Duivenvoorde is een buitenplaats met een statig kasteel in de vorm van een omgracht edelmanshuis en telt totaal 23 complexonderdelen.Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed complexnr. 46974: Buitenplaats Duivenvoorde Het ligt in de Duivenvoordecorridor onder de Zuid-Hollandse plaats Voorschoten. De bouw van de huidige zeventiende-eeuwse buitenplaats was in 1631 gereed. Dit jaartal staat boven de toegangsdeur. Het was niet het eerste gebouw hier. Al in de eerste helft van de dertiende eeuw werd een versterkte middeleeuwse woontoren op de plaats van het huidige kasteel gebouwd. Het wordt al in 1226 genoemd.

De buitenplaats is bijna achthonderd jaar bewoond geweest door achtereenvolgens de families Van Wassenaer, Steengracht en Schimmelpenninck van der Oye. Het huis is nooit verkocht en vererfde altijd via mannelijke óf vrouwelijke lijn.

Het interieur Duivenvoorde heeft verschillende historische interieurs. In de noordelijke vleugel bevindt zich de Marotzaal uit 1717 met daarin vijf levensgrote familieportretten van de hand van hofschilder Theodorus Netscher (1661-1728). Het echtpaar Van Wassenaer-Bentinck gaf hofschilder Netscher aan het begin van de achttiende eeuw de opdracht een aantal van zijn voorouders levensgroot te portretteren, en om andere, al bestaande portretten voor de zaal aan te passen. In een zaal die bedoeld was om te imponeren was een schildergalerij als deze van grote waarde.

Verder bevinden zich in het kasteel onder andere een adelsbibliotheek, een salon, verschillende slaapvertrekken en een goudleerkabinet. Op de zolder van het huis bevindt zich de mangelkamer.

Bezitters van het Huis Duivenvoorde In de bijna 750 jaar van particulier bezit is het huis nooit door verkoop in andere handen overgegaan. Als het op een ander geslacht overging was dat altijd door vererving, soms via de vrouwelijke lijn. Dit is slechts bij weinig kastelen in Nederland het geval. In de eerste vijf eeuwen werd het kasteel bewoond door een en dezelfde familie, namelijk de Van Wassenaer van Duivenvoordes, die haar naam aan het landgoed had ontleend.

De oudste vermelding van een bezitter van Duivenvoorde stamt uit 1226. Sinds dat jaar is het landgoed ruim vijf eeuwen in bezit geweest van het geslacht Van Wassenaer, een van de oudste adellijke families van Nederland. Na het geslacht Van Wassenaer vond de vererving een aantal keren via de vrouwelijke lijn plaats, wat leidde tot andere familienamen op kasteel en landgoed. In 1960 eindigde het particulier bezit met de overdracht van kasteel en landgoed aan de Stichting Duivenvoorde.

Na de eerste eigenaar van het landgoed, Filips II van Wassenaer, ging het landgoed steeds van vader op zoon over. De eerste eeuwen waren roerige tijden met de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Er was in de periode 1345 tot 1490 sprake van een politieke machtsstrijd over de vraag wie recht had op de titel graaf van Holland en Zeeland. Dit conflict leidde tot veel geweld tussen de Hollandse edelen. Dikwijls werden daarbij ook kastelen verwoest, maar van schade aan Duivenvoorde is niets bekend. In de loop van de tijd werd de woontoren uitgebreid met nieuwe woon- en werkruimtes. De woontoren werd een woonkasteel. De uitbreidingen vonden in verschillende fases plaats zonder gestructureerd plan. De inkomsten van de landheren in die tijd bestonden uit belastingen en tolrechten die ze mochten heffen, aangevuld met de opbrengsten van de landerijen en (pacht)boerderijen. Bovendien vervulden zij militaire taken in opdracht van de graaf van Holland. Deze militaire functies werden overigens geleidelijk aan minder belangrijk.

In 1600 werd Johan van Wassenaer (1576-1645) op 23-jarige leeftijd eigenaar van Duivenvoorde. Hij liet in zijn naam de toevoeging Van Duvenvoirde weg omdat de oudste tak van het geslacht Van Wassenaer in 1523 was uitgestorven. In 1603 werd hij namens de ridderschap lid van de Staten van Holland. Kort daarna werd hij hoogheemraad van Rijnland en curator van de Leidse universiteit die in 1575 was opgericht. En in 1615 verwierf hij de heerlijkheid Voorschoten, waardoor hij ambachtsheer van Voorschoten werd. Johan van Wassenaer was al snel bijzonder rijk. Dat kwam mede door zijn jong gestorven eerste echtgenote, Maria van Voërst van Doorwerth (-1610). Zij had een enorm vermogen geërfd van haar ouders en na haar vroege dood viel dit vermogen aan Johan toe. Hij liet een fraai huis bouwen op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout. In 1626 was het stadshuis gereed en bewoonbaar. Dat huis staat er nog steeds, maar het heeft tegenwoordig een functie als kantoor.

Het middeleeuwse kasteel had te kampen met veel achterstallig onderhoud. Nu hij een stadshuis als winterverblijf had, dat paste bij zijn vooraanstaande positie, wilde Johan van Wassenaer ook een mooie buitenplaats als zomerverblijf hebben. Dat zomerverblijf werd gerealiseerd op de locatie van het middeleeuwse kasteel. De woontoren en bijgebouwen werden voor een groot deel afgebroken. De achtermuur en de noordelijke zijmuur van het huidige Voorhuis zijn nog delen van de vroegere woontoren.

In 1817 kwamen landgoed en kasteel via vererving in handen van de toen tienjarige Henriëtte van Neukirchen genaamd Nyvenheim (1807-1849). In 1830 trouwde zij met Nicolaas Johan Steengracht (1806-1866). Zijn komst betekende een nieuw leven voor kasteel en landgoed. In de decennia van verhuur was ooit de suggestie opgeworpen om het kasteel te slopen, omdat het vooral een kostenpost was. De nieuwe eigenaren besloten tot een grondige opknapbeurt van het kasteel, waarbij het achterstallig onderhoud werd weggewerkt. De baroktuin rond het kasteel werd vervangen door een Engelse landschapstuin met grote vijvers naar een ontwerp van de landschapsarchitect Zocher. De Engelsman Donaldson tekende voor de brug die aan de voorzijde van het kasteel werd aangelegd. De stenen vazen, die op sokkels op de brug staan, zijn afkomstig uit de eerdere baroktuin.

Nadat zijn vader in 1866 was overleden werd Hendricus Adolphus Steengracht (1836-1912) de nieuwe eigenaar van Duivenvoorde. Hij erfde een kasteel dat enige decennia daarvoor grondig was opgeknapt en voorzien van een recent aangelegd park. Zijn bijdrage aan het huis bestaat vooral uit de collectie porselein die hij aanschafte. Steengracht was een verwoed porseleinverzamelaar. In het kasteel zijn daarvan onder andere nog serviezen en serviesonderdelen van Loosdrechts, Haags en Meissenporselein te zien.

In 1912 overleed Steengracht. Hij was niet getrouwd en er was daarom geen logische erfgenaam. Hij legde de vererving in zijn testament vast en opnieuw vond de vererving via de vrouwelijke lijn plaats. De oudste zuster van erflater was getrouwd met een baron Schimmelpenninck van der Oye. Het geslacht Schimmelpenninck van der Oye was afkomstig uit Gelderland, waar leden van deze familie bestuurlijke openbare functies hadden vanaf de vijftiende eeuw. Steengracht bepaalde dat de kleinzoon van zijn zuster, Willem A.A.J. baron Schimmelpenninck van der Oye (1889-1957), de nieuwe eigenaar zou worden. Deze ongehuwde baron ging in 1917 in het kasteel wonen samen met zijn eveneens niet getrouwde zus Ludolphine Henriëtte baronesse Schimmelpenninck van der Oye (1891-1965). Anders dan eerdere eigenaren bleven zij ook in de winter in het kasteel wonen. Tijdens de wintermaanden trokken ze zich terug in een aantal kamers van de zuidvleugel, omdat het onmogelijk was het hele kasteel warm te stoken.

Het park miniatuur Het Kasteel Duivenvoorde heeft in zijn bijna acht eeuwen historie verschillende tuinfasen gekend. Na een begin als nutstuin (boomgaard en moestuin) werd de tuin in de vroege achttiende eeuw door Arent IX van Wassenaer (1669–1721) omgevormd tot een formele, classicistische tuin, geheel volgens de gangbare mode onder vorsten en adellijke personen in die tijd. De Zeeuwse jonkheer Nicolaas Johan Steengracht (1806–1866) nam in de jaren veertig van de 19e eeuw de bekende landschapsarchitect J.D. Zocher (1791–1870) in de arm om de classicistische tuin om te vormen tot een Engels landschapspark.

Na ruim 150 jaar had het park veel van zijn natuurlijke vitaliteit verloren en waren de vormen geleidelijk vervaagd. Stichting Duivenvoorde heeft samen met landschapsarchitect Michael van Gessel het Parkherstelplan Duivenvoorde ontwikkeld om de vitaliteit van het park te verbeteren en nieuwe ruimtelijkheid te scheppen. Daarbij is rekening gehouden met de geschiedenis van het park en de aanwezige flora en fauna. Dit parkherstelplan is in 2014-2015 uitgevoerd.

De zichtlijnen op het omringende landschap zijn teruggebracht. Verdwenen elementen, zoals een vijver zijn terug en bosschages die het oorspronkelijke ontwerp vertroebelden, zijn verwijderd. De paden en bruggen zijn vernieuwd, tuinmuren hersteld, en er zijn nieuwe zit- en wandelmogelijkheden gemaakt. In 2017 is er een theepaviljoen/landgoedwinkel gerealiseerd.

Collecties De Collectie Duivenvoorde geldt als een uitzonderlijke familiecollectie, bijeen verzameld in de bijna achthonderd jaar geschiedenis door de zevenentwintig eigenaren. Een van de grootste deelcollecties van het kasteel is de bibliotheek, met haar ruim zesduizend boeken en manuscripten. Een van de topstukken van de bibliotheekcollectie is het achttiende-eeuwse Surinameboek van Maria Sibylla Merian (1647-1717). Zeer bijzonder is daarnaast de collectie porselein en keramiek.

Duivenvoorde heeft daarnaast een grote collectie schilderijen en portretten in bezit. Portretten waren stukken die in de familie bleven en maar zelden werden verkocht. Dit was niet in de laatste plaats omdat deze vrijwel alleen voor de familie zelf van waarde waren. Gedurende de eeuwen werd op Duivenvoorde een steeds groter wordende portrettencollectie opgebouwd, bij bijeengebracht door de 27 eigenaren die Duivenvoorde bestierden. Uitzonderlijk zijn onder andere vijf stillevens van Maria Vos (1824-1909), te zien in de voormalige Kleine Eetkamer en een winterlandschap van de hand van Andreas Schelfhout (1787-1870).

Romeinse gevelstenen miniatuur|In het voorhuis boven de trapopgang is een Romeinse steen ingemetseld In 1717 zijn twee Romeinse stenen als gevelsteen als spolia in de achtermuur van het voorhuis ingemetseld.

De grote steen heeft een inscriptie aan de voorzijde (CIL XIII 8824) over het herstel van een wapenmagazijn door Romeinse troepen, die gedateerd is uit de periode 196 en 198 n.Chr. (keizer Septimius Severus). De tekst op de andere kant (CIL XIII 8823) is ouder en ergens uit de periode 103-111 n.Chr. (keizer Trajanus). Bij het maken van de nieuwe tekst is de steen kleiner gemaakt waardoor de oudere tekst is verminkt.

De kleine steen (CIL XIII 8825) dateert ook uit de periode van Septimius Severus, maar in opdracht van Caracalla is rond 215 de naam van keizer Geta weggebeiteld.

Het verhaal gaat dat beide stenen afkomstig zijn van de Brittenburg, de vermoedelijk Romeinse ruïne die in 1520 voor de kust van Katwijk boven water kwam. Voor de grote steen kan dit verhaal niet waar zijn, want in de in 1517 verschenen 'Divisiekroniek' wordt onomstotelijk naar de tekst van de grote steen verwezen, met daarbij de vermelding dat deze gevonden is in 1502 bij het omploegen van een stuk land bij het klooster Roomburg. Daar lag vroeger de Romeinse nederzetting Matilo, ook de kleine steen wordt tegenwoordig beschouwd als oorspronkelijk afkomstig uit Matilo.Chrystel R. Brandenburgh en Wilfried A.M. Hessing, Matilo - Rodenburg - Roomburg, De Roomburgerpolder: van Romeins castellum tot moderne woonwijk, 2005, Gemeente Leiden / Dienst bouwen en wonen

Lijst van bezitters thumb|Gevelsteen die memoreert aan de verbouwingen door Arent IX van Wassenaer. thumb|Johan van Duvenvoorde(1576–1645)

De volgende personen zijn eigenaar van Kasteel Duivenvoorde geweest: