Brandenburg-Pruisen (Duits: Brandenburg-Preußen) is de benaming voor het keurvorstendom Brandenburg en het hertogdom Pruisen in de periode dat deze staten in personele unie werden geregeerd, van 1618 tot 1701.
Pruisen werd, na de secularisering van de Duitse Orde, sinds 1525 als een hertogdom geregeerd door een tak van het huis Hohenzollern, evenals Brandenburg. Toen de Pruisische Hohenzollern met Albrecht Frederik in 1618 uitstierven, viel Pruisen toe aan de Brandenburgse tak in de persoon van Johan Sigismund. Brandenburg, het zwaartepunt van deze dubbelstaat, behoorde tot het Heilige Roomse Rijk, terwijl Pruisen formeel tot Polen behoorde.
Pruisen werd in 1701 tot koninkrijk verheven. Sindsdien wordt het gehele Hohenzollern-rijk doorgaans kortweg Pruisen genoemd.
Oprichting onder Johan Sigismund thumb|200px|left|Een 19e-eeuwse allegorie van het huwelijk van Johan Sigismund van Brandenburg met Anna van Gulik
In 1594 trouwde Anna, de jonge dochter van Albrecht Frederik van Pruisen, met Johan Sigismund, de zoon van Joachim Frederik, keurvorst van Brandenburg. Door dat huwelijk werd Sigismund de erfopvolger van het hertogdom Pruisen en de Gulik-Kleef-Berg. Na de dood van George Frederik I van Brandenburg-Ansbach in 1603, regent van Pruisen in naam van de depressieve Albert Frederik van Pruisen, verkreeg Joachim Frederik het regentschap over het hertogdom Pruisen. In 1603 werd het Verdrag van Gera gesloten door de leden van het huis Hohenzollern, met als doel dat de gebieden in de toekomst niet verdeeld zouden worden.
Johan Sigismund, keurvorst van Brandenburg sinds 1608, erfde het hertogdom Pruisen na de dood van Albert Frederik in 1618. Het hertogdom bleef een leen van de Poolse kroon tot 1656/7. Toen Johan Sigismund in 1616 een beroerte kreeg, waarna hij zowel lichamelijk als geestelijk gehandicapt was, nam zijn vrouw Anna het bestuur over. In 1619 overleed Johan Sigismund op 47-jarige leeftijd aan de gevolgen van een tweede beroerte.
George Willem thumb|200px|George Willem van Brandenburg
Van 1619 tot 1640 was George Willem keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen. Hij probeerde de macht van het keurvorstendom Saksen in het Opper-Saksische Kreits te breken, maar dat mislukte. De Brandenburgs-Saksische kwestie zorgde ervoor dat het leger dat de kreits moest bewaken niet goed meer werkte. Het leger werd tijdens de Dertigjarige Oorlog omver gelopen door de troepen van Albrecht von Wallenstein. De tactiek van George Willem om te beweren dat hij de troepen van Wallenstein niet zou aanvallen, zorgde ervoor dat het katholieke kamp in 1627 de Vrede van Koningsbergen moest accepteren. Zweden nam na het sluiten van het Verdrag van Stettin deel aan de oorlog. De Slag bij Frankfurt an der Oder werd in het voordeel van Brandenburg beslist. George Willem gebruikte opnieuw de claim van militaire neutraliteit om onder de oorlog uit te komen. Gustaaf II Adolf van Zweden zorgde ervoor dat George Willem zijn bondgenoot werd. Zweden bezette grote delen van Brandenburg-Pruisen en stuurde een leger naar de stadswallen van Berlijn. George Willem sloot geen bondgenootschap, maar hij besloot privileges, twee kastelen en geld aan Zweden over te dragen. De katholieke troepen verwoestten hierop Brandenburg en de andere gebieden van de Hohenzollern.
"Groot Keurvorst", Frederik Willem Tijdens de Dertigjarige Oorlog werd George Willem opgevolgd door zijn zoon Frederik Willem, bijgenaamd de Grote Keurvorst (Der Große Kurfürst). Het karakter van de jonge keurvorst werd bepaald door het calvinisme, waar hij kennis mee had gemaakt tijdens een lang verblijf in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens zijn grand tour en de gebeurtenissen tijdens de Dertigjarige Oorlog. Het overleg met zijn oom Gustaaf II Adolf van Zweden tijdens het verdrag van Stettin in Pommeren in 1630 had veel invloed op zijn latere leven.
Gevolgen van de Dertigjarige Oorlog thumb|left|200px|Frederik Willem, "Groot Keurvorst" van Brandenburg-Pruisen
Frederik Willem I van Brandenburg nam het bestuur van Brandenburg-Pruisen over tijdens een politieke, economische en demografische crisis midden in een oorlog. Na de opvolging gaf de nieuwe keurvorst weinig aandacht aan het Brandenburgse leger, maar dit veranderde in 1643/44. Of Frederik Willem een militair neutraliteitsverdrag met Zweden overeenkwam, is niet duidelijk. Het document uit 1641 bestaat en is nog niet als een falsificatie bestempeld.
De Zweedse troepen vielen het noorden van Duitsland aan en na het Verdrag van Bärwalde, gesteund door bondgenoot Frankrijk en bij de Vrede van Westfalen in 1648, behield Zweden zijn machtspositie. Zweden bestuurde het gebied rond de Oostzee door de bezittingen aan de kustlijn ("dominium maris baltici"). De ambities van Frederik Willem waren om het gebied in het estuarium van de Oder met Stettin in Zweeds-Pommeren in het bijzonder.
De markgraaf van Brandenburg bewoog zich in het Brandenburg-Pommerse conflict noordwaarts richting de Oostzee. Het Verdrag van Grimnitz in 1529 zorgde ervoor dat Brandenburg de successierechten van het hertogdom Pommeren verkreeg na het uitsterven van het huis Pommeren. Dit gebeurde na de dood van de laatste hertog van Pommeren Bogislaw XIV in 1637. Bij het verdrag van Stettin had Bogislaw XIV een deel van het gebied van het hertogdom overgedragen aan Zweden. Na de dood van Bogislaw XIV wilde Zweden geen gehoor geven aan de Brandenburgse claim. Het Verdrag van Westfalen verdeelde het hertogdom Pommeren tussen Brandenburg en Zweden. De grenzen die bepaald waren bij het verdrag van Stettin bleven geldig. Zweden behield het westelijke deel inclusief de benedenloop van de Oder (Zweeds-Pommeren) terwijl Brandenburg het oostelijke deel (Achter-Pomerania) bemachtigde. Frederik Willem was teleurgesteld door de uitkomst en het verkrijgen van Zweeds-Pommeren en daarmee geheel Pommeren werd een van de hoofddoelen van de buitenlandse politiek.
Bij de Vrede van Pommeren werd Frederik Willem gecompenseerd voor West-Pommeren door het verkrijgen van het bisdom Halberstadt en het vorstendom Minden en de successierechten van het aartsbisdom Maagdenburg werd geseculariseerd tot het hertogdom Maagdenburg. Met het verkrijgen van Halberstadt verkreeg Brandenburg-Pruisen een aantal kleinere gebieden: de heerlijkheid Derenburg, het graafschap Regenstein, de heerlijkheid Klettenberg en de heerlijkheid Lohra. Dit werd veroorzaakt doordat Frankrijk de machtsbalans niet wilde laten doorslaan naar de Habsburgers die de gebieden naast Pruisen in bezit hadden. Frederik Willem vond dit probleem rond deze gebieden minder belangrijk dan West-Pommeren omdat het gebied een territoriale eenheid zou worden.
Verwoesting Van alle Brandenburgse bezittingen had het Markgraafschap Brandenburg tijdens de Dertigjarige Oorlog het meest te lijden gehad. Vóór de oorlog was het gebied al dunbevolkt en de bevolking arm in vergelijking met de rest van het Heilige Roomse Rijk. De oorlog had in het markgraafschap 60 steden, 48 kastelen en 5.000 dorpen verwoest. Ongeveer de helft van de bevolking was omgekomen en in sommige gebieden had slechts tien procent de oorlog overleefd. De bevolking was afgenomen van 300.000 voor de oorlog tot 75.000 na de oorlog. In belangrijke steden zoals Berlijn en Frankfurt an der Oder, overleefde een derde van de bevolking de oorlog. Sommige gebieden waren door de oorlog totaal verwoest. In Pommeren overleefde een derde de oorlog. Maagdenburg, vóór de oorlog een van de rijkste gebieden van het rijk, was na het beleg zo goed als van de kaart geveegd: de stad was geheel afgebrand en de bevolking gedood. Het minst zwaar getroffen was het hertogdom Pruisen, waar de oorlog slechts drie jaar gewoed had.
Ondanks de pogingen om het gebied weer te bevolken, duurde het tot in het midden van de achttiende eeuw voordat het bevolkingsaantal weer op het peil van vóór de oorlog was.
Angst voor een oorlog in het Rijnland thumb|200px|Kaart van de Nederrijnse gebieden
In juli 1651 brak Frederik Willem met de afspraken van de Vrede van Westfalen door het hertogdom Gulik binnen te vallen vanuit het naastgelegen Kleef. Het Verdrag van Xanten had een einde gemaakt aan de Gulik-Kleefse Successieoorlog tussen Brandenburg en de Paltsgraaf van Palts-Neuburg. In 1614 werden de verenigde hertogdommen Gulik-Kleef-Berg verdeeld tussen de vechtende partijen. Gülik-Berg werd bestuurd door de katholieke paltsgraaf van Palts-Neuburg en Kleef-Mark-Ravensberg werd bestuurd door de protestante markgraaf van Brandenburg. Na de Dertigjarige Oorlog schond ook Wolfgang Willem van Palts-Neuburg de afspraken. Deze afspraken waren in het voordeel van de protestanten en Frederik Willem wilde ook dat het akkoord in stand bleef. Ondanks de religieuze motieven zorgde de actie van Frederik Willem voor gebiedsuitbreiding.
Het conflict had de potentie om uit te groeien tot een nieuwe internationale oorlog. Wolfgang Willem wilde het nog niet gedemilitariseerde leger van Lotharingen dat nog steeds in de regio actief was, ondanks de Vrede van Westfalen. Lotharingen bleef interveniëren in de Pruisische zaak. Frederik Willem zocht vervolgens steun bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Later volgde het verlaten van de neutraliteitspolitiek en dit gaf geen steun aan de campagne van Frederik Willem. Hij werd vervolgens gehinderd door de rijksstanden en de lagere standen. Frederik Willem kreeg geen steun. Hij raakte daarna politiek geïsoleerd en zag af van de campagne. Het conflict werd beëindigd door het Verdrag van Kleef (1666), dat in oktober 1651 door keizerlijke onderhandelaars werd bereikt. Het onderliggende religieuze dispuut werd in 1672 opgelost. Omdat het militaire conflict werd ontweken en het leger van Brandenburg-Pruisen verzwakt was, haalde dit de reputatie van Frederik Willem omlaag.
Staand Leger thumb|left|x225px|Uniformen van het Brandenburg-Pruisische Leger in 1698
Tijdens de oorlog was Frederik Willem ervan overtuigd geraakt dat Brandenburg-Pruisen een staand leger nodig had. Traditioneel was het een privilege van de ridderstand om een militaire reserve te bekostigen en te financieren. Frederik Willem ontwikkelde een staand leger dat onafhankelijk van de eerste stand gefinancierd werd. Hij verkreeg de mensen en de benodigde financiële middelen van de ridders wat leidde tot een leidend decreet op 26 juli 1653. In plaats daarvan bevestigde hij een aantal privileges van de ridders inclusief belastingheffing en de aanstelling en de rechtvaardiging van de politiemacht in hun hove (*Patrimonialgerichtsbarkeit) en het houden van horigheid (Leibeigenschaft, Bauernlegen).
Uiteindelijk moesten de ridders maar zes jaar beperkt bijdragen. Frederik Willem ging hier niet mee akkoord en hij dwong de ridders om bij te blijven betalen. Hij richtte een ministerie van Financiën op om de bijdragen te regelen. De bijdragen van de ridders werden in 1662 bevestigd. Het ministerie werd in 1666 hervormd en er werd geen belasting geïnd op onroerendgoedbezit, maar belasting naar stand. Vanaf 1657 hoefden de steden geen soldaten te leveren maar ze moesten wel financieel bijdragen aan het leger. De ridderstand hoefde geen soldaten te leveren en ook geen financiële bijdrage meer te leveren. De omvang van het leger groeide van 8.000 manschappen naar 25.000 en 30.000 manschappen in 1688. Frederik Willem behaalde zijn tweede doel om het leger onafhankelijk van de standen te maken. In 1688 waren de militaire kosten tot 1.500.000 taler in de staatskas. Er ontstond een solide basis voor een leger onafhankelijk van de ridders; het doel van de hervormingen van Frederik Willem. Dit militaire succes was de enige manier om de reputatie te laten stijgen.
Tweede Noordse Oorlog
thumb|250px|De Pruisische ridders betalen tribuut aan de soevereine vorst Frederik Willem I van Brandenburg in het Slot van Koningsbergen 1663.