De Slag bij Trafalgar (21 oktober 1805) was de belangrijkste zeeslag tijdens de Derde Coalitieoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk en het Franse keizerrijk van Napoleon. Deze overwinning van de Britten had gevolgen tot ver in de twintigste eeuw.
Een vloot van de Britse Royal Navy, bestaande uit 27 linieschepen en geleid door Horatio Nelson, vernietigde op 21 oktober 1805 een Frans-Spaans eskader, bestaande uit 33 linieschepen onder leiding van de Franse viceadmiraal Pierre de Villeneuve in een slag bij Kaap Trafalgar (Spanje, zeventig zeemijl ten noordwesten van Gibraltar) en verzekerde zo, voor een periode van meer dan honderd jaar, de heerschappij over de golven voor de Britten. Hierdoor konden zij, en niet de Fransen, een wereldrijk uitbouwen dat India, Canada, Hongkong en Singapore omvatte en bleef Londen het Europese financiële centrum.
De aanloop In 1804 wilde eerste consul Napoleon een invasie van Groot-Brittannië uitvoeren. Daarbij werd hij echter gehinderd door het feit dat de Franse vloot kleiner was dan de Britse en dat de Fransen geen goede zeehavens hadden tussen Brest en Vlissingen. In december 1804 verklaarde Spanje de oorlog aan het Verenigd Koninkrijk en een gecombineerd Frans-Spaanse vloot was nu met 102 linieschepen op papier groter dan de zeemacht die de Britten meestal in hun eigen wateren handhaafden, de Channel Fleet, bestaande uit een zeventigtal schepen. Napoleon, die ondertussen zichzelf tot keizer had gekroond, probeerde hierop met allerlei ingewikkelde manoeuvres de Britse Channel Fleet naar de Caraïben te lokken door Franse expeditiemachten naar West-Indië uit te zenden. Napoleon had weinig begrip van zeezaken en de Franse marinetop werd bevolkt door jaknikkers die geen kritiek durfden te leveren op de vaak amateuristische plannen van hun heerser. Elf Franse linieschepen die in de Middellandse Zee lagen, in de haven van Toulon, werden op 30 maart 1805 onder bevel van viceadmiraal Pierre de Villeneuve naar Martinique gestuurd en glipten de Atlantische Oceaan op. De Villeneuve bereikte Martinique op 16 mei en verenigde zich op 26 mei met een Spaans eskader onder viceadmiraal Federico Carlos Gravina. Dit lokte geen reactie uit van de Channel Fleet maar wel van de commandant van de Britse Middellandse Zeevloot, viceadmiraal Horatio Nelson, die op 11 mei Villeneuve naar Amerika begon te achtervolgen, eveneens met elf linieschepen. left|thumb|Pierre-Charles de Villeneuve Op 11 juni kreeg Villeneuve, wachtend op verdere versterkingen, bericht dat Nelson was aangekomen en voer, in strijd met zijn bevelen, onmiddellijk weer terug naar Europa, op 13 juni gevolgd door de Britten. Op dat moment waren er al duizend man van zijn vloot aan ziekten overleden, ten dele door gebrek aan verse groente. Terwijl Nelson doorvoer naar Gibraltar, koerste Villeneuve met twintig Franse en Spaanse schepen naar Ferrol op de kust van Spaanse Galicië, waar hij opgewacht werd door een eskader van vijftien Britse schepen onder viceadmiraal Robert Calder. Die veroverde twee Spaanse schepen, de San Raphael en de Firma, maar drong wegens mistbanken niet al te agressief aan en via een omweg naar Vigo lukte het Villeneuve om alsnog op 2 augustus Ferrol binnen te vallen. Op 3 augustus kwam Napoleon in Boulogne aan, er vast van overtuigd dat Villeneuve, zich verenigend met de Franse vloot uit Rochefort onder schout-bij-nacht Zacharie Allemand, elk moment met een overmacht aan schepen zou arriveren om de Britse blokkade van Brest te breken, waarna de verenigde Franse vloot zou doorzeilen naar het Nauw van Calais om de landingsscheepjes naar Engeland te begeleiden. Niemand had het gewaagd hem duidelijk te maken dat dit een volstrekte illusie was. In feite vluchtte Villeneuve, toen hij enkele Britse patrouilleschepen ontmoette, naar het zuiden naar Cádiz, terwijl tegelijkertijd Nelson naar het noorden koerste, zijn vijand miste, en zich voor Brest verenigde met Calder en de blokkadevloot van admiraal William Cornwallis, zodat een sterkte van zesendertig linieschepen gevormd werd. Overigens had Gravina geheime orders van de Spaanse regering om in geen geval aan een invasie van Engeland mee te werken. Van 18 augustus af bracht Nelson een kort verlof in Engeland door, het eerste in zevenentwintig maanden en de laatste keer dat hij voet zou zetten op Britse bodem. Napoleon erkende nu het failliet van zijn plannen en zond zijn leger van Boulogne naar het oosten waar hij de Oostenrijks-Russische coalitie zou verpletteren in de Slag bij Austerlitz. Hij beval de Frans-Spaanse vloot zich naar Italië te begeven om de strijd tegen het Oostenrijkse leger daar te ondersteunen. thumb|De complexe manoeuvres voor de slag Op 21 augustus 1805 kwam de Frans-Spaanse vloot in de havenstad Cádiz aan. Zij werd in de gaten gehouden door kapitein Blackwood van de HMS Euryalus en geblokkeerd door een klein flottielje van drie schepen onder viceadmiraal Cuthbert Collingwood die door middel van valse vlagsignalen de indruk wekte dat hij een sterk eskader onder zijn bevel had. De Frans-Spaanse vloot verliet daarom Cádiz niet. Geleidelijk werd de Britse blokkade versterkt. Toen Nelson op 2 september 1805 het bericht kreeg dat zijn tegenstander in de haven van Cádiz voor anker lag, vertrok hij de 15e uit Portsmouth, aan boord van zijn vlaggenschip, de H.M.S. Victory, om zich bij de vloot te voegen die voor de haven van Cádiz patrouilleerde. Nelson werd in die tijd algemeen beschouwd als de grootste Britse zeeheld en hij kreeg haast vanzelfsprekend het opperbevel over de onderneming. Op 8 oktober hielden de Franse en Spaanse vlagofficieren een krijgsraad waarin ze besloten Napoleons bevel om uit te varen te negeren. Op vrijdag 18 oktober was het na een week van stormachtig weer helder en warm, omstandigheden die gunstig waren voor de lichter gebouwde Franse schepen. Tegelijkertijd kregen de Fransen het bericht dat zes linieschepen van Nelson naar Gibraltar vertrokken waren om zich van proviand te voorzien. Villeneuve wist dat hij elk moment van zijn bevel ontheven kon worden en hoopte op een laatste succes na zijn reeks mislukkingen en insubordinaties. Hierop vertrok de Frans-Spaanse vloot op 19 oktober richting de straat van Gibraltar. Door een westenwind bleek het echter lastig al laverend de baai van Cádiz te verlaten. Pas op 20 oktober had de geallieerde vloot volledig zee gekozen. Dat de geallieerde vloot buitengaats was, werd al op 19 oktober om 09.00 uur door HMS Mars doorgegeven aan Nelson die het bevel gaf om de vloot te achtervolgen en zich klaar te maken voor de strijd. Nelson had, anders dan Collingwood, de uitbraakpoging niet verwacht. Hij hield zich voorlopig met zijn zevenentwintig linieschepen gedekt achter de horizon. Dat leidde ertoe dat hij te snel naar het zuidoosten voer en op 20 oktober om 06.00 uur weer overstag moest gaan in noordwestelijke richting om de vijand te onderscheppen die hij tot zijn opluchting rond 20.30 uur aantrof, niet verder dan twintig zeemijl van de Baai van Cádiz. Toen was het al te laat voor een slag zodat Nelson een zuidelijke koers aanhield, in de hoop evenwijdig aan de vijand op te varen. Om 04.00 uur op 21 oktober draaide hij, beseffend dat Villeneuve weer was achtergebleven, opnieuw om in noordelijke richting, om de geallieerde vloot op te zoeken. De ochtend van maandag 21 oktober begon met een zacht briesje uit het westen. De Frans-Spaanse vloot, drieëndertig linieschepen sterk, vormde één lange lijn van bijna vijftien kilometer. Nelsons vloot verscheen aan de noordwestelijke horizon met de wind in de rug.
Villeneuve had grote moeite gehad zijn schepen in linie te brengen. Toen hij Nelson na een melding van de Hermione met hogere snelheid zag naderen, begreep hij dat ontsnappen onmogelijk was. Om zeven à acht uur in de morgen gaf Villeneuve zijn schepen het bevel om overstag te gaan en met hun kop in de wind te gaan liggen, om zo in de verdedigende lij het gevecht aan te gaan. Ze voeren hierdoor terug richting Cádiz, wat Nelson de foute indruk gaf dat men weer naar die haven wilde vluchten. Door de lastige manoeuvre, die pas rond 10.00 uur voltooid was, nam de wanorde bij de Frans-Spaanse vloot nog verder toe. Gravina was bevolen een vierde eskader te vormen in een loefpositie, dus aan de kant van Nelson, maar voegde zich bij de achterhoede.
Britse tactiek thumb|De innovatieve tactiek van Nelson: een dubbele aanval op het centrum. De tactiek die sinds de late zeventiende eeuw gewoonlijk werd toegepast in een zeeslag, was die van de kiellinie. Dit hield in dat de vijandelijke vloten ieder in een lange lijn evenwijdig aan elkaar voeren, in dezelfde of in tegengestelde richting, en schoten uitwisselden. Hierdoor was er weinig kans dat schepen door eigen vuur geraakt werden en kon men de kanonnen dus maximaal benutten, omdat ze zo een vrij schootsveld hadden. Deze tactiek paste goed bij de Britse schepen die relatief zwaar bewapend en geconstrueerd waren. In de loop van de achttiende eeuw was de kiellinietactiek bij de Britse vloot tot een star dogma geworden. In een slag was het haast belangrijker mooi achter elkaar te varen dan om de vijand schade toe te brengen. Het nadeel hiervan was dat vloten van gelijk kaliber geen beslissende overwinning konden behalen omdat het voor de vloot die de mindere bleek te eenvoudig was het gevecht af te breken en met de minst beschadigde schepen te ontsnappen. Nelson was een vernieuwend tacticus die al eerder de methode toegepast had om een vijandelijke linie te breken en daarna de schepen te omvatten. Hij begreep dat zich nu een uitgelezen kans voordeed om de Franse macht op zee een vernietigende slag toe te brengen. Hij wilde een beslissende overwinning behalen waarbij het merendeel van de vijandelijke vloot werd vernietigd of veroverd. left|thumb|Horatio Nelson Nelson was van plan om nu op een zeer ongebruikelijke wijze van de klassieke kiellinietactiek af te wijken door zijn schepen op te delen in twee groepen, "divisies". De eerste divisie zou voor de wind haaks tussen het centrum en de achterhoede van de vijandelijke vloot komen aanvaren terwijl de tweede divisie in een evenwijdige linie hetzelfde zou doen tussen de voorhoede en het centrum van de vijand. Zo kon hij zijn hele strijdmacht inzetten tegen twee derde van die van de tegenstander. Daarbij gaf hij aan iedere kapitein volledige verantwoordelijkheid voor eigen handelen en liet de schepen met de grootste vuurkracht, dus de vlaggenschepen van hemzelf en Collingwood, vooraan in de lijn van hun divisies plaatsen zodat ze snel grote schade konden aanrichten. Normaliter voer een vlaggenschip in het midden van zijn eskader, zodat dit de vlagseinen beter kon zien. Overigens hield Nelson een derde divisie achter de hand om een plotse kans uit te buiten of een mogelijke tegenslag op te vangen. Het plan had hij opgesteld in september, toen de mogelijkheid bestond dat beide vloten uit veertig linieschepen zouden bestaan en oorspronkelijk ging Nelson uit van een aanval door drie evenwijdige lijnen van Britse linieschepen.
Hij koos er dus voor om de vijandelijke vloot in twee stukken te hakken door in twee colonnes loodrecht op de vijandelijke linie in te varen. Eén colonne ging richting het centrum en de andere richting de achterhoede. Op deze manier omsingelde hij de helft van de vloot en kon hij ze afmaken. De colonne die het midden van de linie doorsneed moest dit idealiter doen vóór het vijandelijke vlaggenschip, zodat de voorste helft van de vloot de bevelen van het vlaggenschip niet kon zien en door de verwarring voor geruime tijd buiten spel werd gezet. Overigens was het niet Nelsons oorspronkelijke bedoeling om meteen door de vijandelijke linie heen te varen; hij hoopte zijn divisies op het laatste moment evenwijdig te trekken en de aangevallen schepen te "dubbelen", dus links en rechts te omvatten. In feite gebeurde dit echter niet en doorsloeg men meteen de vijandelijke lijn. thumb|Een diagram uit 1848