miniatuur|De hertog van Berry (detail uit de afbeelding Januari)

Les Très Riches Heures du duc de Berry (Frans voor Het zeer rijke getijdenboek van de hertog van Berry) is een rijk geïllumineerd getijdenboek, besteld rond 1410 door Jan van Berry en gedeeltelijk vervaardigd door de befaamde miniatuurschilders de gebroeders Van Lymborch. Van de 66 grote miniaturen in het handschrift zouden er 35 van hun hand zijn en 25 van de 65 kleinere worden door moderne onderzoekers aan hen toegeschreven.Patricia Stirneman, The King of Illuminated Manuscripts The Très Riches Heures, in The Limbourg Brothers Nijmegen Masters a the French Court 1400-1416, ed. Rob Dückers Pieter Roelofs, Ludion 2005, p. 113. Het manuscript bevindt zich in het Musée Condé, dat is ondergebracht in het Kasteel van Chantilly, met als signatuur Ms.65.

Nadat het 15e-eeuwse boek in de 19e eeuw opnieuw was opgedoken, werd het werk snel befaamd, ondanks het feit dat het vrij ontoegankelijk was en blijft voor het grote publiek. Pas in de jaren 1980, bij de realisatie van een facsimile, werd het handschrift volledig uit elkaar gehaald en kon het publiek de miniaturen naast elkaar op een tentoonstelling in Chantilly bewonderen. Met zijn 66 bladgrote en 65 kleinere miniaturen en honderden versierde initialen is het werk een staalkaart van de miniatuurkunst en de boekverluchting van de 15e eeuw. Voor de miniaturen, de margeversiering, de initialen, de lijnvullers, maar ook voor het schrijven van de tekst werd beroep gedaan op talloze kunstenaars. De artiesten die aan het boek meewerkten vormen nog steeds het onderwerp van wetenschappelijk en kunsthistorisch onderzoek.

Les Très Riches Heures is ongetwijfeld een van de belangrijkste verluchte manuscripten uit die tijd en het wordt soms, "le roi des manuscrits enluminés" ("de koning van de verluchte manuscripten") genoemd. Het wordt gerekend tot de hoogtepunten van de gotische schilderkunst.

Een getijdenboek is een boek, in dit geval een handschrift, dat leken in de middeleeuwen gebruikten voor hun privédevotie. Getijdenboeken waren geënt op het in kloosters door monniken voor het koorgebed gebruikte brevier. Deze gebeden werden op vaste tijden van de dag uitgesproken en werden daarom getijden (horae, uren) genoemd.

Geschiedenis De gebroeders Van Lymborch miniatuur|Aankondiging aan de herders, f48r, door de gebroeders Van Lymborch, lay-outfase 1

De gebroeders Van Lymborch (in moderne notatie ook wel: gebroeders [van] Limburg) waren de drie broers Paul, Herman en Johan uit Nijmegen, werkzaam als middeleeuwse miniaturisten. Nadat de Bourgondische hertog Filips de Stoute in 1404 overleden was, traden de broers in dienst bij hertog Jan van Berry, zoon van koning Jan de Goede, broer van koning Karel V en van Filips de Stoute en oom van de regerende koning Karel VI. De prachtlievende Jan van Berry was een verwoed verzamelaar en kunstliefhebber en hij liet het ene getijdenboek na het andere maken. Hij geeft aan de drie broers de opdracht voor de Très Riches Heures waarschijnlijk omstreeks 1410Raymond Cazelles & Johannes Rathofer, Les Très Riches Heures du Duc de Berry, Tournai: La Renaissance du Livre, 2001 (1e. uitg. 1988), 238 p. (), p. 216 of 1411Patricia Stirnemann, Les ouvriers de Monseigneur, in Patricia Stirnemann, Inès Villela-Petit, Les Très Riches Heures du duc de Berry et l'enluminure en France au début du XVe siècle, Paris, Somogy éditions d'art / Musée Condé, 2004, p. 48 nadat ze in 1408-1409 Les belles heures hadden beëindigd. Maar daarvoor had de hertog al een ganse verzameling van getijdenboeken aangelegd met als bijzonderste Les petites heures afgewerkt omstreeks 1390, waarin hij Paul een miniatuur laat toevoegen in 1412, Les très belles heures (ca. 1402), Les grandes heures (ca. 1409) en Les Très belles heures de Notre-Dame dat in 1405 voor het afgewerkt was, gesplitst werd in twee handschriften waarvan het tweede gedeelte gekend is onder de naam Turijn-Milaan-Getijdenboek.

Het boek werd in 1881 door Léopold Delisle geïdentificeerd als een item uit de inventaris van de bezittingen van de hertog van Berry die werd opgesteld na zijn overlijden in 1416 en dat werd beschreven als:

miniatuur|left|Christus wordt naar het pretorium gebracht, f143r, gebroeders van Limburg, lay-out fase 2

Deze toeschrijving werd nooit in vraag gesteld tenzij door H.T. Colenbrander, die in een thesis uit 2006 de stelling poneert dat het werk helemaal niet van de gebroeders van Limburg hoeft te zijn en dat het zelfs niet zeker is of we werk van hen kennen.Herman Th. Colenbrander, Op zoek naar de gebroeders Limburg: de Très Riches Heures in het Musée Condé in Chantilly, Het Wapenboek Gelre in de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel en Jan Maelwael en zijn neefjes Polequin, Jehannequin en Herman van Limburg, proefschrift, 2006, Amsterdam. Op basis van deze toeschrijving door Delisle werden ook de miniaturen in de Bijbel Ms fr. 166 in de BnF in Parijs en in de zogenaamde Heures d'Ailly, thans beter bekend als de Belles Heures, in The Cloisters in New York aan de gebroeders toegeschreven.

Paul en zijn broers zijn zoals blijkt uit de rekeningen van Jan van Berry zeker vanaf 1411 tot 1415 in dienst geweest van de hertog.Inventaires de Jean duc de Berry (1401-1416) publiés et annotés par Jules Guiffrey, I, 128, no.42 en I , 102 no.349.

De drie broers zouden dus in 1411 begonnen zijn met het schilderen van de miniaturen. In een eerste fase werden de volbladminiaturen geschilderd in een vierkant kader met een halfronde lob bovenaan en met vier tekstlijnen onderaan. Later wordt de lay-out aangepast en worden de volbladminiaturen echt bladvullend. De afbeeldingen van de maanden in de kalender waren waarschijnlijk de laatste miniaturen die de gebroeders van Limburg realiseerden. Er zijn verschillende pogingen ondernomen om de hand van de drie broers in de miniaturen te identificeren maar hierover is tot nog toe geen overeenstemming bereikt tussen de onderzoekers.Colenbrander, Op zoek naar de gebroeders Limburg, p. 9

De andere miniaturisten miniatuur|Detail van het kalenderblad van december, f12v, Barthélemy van Eyck(?)

De gebroeders Van Lymborch stierven in 1416, kort na hun opdrachtgever, en het boek bleef onafgewerkt achter zoals vermeld werd in de inventaris van Jan van Berry. De kunsthistoricus Millard Meiss uit de VS, die het werk uitvoerig bestudeerde, zag maar twee grote fases in de totstandkoming van het werk namelijk de fase voor 1416 met de gebroeders Van Lymborch en de fase van de jaren 1480, toen het werk in het bezit kwam van Karel I van Savoye. Maar de Italiaanse kunsthistoricus Luciano Bellosi poneerde in 1975 de stelling dat een aantal van de kalenderbladen onmogelijk van de hand van de gebroeders Limburg konden zijn op basis van de kleding van de afgebeelde personen die pas voorkwam omstreeks het midden van de 15e eeuw. In tegenstelling tot wat men vroeger dacht wordt nu vrij algemeen aanvaard dat de Limburgs de maanden januari, februari, maart (gedeeltelijk), april, mei, juni (gedeeltelijk), augustus en december (gedeeltelijk) schilderden maar dat de maanden maart, juni, juli, september, oktober en december werden geschilderd of afgewerkt omstreeks het midden van de 15e eeuw,Bellosi (Luciano), I Limbourg precursori di Van Eyck? Nuove osservazioni sui Mesi di Chantilly, in Prospettiva, 1975, p. 24.34. misschien door Barthélemy van Eyck hoewel de kunsthistorici het daarover ook nog niet eens zijn.Catherine Reynolds, The 'Très Riches Heures, the Bedford Workshop and Barthélemy d'Eyck, Burlington Magazine, vol. 147, no 1229, augustus 2005, pp. 526-533 Barthélemy van Eyck werkte onder meer voor René van Anjou en verluchtte voor hem het manuscript van de Le livre du coeur d’amour épris geschreven door René zelf. Dit leidt sommige onderzoekers ertoe te veronderstellen dat het boek toen in het bezit was gekomen van René van Anjou waarschijnlijk via zijn moeder Yolande van Aragón, de schoonmoeder van Karel VII.

miniatuur|left|De vlucht naar Egypte, f57r, miniatuur van de hand van Jean Colombe

In de jaren 1480 was het handschrift in het bezit van Karel I van Savoye. Hoe het bij hem terechtgekomen was, werd nog steeds niet met zekerheid vastgelegd. De hypothese die heel dikwijls naar voor geschoven wordt is dat de onafgewerkte katernen in de koninklijke bibliotheek terechtgekomen waren tijdens het bewind van Karel VI en daar bleven onder Karel VII en Lodewijk XI, de echtgenoot van Charlotte van Savoye. Karel van Savoye zou het onafgewerkte manuscript dan omstreeks 1483 in zijn bezit hebben gekregen. Hij gaf opdracht aan de miniaturist Jean Colombe om het boek af te werken.R. Cazelles, Les étapes de l'élaboration des Très Riches Heures du duc de Berry, in Revue française d’histoire du livre, nº10 – 1976, p. 14.

Na de 15e eeuw Karel kon niet lang genieten van zijn nieuwe bezit: hij overleed kinderloos in 1490. Zijn bezittingen gingen over in handen van zijn neef Filibert de Schone. Toen ook deze kinderloos overleed (1504), viel het manuscript toe aan zijn weduwe, Margaretha van Oostenrijk. Zij was landvoogdes van de Bourgondische Nederlanden en, zoals blijkt uit een inventarisatie van bezittingen uit 1523, liet zij een aantal manuscripten, waaronder une grande heure escripte à la mainVrij vertaald: Een groot getijdenboek met de hand geschreven overbrengen naar Mechelen. Volgens Paul Durrieu zou dit handschrift Les Très Riches Heures zijn geweest. Steeds volgens Durrieu kwam het boek na het overlijden van Margaretha in 1530 in handen van Jean Ruffaut, thesaurier en betaalmeester van keizer Karel V en werd het daarna verworven door Ambrogio Spinola, die betrokken was bij de strijd in de Spaanse Nederlanden.Ruffaut was een van de executeurs van Margaretha’s testamenthttp://www.christusrex.org/www2/berry/hours.html Anderen zijn dan weer van oordeel dat het werk in het bezit van de familie van Savoye gebleven is en nooit Italië verlaten heeft.Raymond Cazelles, 2001, pp. 211-213. De aanwezigheid van het boek in Mechelen geeft een voor de hand liggende verklaring voor de kopieën van bepaalde kalenderbladen die zijn terug te vinden in het Breviarium-Grimani.

miniatuur|Hendrik van Orléans, hertog van Aumale

In de daarop volgende eeuwen leek het werk van de aardbodem te zijn verdwenen. In de 18e eeuw werd het manuscript opnieuw ingebonden in een rode marokijnlederen omslag en voorzien van het wapen van de familie Spinola. In het midden van de 19e eeuw was het in het bezit van de Italiaanse baron Felix de Margherita die het zou geërfd hebben van de markies Gérôme de Serra (1767-1837), burgemeester van Genua, die eveneens zijn familiewapen had laten aanbrengen.

In december 1855 werd de hertog van Aumale, die op dat moment in asiel was in Groot-Brittannië, door Antonio Panizzi, adjunct-bibliothecaris bij het British Museum getipt dat het werk te koop zou zijn. Hij kocht het manuscript op 20 januari 1856 voor de som van 22.000 francs.Een dagloon bedroeg toen ca. één franc. In 1871 keerde de hertog terug naar Frankrijk en nam het boek met zich mee. De hertog van Aumale liet uiteindelijk al zijn verzamelingen en het kasteel van Chantilly na aan het Institut de France, waar het sinds 1897 bewaard wordt in het Musée Condé. In zijn testament was bepaald dat het handschrift het kasteel niet mocht verlaten.

Vormgeving miniatuur|left|f110r, een typische tekstbladzijde met versierde initialen, lijnvullers en margeversiering.