Leonard Pierre Joseph burggraaf du Bus de Gisignies (Dottenijs, 28 februari 1780 – Oostmalle, 31 mei 1849) was een hoge ambtenaar, bestuurder en politicus in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij was voorzitter van de Tweede Kamer en gouverneur-generaal in Nederlands-Indië. Hij werd op 20 februari 1816 KB 66 verheven in de Nederlandse adelstand en werd op 22 mei 1819 burggraaf.
Herkomst en gezin Hij werd geboren als Leonard Dubus, vervolgens du Bus, en zo werd hij bij zijn opname op de lijst van geadelden in 1816 genoemd. Later werd hij du Bus de Gisignies, doordat hij er kennelijk in geslaagd was de naam van de heerlijkheid in het bezit van zijn moeder, Marie-Thérèse Vuylsteke, vrouwe van Gisignies (1754-1782) aan de zijne toe te voegen. Referentie hiervoor ontbreekt. Zijn vader, Pierre Ignace du Bus (1756-1785) was werkzaam als rentmeester van voorname leenheren en als griffier van de gemeente Dottenijs. Als vijfjarige wees werd Leonard opgenomen in het huis van zijn grootvader, baljuw François Joseph du Bus (1725-1790) en nadien van zijn oom, advocaat François Joseph Du Bus (1757-1835), vader van het Nationaal Congreslid François Louis Joseph Du Bus, die in Doornik woonde.
Du Bus deed zijn middelbare studies in Doornik, tijdens de jaren van de Franse Revolutie. Het Sint-Pauluscollege, overgenomen door het stadsbestuur, verstrekte op ongeregelde tijdstippen onderwijs. Toen hij zeventien of achttien werd, kon hij nergens terecht voor het aanvatten van hogere studies, zowel de universiteit van Leuven als de Noord-Franse universiteiten zoals die van Dowaai gesloten zijnde. Op basis van bewaarde paspoorten mag men aannemen dat hij tussen 1797 en 1802 nogal wat reisde.
Op 20 juli 1802 trouwde hij in Brugge met Marie-Anne de Deurwaerder (1783 - 23 juli 1836 in het kasteel te Oostmalle), de dochter van de Brugse voormalige stadspensionaris, politicus en magistraat Bernard De Deurwaerder (1752-1832). Ze hadden zes kinderen: jonkvrouw Clémentine (1803-1817), ridder Gustave (1807-1831), burggraaf Bernard Amé du Bus de Gisignies (1808-1874), burggraaf Albéric du Bus de Gisignies (1810-1874), baron Chrétien (1819-1835), burggraaf Constantin (1823-1850).
Na overlijden van Marie-Anne hertrouwde hij op 20 november 1839 in Rumst met Marie-Antoinette van der Gracht (1779-1864), dochter van Eugène van der Gracht de Fretin en barones Marie Ferdinande Snoy. Zij was de weduwe van Pierre de Waepenaert.
Loopbaan Tijdens de Franse Tijd (1794-1815) In 1802 begon Du Bus zijn loopbaan als onbezoldigd lid van het vijfkoppige Bureel van Weldadigheid in Doornik. Zijn inkomsten vloeiden voort uit het substantiële onroerende vermogen van beide partners.
In april 1813 benoemde de Franse prefect hem tot adjunct-burgemeester van Doornik en bij de aftocht van de Fransen in 1814 was hij locoburgemeester. Enkele maanden later benoemden de nieuwe bewindvoerders hem tot onderintendant van het arrondissement Kortrijk. Deze aangestelde functionaris was belast met het toezicht op het provinciale bestuur. Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) Op 25 augustus 1814 ontmoette hij in Brussel voor het eerst Willem VI van Oranje-Nassau, de latere koning Willem I en op 15 september daaropvolgend mocht hij hem in Kortrijk verwelkomen. Zijn ‘neen’-stem bij de raadpleging over de nieuwe grondwet had geen nadelige gevolgen voor zijn verdere loopbaan. Nadat Du Bus zich op eigen initiatief als kandidaat had aangemeld bij Falck in Brussel, werd hij op 21 september 1815 benoemd tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de nieuwe provincie West-Vlaanderen. In het zittingsjaar 1818-1819 werd hij, als eerste Zuid-Nederlander, voorzitter van de Kamer.
In tegenstelling tot veel andere Vlamingen, die het niet eens waren met samenvoeging van de grondgebieden die nu Nederland en België vormen, was zijn politieke houding regeringsgezind. Dat werd door de koning opgemerkt en gewaardeerd, Du Bus werd overladen met bestuurlijke tekenen van erkenning. Op 20 februari 1816 was hij in de adelstand verheven, in september 1817 werd hij opgenomen in de Ridderschap van West-Vlaanderen en in mei 1819 kreeg hij de titel van burggraaf. Hij nam als wapenspreuk 'Finis laborum palma' (het einde kroont het werk, vrij vertaald: Na de inspanning komt de beloning).Meer letterlijk: De erepalm is het einder der moeite Onderscheiden werd hij als ridder (24 november 1816) en commandeur (20 juli 1823) in de Orde van de Nederlandse Leeuw en ontving op 6 juli 1830 het Grootkruis in dezelfde Orde.
In 1818 werd hij ingewijd in de Kortrijkse vrijmetselaarsloge L'Amitié, waar hij een jaar later een fikse rel ontketende toen hij ontslag nam en hij eiste dat zijn naam integraal uit de verslagen zou worden geschrapt.
In maart 1820 werd Du Bus benoemd tot gouverneur van Antwerpen wat hij bleef tot aan zijn benoeming in februari 1823 tot gouverneur van Zuid-Brabant, een functie die hij behield tot in 1828.
In 1822 was hij als gouverneur nauw betrokken bij de oprichting van Wortel-Kolonie en bekleedde hij de functie van vicevoorzitter van de Raad van Toezicht, waarvan prins Frederik de voorzitter was. Op 28 oktober 1822 brachten hij en de prins een bezoek aan de kolonie om de eerste kolonisten welkom te heten. Zijn taak bestond erin de kolonie economisch rendabel te maken. In datzelfde jaar kocht hij een privéperceel van 70 hectare heide in Minderhout, wat nu bekend staat als de Gouverneursbossen. De aankoopakte werd verleden in het Kasteel Cantecroy, waarbij hij de grond verwierf van Jean Louis Bausart, provincieraadslid voor het kanton Hoogstraten.
Commisaris-generaal van Nederlands-Indië Op 10 augustus 1825 werd du Bus door Koning Willem I benoemd tot commisaris-generaal van Nederlands-Indië. In september 1825 vertrok hij met zijn gevolg om op 3 februari 1826 in Batavia aan te komen op het eiland Java, en zijn intrek op 4 februari te nemen op paleis Buitenzorg in West-Java. Een commisaris-generaal werkt in opdracht van de koning, een gouverneur-generaal werkt in opdracht van de regering en moet dus met meer mensen rekening houden. Hij werd aanvankelijk voor drie jaar aangesteld en was daarmee de eerste Zuid-Nederlander die aan het hoofd stond van een Nederlandse kolonie. De benoeming paste in het streven van koning Willem I om zijn directe invloed in Nederlands-Indië te versterken. Als plaatsvervanger van de koning moest Du Bus het gezag van de kroon doen gelden en een breuk forceren met de bestaande machtsstructuren van de lokale koloniale elite, die al decennialang een grote mate van autonomie genoot door de geografische afstand tot Nederland. Zijn opdracht bestond erin besparingen door te voeren en de kolonie winstgevend te maken. Een gelijkaardige opdracht had hij eerder gekregen in België in Wortel-Kolonie. Doordat hij daar voortijdig werd weggehaald, werden de vooropgestelde doelstellingen niet gerealiseerd; de kolonie in België ging uiteindelijk failliet. Deze machtspositionering maakte deel uit van een bredere spanningsverhouding tussen de koning en zijn ministers en bracht voor Du Bus ook persoonlijke risico’s met zich mee. Zo nam hij het initiatief tot de oprichting van een vereniging ter herdenking van de Slag bij Waterloo. Hoewel deze vereniging in haar eerste jaar ongeveer 500 leden telde, bleek er in Nederlands-Indië weinig draagvlak voor een herdenking die sterk verbonden was met gebeurtenissen in België. Na afloop van de ambtstermijn van du Bus verdween de vereniging geruisloos. Hij kreeg een jaarlijkse vergoeding van f 200.000, omgerekend naar de 20e eeuw ruim 3 miljoen euro, met daarbij de toezegging dat hij zijn functie van gouverneur van Zuid-Brabant zou behouden bij terugkeer. Door de perikelen van de Belgische Opstand ging dit uiteindelijk niet door en bleef hij vanwege zijn nauwe banden met koning Willem I zonder functie.
Java-oorlog In de periode 1825-1830 woedde de Java-oorlog. Daarbij vocht een Nederlands leger tegen de lokale bevolking. Aan Javaanse zijnde waren er vermoedelijk circa 200.000 doden, mede door voedselgebrek, en de gevechten voerden tot een enorme materiële ravage.J. van Goor, De Nederlandse Koloniën. De geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600 – 1975, geciteerd in Erik Sweers, Het Cultuurstelsel 1830 – 1870 De Javaanse elite, daaronder degenen die aan het hoofd stonden van de lokale landbouwproductie, was voor een groot deel gedood. Er was daarnaast sprake van een uiterst slechte financiële situatie en daar moest volgens de Nederlandse regering snel verandering in worden gebracht. Temeer nu de "West-Indische" gebieden voor het koninkrijk Nederland in die periode verlieslatend waren en een zware lastenpost vormden voor de staatsbegroting. De koffieoogsten waren tot 1830 weliswaar gestegen, maar de wereldprijs daalde, dus dat bracht per saldo ook niets voor de schatkist. De rijst- en tabakproductie werd merendeels verhandeld binnen de archipel en er was niet veel beschikbaar voor de export. Gouverneur-generaal Du Bus bedacht het plan om onder leiding van Europese investeerders woeste gronden te ontginnen die de plaatselijke boeren in loondienst zouden moeten gaan bewerken, maar de bevolking was daartoe niet bereid. Het doel was om van Java een exportland voor tropische landbouwproducten te maken. De handelswinsten die hieruit voortvloeiden zouden voor het merendeel naar de Nederlandse staatskas gaan.
Du Bus bleef zijn hoge koloniale functie door de omstandigheden uitoefenen tot 16 januari 1830. De aantreding van zijn opvolger, Johannes van den Bosch, oprichter van de Koloniën van Weldadigheid waartoe ook Wortel-Kolonie behoorde, liep vertraging op. Tijdens zijn ambtsperiode spande hij zich in om de financiën en het bestuur in Nederlands-Indië op orde te krijgen. Er was een plaats naar hem vernoemd: Fort Du Bus. Opvolger gouverneur-generaal Johannes van den Bosch voerde een nieuw systeem in voor de landbouw ter vervanging van het landrentestelsel: het cultuurstelsel, mede om de Java-oorlog te bekostigen. Ook de kosten van de strijd tegen de Belgen speelde hierbij een rol; de Belgische omwenteling betekende een derving van inkomsten uit de Vlaamse textielindustrie en de Waalse mijnbouw.Reybroeck, D. van, (2020), Revolusi - Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld, De Bezige Bij, Amsterdam, p. 56
Op 9 mei 1828 werd Du Bus benoemd tot minister van Staat, wat hij als een wegpromoveren beschouwde, want hij kon nu niet meer terug naar de tot dan voor hem warm gehouden gouverneurszetel.
Terug in België Eind juni 1830 keerde Du Bus terug uit Nederland en nam hij zijn intrek in een statig pand aan de Hertogstraat in Brussel, in afwachting van een nieuwe hoge functie die de koning hem mogelijk zou toevertrouwen. De Belgische Revolutie maakte hier echter een einde aan.
Na het uitroepen van de onafhankelijkheid van België op 18 oktober 1830 werd Du Bus uit het ereambt van minister van Staat ontheven. Hij bleef nochtans trouw aan Oranje. Hij maakte deel uit van het orangistisch verzet tegen de Belgische afscheuring, zonder een sleutelfiguur te zijn. In oktober 1830 kocht Du Bus een vervallen kasteel aan in Oostmalle, bekend onder de naam kasteel de Renesse, en in 1832 nam hij er zijn intrek. Zijn echtgenote, met wie hij sinds zijn vertrek naar de Nederlands-Indië niet meer had samengewoond, verliet haar woning in Rijsel om in 1836 in dit kasteel te sterven.
In 1834 verleende Willem I een barontitel aan zijn zonen Bernard, Albéric, Constantin en Chrétien. In 1840 kreeg hijzelf een Nederlands staatspensioen omdat België geen pensioen betaalde voor mandaten van vóór 1830.