Het Frankische Rijk (Latijn: Regnum Francorum, Koninkrijk der Franken, later Imperium Francorum, Keizerrijk der Franken) was tijdens de vroege middeleeuwen een imperium in West-Europa. In de periode tijdens en na het definitieve verval van het Romeinse Rijk werden veel gebieden hiervan veroverd door de Franken, waarna deze gebieden tussen de derde en de tiende eeuw door hen werden bestuurd. Aan het hoofd stond een koning of keizer, die het plaatselijke bestuur op basis van feodale overeenkomsten in handen legde van heren die aan hem dienstbaar waren. Op deze manier kon het rijk uitgroeien tot een nieuwe grootmacht. De bestuursstructuur bleef ook onder andere heersers bestaan en zou hierna de geschiedenis van Europa blijven bepalen tot aan de Franse Revolutie in de achttiende eeuw.
Het Frankische rijk zou echter na Karel de Grote door meerdere oorzaken al snel uiteenvallen. Allereerst was er geen sprake van een abstract staatsbegrip of res publica, ondanks de poging om met de kroning het Frankische gezag te legitimeren als een soort voortzetting van het Romeinse rijk. Het rijk gold, net als onder de Merovingen, als persoonlijk bezit van de heerser zodat het na de dood van Lodewijk de Vrome weer verdeeld werd onder diens erfgenamen. Macht (bannus) bleef vooral afhankelijk van veroveringen, geweld en Geblütsrecht, waarbij deze in stand werd gehouden doordat de heerser van de ene palts naar de andere trok.
Daarnaast waren de erfverdelingen van het enorme rijk bepalend voor de totstandkoming van het huidige Europa. Zo werden in 843, na de dood van Lodewijk de Vrome, grondgebied en heerserschap door drie van zijn zoons onder hen verdeeld bij het Verdrag van Verdun. Hierdoor ontstond in het westen het West-Frankische Rijk, waaruit later het Franstalige Frankrijk zou ontstaan. In het oosten ontstond het Oost-Frankische Rijk dat zich ontwikkelde tot het Heilige Roomse Rijk, waaruit nog later onder meer de Duitstalige landen Duitsland en Oostenrijk zijn voortgekomen.
Geschiedenis De agrarisch-urbane samenleving van de Romeinen maakte plaats voor een agrarische samenleving waarin vrijwel alles zich op het platteland afspeelde. De grootschalige op de export gerichte Romeinse landbouw met villae verdween volledig. Ervoor in de plaats kwamen kleinere Germaanse hoeves die grotendeels op zelfvoorziening gericht waren. Er is dan ook doorgaans wel sprake van Raumkontinuität, aangezien de agrarische gronden wel opnieuw werden bewerkt, maar meestal niet van Ortskontinuität. Het valt echter niet goed aan te tonen, althans op basis van archeologische opgravingen alleen, welke kleine dorpen (vicus) uit de Romeinse tijd helemaal verlaten werden of (gedeeltelijk) bewoond bleven.
Wel is duidelijk, ook uit literaire bronnen, dat de bevolkingsomvang in zijn algemeenheid in de Vroege Middeleeuwen terugliep. Enige continuïteit werd wel gerealiseerd doordat de Heerkönige – de Duitse benaming voor de Frankische stamhoofden of legerleiders – probeerden hun bestuur te legitimeren door zich te vestigen in de oude grotere bewoningscentra zoals de Romeinse civitates. Ook sloegen ze naar Romeins voorbeeld munten; dit gebeurde voor het eerst in Soissons aan het einde van de vijfde eeuw. De Gallo-Romeinse en Germaanse adel gingen via huwelijken na verloop van tijd in elkaar op. Slavernij, zoals op de markt van Kamerijk, zou blijven bestaan totdat het christendom algemeen aanvaard was. Hoewel het nieuwe geloof nog niet sterk in de samenleving was doorgedrongen en moest concurreren met andere godsdiensten, bleek de Kerk als organisatie in staat om de overgang te overleven.
Geschiedenis van de Merovingen De 6e-eeuwse bisschop Gregorius van Tours beschrijft in zijn historiografie van de Franken (de Decem libri historiarum) dat koning Chlodio in het midden van de vijfde eeuw vanuit zijn kasteel Dispargum regeerde. De exacte locatie van dit kasteel is niet bekend. Van Duisburg is wel bekend dat hier binnen de middeleeuwse stadsmuren een Frankische nederzetting heeft bestaan. Dit maakt het aannemelijk dat met Dispargum de huidige stad Duisburg wordt bedoeld, in Magna Germania. Chlodio zou rond 447 met een leger richting Doornik optrekken. Ze zouden door het kolenwoud heen trekken, waarna ze een gebied innamen dat overeenkwam met de Romeinse provincie Belgica Secunda, ten zuiden van Germania Secunda (de woonplaats van de Salische Franken). Hij had de Nerviërs onderworpen en maakte van Doornik zijn nieuwe thuisbasis.
In 448 vond de slag bij Vicus Helena plaats in Artois, waarbij Clodio door de Romeinse opperbevelhebber Flavius Aëtius werd verslagen en onderworpen. Het lijkt erop dat hij en zijn Rijnfranken toen onder trouwzwering aan Romeinse overheersing mochten blijven in Belgica Secunda. Kort hierna zou Chlodio komen te overlijden. Hij werd opgevolgd door koning Merovech, de grondlegger van de Merovingische dynastie.
In 451 vond op de Catalaunische velden een slag plaats tussen Romeinse troepen onder opperbevelhebber Aëtius en de Hunnen onder Atilla de Hun. Deze slag werd door de Romeinen gewonnen. De Franken zouden onder koning Merovech ook gevochten hebben in het Romeinse leger.
In november 461 werd de West-Romeinse keizer Majorianus geëxecuteerd, na zijn terugkeer in Italië van een rampzalige expeditie tegen de Vandalen. De Romeinse opperbevelhebber Ricomer zat achter deze executie. Hierna werd Libius Severus door Ricimer op de troon gezet in Ravenna. De Oost-Romeinse keizer Leo I erkende hem echter niet als medekeizer. Aegidius, die Gallia Lugdunensis bestuurde, erkende echter het gezag van geen van beide. Hij zou zichzelf ook uitroepen tot keizer, met als gevolg dat er drie Romeinse keizers tegelijk waren. Aangenomen wordt dat Aegidius het bestuur naar zich toe trok van de noordelijke provincies Gallia Belgica en Germania Inferior. De Frankische legeraanvoerder Childericus voerde met het Gallische veldleger verschillende militaire expedities tegen de Aquitaanse Goten rond de rivier de Loire. In de slag bij Orleans, waarbij Aegidius zelf ook betrokken was, werden de Goten overwonnen. Volgens Gregorius van Tours werd Childericus "voor acht jaar verbannen naar Thüringen vanwege Frankische afkeer van zijn losbandigheid, en voor zijn verleiding van de dochters van zijn onderdanen", In de tussentijd nam Aegidius volgens Gregorius zelf de titel 'koning van de Franken' aan. Aegidius zou in de tussentijd een expeditie hebben gevoerd voor Bourgondië en Italië, maar hij zou door een Romeinse leger onder generaal Gundioc in de pas naar Italië zijn gestopt. Childericus zou hierna echter terugkeren naar het Romeinse Gallië en opnieuw de titel 'Koning van de Franken' op zich nemen. Childericus overleed in 481 in Doornik, en werd opgevolgd door zijn zoon Chlodovechus of Clovis. De laatste is de geschiedenis ingegaan als een veroveraar en de feitelijke stichter van wat later Frankrijk zou worden.
miniatuur|Dit is hoe Childericus er ongeveer uitgezien zou hebben volgens de opgravingen van zijn graftombe
Clovis zette in 486 Syagrius af en verjaagde Arbogastes uit Trier waarmee hij de Romeinse gebieden in handen kreeg. Clovis bracht hierna zijn hofhouding van Doornik over naar Lutetia (het huidige Parijs). Hij nam toen de titel 'koning van de Salische Franken' aan. Waarschijnlijk deed hij dit om zijn positie als regeerder van de Gallo-Romeinse bevolking te versterken. Hier zou ook de benaming van zijn wetgeving (Salische wet) uit zijn voortgekomen (de historische bronnen zijn hier niet duidelijk over, maar volgens de algemene interpretatie zou hij niet van Salische komaf zijn). Daarna versloeg hij rond 496 de Alemannen, mede door deze strijd en onder invloed van zijn Bourgondische gemalin Clothilde bekeerde Clovis zich tot het christendom. Clovis’ besluit om te kiezen voor de Katholieke Kerk in plaats van het arianisme, zoals de meeste Germaanse stammen hadden gedaan, was van groot belang. Hierdoor kon hij rekenen op de steun van zowel de Gallo-Romeinse adel als de katholieke kerk. De Merovingische koning Clovis zou zijn rijk vergroten met het bevel over heel Gallië na de overwinning op de Visigoten, die hij in 507 verslagen had met een Romeins leger in de Slag bij Vouillé, nadat hij hiervoor met keizer Anastasius I had geconsulteerd. Hij werd vanwege zijn overwinning rijkelijk beloond door keizer Anastasius I. Officieel stond Clovis onder Romeinse hegemonie, maar in de praktijk zou hij een de facto bestuurder zijn geweest van het Romeinse Gallië.
Toen Clovis in 511 stierf, werd het rijk volgens de Salische Wet onder zijn vier zoons verdeeld: Theuderic I van Austrasië in Reims, Childebert I in Parijs, Chlodomer in Orléans en Chlotharius I in Soissons. Dit was een proces dat de komende eeuwen nog vaker zou voorkomen waardoor het Frankische Rijk slechts tijdens korte periodes was verenigd onder één heerser. De consequentie van het constant opdelen van het rijk was dat de Merovingen niet alleen tegen hun vijanden vochten maar ook tegen elkaar. Dit met uitzondering van de periode 531-537 toen het Frankische Rijk weer grote gebieden wist te veroveren. Het Thuringse koninkrijk was verwoest en een gedeelte werd veroverd. Het Bourgondische koninkrijk werd tussen 532 en 534 veroverd en terwijl de Oost-Romeinse keizer tegen de Ostrogoten vocht, werden die gedwongen om de overgebleven gebieden van de Alemannen op te geven en Provence af te staan aan de Franken in ruil voor hun neutraliteit. Tegelijkertijd werd Beieren gedwongen om de Franken als heersers te erkennen en werd de controle over Aquitanië versterkt.
In 558 werd Chlotharius I alleenheerser over het Merovingische rijk en na zijn dood werd zijn Rijk onder zijn vier zonen verdeeld. Na de dood van Chilperik I (584) waren er in feite drie verschillende Frankische koninkrijken, Neustrië in het westen, Austrasië in het oosten en Bourgondië in het zuiden. Randgebieden als Bretagne, Aquitanië, Alemannië, Thüringen en Beieren probeerden vaak hun onafhankelijkheid terug te krijgen en de constante burgeroorlogen tussen de Merovingen gaven hun daar ook meerdere mogelijkheden voor.
In 613 werd het Rijk opnieuw herenigd onder Chlotharius II. Zijn zoon en opvolger Dagobert I, is na Clovis, misschien de meest bekende Merovingische koning. Zijn naaste medewerkers waren Pepijn van Landen en Sint-Elooi. Na de dood van Dagobert I in 639 werd het land weer opgesplitst en werden de Thuringers onafhankelijk. En na de moord op Childeric II in 675, weigerde Aquitanië de heerschappij van de Merovingen te erkennen en de autonome regio’s van Bretagne en Beieren wisten zichzelf van de Franken te bevrijden aan het einde van de zevende eeuw.
In 679 verenigde de zwakke Theuderik III het Frankenland. Maar na de Slag bij Tertry in 687 was het zijn zwager, de hofmeier Pepijn van Herstal, die in werkelijkheid het land regeerde. In 689 versloeg Pepijn de Friezen in de Slag bij Dorestad en veroverde hij alle gebieden ten zuiden van de Rijn. Aan de missionaris Willibrord gaf hij een oud Romeins fort, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen.
De Merovingische koningen voerden vele oorlogen (vaak onderlinge burgeroorlogen tussen Merovingische familieleden om de heerschappij over het hele Frankische Rijk) en velen van deze koningen stierven op het slagveld of ook dikwijls bij een moordaanslag van concurrenten voor de troon voordat ze een opvolger (zoon) hadden voortgebracht. In andere gevallen was die opvolger vaak een minderjarige die nog niet zelfstandig kon regeren. Zij verloren daardoor niet alleen land maar ook macht. De post van Hofmeier of Major Domus werd gecreëerd om het koninkrijk te regeren totdat troonopvolgers volwassen waren, maar omdat het een post was die permanent bleef en zelfs erfelijk werd, waren de hofmeiers op den duur eigenlijk degenen die de echte macht hadden over het Frankische Rijk, zelfs wanneer de koningen volwassen waren geworden.
Geschiedenis van de Karolingen