl Syracuse enkele forten bouwde evenals een muur waarmee het territorium van de stad kon worden uitgebreid.
Ondertussen gingen zowel Hermocrates als Euphemos, de archont van Athene, naar Kamarina om deze stad als bondgenoot te winnen. Hermocrates wilde Kamarina en de andere steden in één unie met Syracuse tegen Athene, maar Euphemus zei dat Syracuse slechts uit was op overheersing van Kamarina, en dat zij de zijde van Athene moesten kiezen om onafhankelijk te blijven. De Kamarinezen besloten neutraal te blijven.
thumb|Een mogelijke loop van de belegeringsmuren. De aanwijzingen van Thucydides zijn onduidelijk, de exacte loop van de muren is onbekend. Athene vroeg daarna hulp aan de Carthagers en de Etrusken, en zowel Athene als Syracuse probeerden de ondersteuning van de Griekse steden in Italië voor zich te winnen.
Vertegenwoordigers van Syracuse kwamen aan in Korinthe en ontmoetten daar Alcibiades, die toen in dienst van Sparta was. Alcibiades liet Sparta weten dat de Peloponnesos een grote invasie te wachten stond indien Sicilië veroverd zou worden en dat ze Syracuse hulp moesten bieden en bovendien de versterking van Decelea, nabij Athene, moesten aanvallen. De Atheners, zo zei hij, zouden niets meer vrezen dan de bezetting van Decelea. Sparta nam dit advies onder beraad, en benoemde Gylippus tot commandant van zijn vloot.
In het voorjaar van 414 v.Chr. arriveerden versterkingen uit Athene, bestaande uit 250 ruiters, 30 bereden boogschutters en 300 zilveren talenten als betaling voor nog 400 meer ruiters van hun Siciliaanse bondgenoten. In de zomer landde men op de Epipolae, de klip boven Syracuse, die werd verdedigd door Diomilus en 600 Syracusanen. Bij de aanval verloren Diomilus en 300 van zijn mannen het leven.
Beide zijden begonnen daarop muren te bouwen. De Atheense muur, genoemd "de Cirkel", was bedoeld om Syracuse af te sluiten van de rest van het eiland, terwijl Syracuse een aantal omwallingen als verdediging bouwde vanuit de stad ten opzichte van de Atheense forten.