Liberty-schepen waren vrachtschepen die gedurende de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in de Verenigde Staten volgens een eenvoudig standaardontwerp. Ze konden snel en goedkoop in grote series gebouwd worden en werden het symbool van de industriële militaire massaproductie van de VS gedurende de oorlogsjaren. Ze werden op basis van de Lend-Lease Act geleverd aan het Verenigd Koninkrijk dat grote behoefte had aan scheepsruimte, onder meer ter vervanging van schepen die verloren gingen door aanvallen van Duitse U-boten in de Slag om de Atlantische Oceaan. Ook werden ze in groten getale aangeschaft voor de Amerikaanse transportvloot. Tussen 1941 en 1945 werden 2.751 Liberty-schepen gebouwd door zeventien Amerikaanse scheepswerven; verreweg het grootste aantal dat ooit naar één enkel ontwerp gebouwd werd.
Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog had men al schepen in serie gebouwd, bijvoorbeeld de Hog Islanders, maar nu waren de aantallen veel groter. De enorme inspanning om de Liberty-schepen te bouwen, het buitengewoon grote aantal dat werd gebouwd, en het feit dat nogal wat van deze schepen veel langer mee gingen dan de vijf jaar waarvoor ze ontworpen waren, heeft ervoor gezorgd dat ze legendarisch zijn geworden en dat er veel studie naar is gedaan.
De Merchant Marine Act In 1936 werd de Merchant Marine Act aangenomen. Deze wet had vier belangrijke doelstellingen voor de Amerikaanse koopvaardijvloot, namelijk:Zie John G. Bunker, pag. 11 voldoende schepen beschikbaar om de binnen- en buitenlandse goederenstromen te vervoeren; voldoende capaciteit om aan de militaire transportbehoefte te voldoen in tijden van crisis of oorlog; de schepen varen onder Amerikaanse vlag dan wel zijn Amerikaans eigendom; de schepen zijn modern en veilig, worden gebouwd door Amerikaanse werven en zijn voorzien van voldoende bemanning.
Voorlopers
Bouwcapaciteit als knelpunt De United States Maritime Commission werd opgericht om de Merchant Marine Act uit te voeren. Aanvankelijk betekende dit dat er voldoende overheidsgeld kwam om een jaarlijkse productie van 50 koopvaardijschepen mogelijk te maken. Deze zouden dan in oorlogstijd gebruikt kunnen worden voor militair transport of andere doeleinden van de Amerikaanse marine. Het aantal werd verdubbeld in 1939 en wederom in 1940, tot 200 schepen per jaar. Er was behoefte aan verschillende scheepstypen, waaronder een tanker en drie soorten vrachtschepen, die allemaal door stoomturbines zouden worden aangedreven. Echter, door de beperkte industriële capaciteit, vooral voor de productie van stoomturbines, werden er maar weinig van deze schepen gebouwd.
Ocean-klasse In 1940 bestelde de Britse regering 60 stoomschepen bij Amerikaanse scheepswerven om oorlogsverliezen te compenseren en de koopvaardijvloot te vergroten. Deze schepen uit de Ocean-klasse waren eenvoudig, zodat elke grote scheepswerf ze kon bouwen. Liberty's waren behoorlijk fors voor die tijd, met een kolengestookte stoommachine van 2.500 pk naar een verouderd maar betrouwbaar ontwerp. De keuze was op kolen gevallen, omdat Groot-Brittannië wel over kolenmijnen beschikte, maar geen eigen olievelden had. Het nieuwe ontwerp had een waterverplaatsing van 10.100 ton. Bemanningsverblijven en brug bevonden zich midscheeps, evenals de stoommachine, die dus een lange schroefastunnel nodig had. Het eerste schip in de Ocean-klasse, de Ocean Vanguard, liep op 16 augustus 1941 van stapel.
Liberty-klasse miniatuur|Bouwplan Liberty-schip De United States Maritime Commission paste het ontwerp van de Ocean-klasse al snel aan om het in overeenstemming te brengen met de Amerikaanse bouwmethodes, en om de schepen nog sneller en goedkoper te kunnen bouwen. Een derde van de arbeid aan de Ocean-klasse bestond uit het klinken van verbindingen, en men bespaarde veel tijd en kosten door die zoveel mogelijk te vervangen door laswerk. Verder had Amerika olie genoeg en men plaatste een compound-stoommachine die op stookolie draaide. Met 2500 pk was een snelheid van 11-11,5 knopen haalbaar, 20 tot 22 km/u.
De schepen hadden een lengte van 135 meter en waren 17,3 meter breed. Er waren vijf ruimen, waarvan drie vóór de machinekamer en twee erachter. De capaciteit kwam overeen met 300 spoorwagons. Laadbomen maakten het mogelijk de schepen te laden en te lossen zonder hulp van faciliteiten aan de wal.
De bouwopdracht werd gegeven aan een conglomeraat van aannemers aan de westkust van de Verenigde Staten dat bekendstond als de Six Companies. Op 27 maart 1941 werd het aantal te bouwen Lend-Lease Act-schepen verhoogd tot 200 volgens de Defense Aid Supplemental Appropriations Act. In april werd dit aantal verder verhoogd tot 306, waarvan 117 Liberty-schepen zouden zijn.
De schepen hadden aanvankelijk een slecht imago door hun vormgeving. In een toespraak waarin hij het noodprogramma voor de scheepsbouw aankondigde, had president Roosevelt het schip "a dreadful looking object" genoemd, en TIME Magazine noemde het een "Ugly Duckling": een lelijk eendje. In een poging de publieke opinie bij te stellen, werd 27 september 1941 uitgeroepen tot Liberty Fleet Day en werden de eerste 14 "noodschepen" te water gelaten. Het eerste op die dag was het SS Patrick Henry, te water gelaten door de president. Daarbij citeerde hij Patrick Henry's toespraak uit 1775, die eindigde met
Roosevelt merkte op dat de nieuwe scheepsklasse vrijheid (liberty) naar Europa zou brengen.
De schepen werden meestal genoemd naar beroemde overleden Amerikanen, beginnend met de ondertekenaars van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Daarnaast kon iedere groep die voor twee miljoen dollar aan war bonds (oorlogsobligaties) wist te verkopen een naam voorstellen.
Afgebouwde schepen werden afgeleverd aan de United States Maritime Commission. Scheepsagenten namen de schepen over en zorgden voor de dagelijkse gang van zaken, zoals het laden en lossen van de schepen, brandstof, proviand, bemanning, en toestemming van de autoriteiten om havens aan te doen. In totaal werden door de commissie 84 agenten ingeschakeld voor de groeiende koopvaardijvloot. De scheepsagent bracht zijn kosten in rekening bij de overheid en kreeg verder een vast bedrag per schip onder zijn beheer als vergoeding van algemene kosten en winst.
Ook verschillende olietankers werden in massa geproduceerd. De T2-tanker was het meest talrijk, met 490 exemplaren tussen 1942 en eind 1945.
Productie De Liberty-schepen werden gebouwd op 17 werven, waarvan sommige speciaal voor dit doel aangelegd waren. Van deze werven werden er zeven geleid door ervaren scheepsbouwers en zes door de Six Companies, een nieuwkomer met veel ervaring in de industriële bouw. De resterende vier waren van ondernemers die nooit eerder schepen hadden gebouwd.
Belangrijke werven die veel Liberty-schepen hebben gebouwd zijn:Zie Sawyer en Mitchell Bethlehem Fairfield Shipyard, Baltimore, Maryland 385 schepen California Shipbuilding Corporation (Calship), Los Angeles, Californië 306 schepen; gemiddelde prijs van 1.858.000 dollar en 30 Libertytankers Delta Shipbuilding Company, New Orleans, Louisiana 132 schepen, 32 Libertytankers en 24 Libertybulkschepen voor het vervoer van steenkool New England Shipbuilding Corporation, twee werven: Oost en West, Portland, Maine 236 schepen; gemiddelde prijs van 1.892.000 dollar en acht Liberty-schepen voor het vervoer van vliegtuigen in kratten North Carolina Shipbuilding Company, Wilmington (North Carolina), North Carolina 126 schepen; gemiddelde prijs van 1.543.600 dollar Oregon Shipbuilding Corporation, Portland, Oregon 322 schepen tegen een gemiddelde prijs van 1.643.000 dollar Permanente Metals Shipyard No 1, Richmond, Californië 138 schepen; gemiddelde prijs van 1.875.300 dollar St Johns River Shipbuilding, Jacksonville, Florida 82 schepen; gemiddelde prijs 2,1 miljoen dollar Southeastern Shipbuilding Corporation, Savannah, Georgia 88 schepen; gemiddelde prijs 2 miljoen dollar Todd Houston Shipbuilding Corporation, Houston, Texas 208 schepen; gemiddelde prijs 1.833.400 dollar
Aanvankelijk waren er 230 dagen nodig om een Liberty-schip te bouwen (244 dagen voor de Patrick Henry), maar het gemiddelde daalde uiteindelijk naar 42 dagen. Het record werd gevestigd met de bouw van de Robert E. Peary, die 4 dagen en 15½ uur na de kiellegging te water gelaten werd. Dit was echter vooral een publiciteitsstunt van industrieel en scheepsbouwer Henry J. Kaiser en werd niet meer herhaald. De schepen werden grotendeels volgens de methode van de lopende band uit geprefabriceerde delen. In 1943 werden er dagelijks drie nieuwe Liberty-schepen voltooid.
De eerste Liberty-schepen hadden last van scheuren in de romp en het dek, en enkele gingen op zee verloren als gevolg van deze gebreken. Gedurende de Tweede Wereldoorlog waren er bijna 1500 gevallen van ernstige brosse breuken. Twaalf schepen, waaronder drie Liberty-schepen, braken onverwacht in tweeën. De oorzaak werd gezocht bij de scheepswerven, waar de schepen met grote haast waren gebouwd, vaak door onervaren werklieden en met gebruikmaking van nieuwe lastechnieken. Later werd echter aangetoond dat de breuken het gevolg waren van de eigenschappen van het gebruikte staal. De schepen waren vaak zwaar overbeladen en een aantal problemen ontstond tijdens of na zware stormen die ieder ander schip ook in gevaar zouden hebben gebracht. Het Victory-schip, de opvolger van het Liberty-schip, was sterker en minder stijf, zodat het minder last had van metaalmoeheid.
Inzet tijdens de oorlog Een opmerkelijk Liberty-schip was de SS Stephen Hopkins, die in september 1942 de veel zwaarder bewapende Duitse hulpkruiser Stier tot zinken bracht. De Stier was bewapend met zes 15 cm-kanonnen en twee torpedobuizen; de Stephen Hopkins had één 4 inch-kanon, twee 37 mm-kanonnen en een aantal machinegeweren aan boord. Ook de Stephen Hopkins is gezonken als gevolg van deze confrontatie, maar was wel het eerste Amerikaanse schip dat een Duits oorlogsschip tot zinken bracht.
Eveneens opmerkelijk, zij het in minder positieve zin, is het SS Richard Montgomery: het wrak van dit schip ligt voor de kust van Kent (Engeland) met 1.500 ton explosieven aan boord, genoeg om de kracht van een kleine atoombom te evenaren, mochten ze ooit afgaan.
Het SS Jean Nicolet was eveneens een onfortuinlijk Liberty-schip, dat in juli 1944 getorpedeerd werd in de Indische Oceaan door de Japanse onderzeeboot I-8 en de beruchte korvettenkapitein Ariizumi. Het schip zonk, maar alle 99 opvarenden bereikten veilig de reddingsboten. De Japanners gingen aan boord van de reddingsboten wreed tekeer en uiteindelijk waren er slechts 23 overlevenden.
Na de oorlog miniatuur|Museumschip Jeremiah O'Brien