De Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (Nederlands: Socialistische Eenheidspartij van Duitsland, SED) was de regerende communistische partij in de voormalige Duitse Democratische Republiek. De partij nam de absolute macht, door de invloed van de Sovjet-Unie, gedurende de 40 jaar dat de DDR bestond, en duldde in de praktijk geen tegenstand of oppositie. Na Die Wende in 1989/1990 verloor de SED haar positie als overheersende staatspartij. De SED kreeg een jongere partijleiding, nam een nieuw partijprogramma aan en ging verder onder de naam SED-PDS. Vanaf 1990, naar analogie met de voortzetting van de Italiaanse Communistische Partij (PCI), voerde de partij de naam PDS (Partei des Demokratischen Sozialismus). Nadat de partij zich in 2005 presenteerde met de naam Die Linkspartei en toen in 2007 de sociaaldemocratische WASG zich aansloot, ontstond Die Linke, de meest linkse partij in de Bondsdag.
Geschiedenis De KPD en SPD in de SBZ Nadat het Rode Leger het oosten van Duitsland had veroverd, werd er drie weken na het einde van de Tweede Wereldoorlog een militair bestuur ingesteld voor de Sovjet-bezettingszone (SBZ), de Sovjet-Russische Militaire Administratie in Duitsland (SMAD). De SMAD vaardigde op 10 juni 1945 "Bevel Nr. 2" uit, dat voorzag in de stichting van "antifascistische partijen" en "vrije vakverenigingen." Eén dag na de uitvaardiging van "Bevel Nr. 2" werd de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) in de SBZ (her)opgericht, op 15 juni de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). In de weken daarna werden de "burgerlijke partijen" Christlich-Demokratische Union Deutschlands en de Liberal-Demokratische Partei Deutschlands in de SBZ gevormd. Onder pressie van de SMAD en de KPD sloten de vier antifascistische partijen zich reeds op 14 juli aaneen in het Blok van Antifascistische Democratische Partijen.[In 1948 werden de Demokratische Bauernpartei Deutschlands (DBD) en de National-Demokratische Partei Deutschlands (NDPD) in het "Blok" opgenomen] Binnen het Blok werkten de partijen nauw samen voor de opbouw van Duitsland. De KPD en de SPD sloten een akkoord om gezamenlijk de arbeidende klasse te vertegenwoordigen. In december 1945 besloten de hoofdbesturen van de KPD en de SPD tijdens een conferentie dat de beide partijen moesten fuseren (Verschmelzung). Het idee van een fusie werd gesteund door de meerderheid van de KPD'ers en een deel van de SPD'ers. Volgens de voorstanders was de fusie noodzakelijk opdat er geen splijting in het socialistisch kamp zou bestaan, maar juist eenheid. Bovendien kon een gezamenlijke socialistische partij beter optreden tegen extreemrechts. Volgens de KPD en een groot deel van de SPD was Hitler mede aan de macht gekomen door de verdeeldheid in het linkse kamp.[Dit is waarheidsgetrouw, gezamenlijk optreden van de KPD, de SPD en ook burgerlijke partijen hadden Hitlers machtsovername kunnen voorkomen.] Een andere verklaring is dat de SPD het bij lokale en regionale verkiezingen in de SBZ betere resultaten had geboekt dan de KPD, wat ook een motivatie zal zijn geweest bij de SMAD om aan te dringen op een fusie. Er waren natuurlijk ook felle tegenstanders van een fusie, met name binnen de SPD. De rechtervleugel was gekant tegen de fusie omdat zij geen dogmatisch marxisme meer voorstonden. Men noemde de KPD soms ook "roodgelakte fascisten" en vond een fusie tussen KPD en SPD onwenselijk. Binnen de KPD waren er ook tegenstanders van een fusie, met name onder leden die voorheen ook altijd tegen de Volksfrontpolitiek in de jaren 30 waren. Zij noemden de SPD een "roodfascistische partij." (Deze leus werd gebezigd door de Comintern vóór de jaren 30.)
Fusie van KPD en SPD: SED In de aanloop naar de fusie werden zowel de rechtervleugel van de SPD als andere tegenstanders van een fusie binnen die partij buitenspel gesteld. Veel sociaaldemocratische tegenstanders van de fusie weken uit naar West-Duitsland, anderen werden gevangengezet (en later soms uitgewezen). Veel van deze sociaaldemocraten die de gedwongen vereniging van de KPD en de SPD niet zagen zitten belandden in kampen (Speziallager) en gevangenissen zoals Sachsenhausen, Jamlitz, Hohenschönhausen en Buchenwald. Dit had het cynische gevolg dat nogal wat sociaaldemocraten na onder de nazi's in Buchenwald of Sachsenhausen te hebben gezeten opnieuw in diezelfde kampen terechtkwamen. Op 21 en 22 april 1946 vond in het Admiralspalast in de Friedrichstraße in Berlijn een bijzondere vergadering van KPD'ers en SPD'ers plaats. Er namen in totaal 548 SPD'ers (waarvan 103 uit de westelijke bezettingszones) en 507 KPD'ers (waarvan 107 uit westelijke bezettingszones) aan het congres deel. Het congres werd geopend met muziek van Beethoven. Daarna traden Wilhelm Pieck van de KPD en Otto Grotewohl van de SPD naar voren en schudden elkaar symbolisch de hand om daarmee de fusie te bekrachtigen. Het handen schudden werd opgenomen in het logo van de partij. De nieuwe partij kreeg de naam Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). Over de fusie is binnen de Sovjet-bezettingszone in Duitsland geen stemming gehouden. In West-Berlijn werd deze stemming wél gehouden en sprak 82% zich uit tegen een onmiddellijke fusie.Momentaufnahmen der deutschen Sozialdemokratie, Willy Brandt Haus In Oost-Berlijn kon de SPD blijven bestaan en sloot zich slechts een derde van de SPD-leden aan bij de SED. Besloten werd dat de SED een marxistische partij werd en geen marxistisch-leninistische. Dit betekende dat de partij een marxistische koers zou voeren, maar dan zonder een leninistische partijorganisatie. Pieck en Grotewohl werden tot voorzitters van de partij gekozen en Walter Ulbricht als vicevoorzitter. Als hoofdbestuur werd een Parteivorstand (Partijbestuur) gekozen en er kwam een Zentralsekretariat (Centraal Secretariaat) voor de centrale administratie. Binnen de partij werd openlijk gesproken over de "Duitse weg naar het socialisme."
De regionale verkiezingen in de SBZ in de herfst van 1946 verliepen ongunstig voor de SED. In sommige gebieden behaalde de SED geen absolute meerderheid (meer dan 50% van de stemmen). In Oost-Berlijn[Uitslag:SPD: 49%CDU: 22%SED: 20%LDPD: 9%] werd de SED zelfs verslagen door de SPD-Berlijn: de SPD kreeg 48,7 % van de stemmen, terwijl de SED niet meer dan 19,8 % van de stemmen behaalde.[Behalve in Oost-Berlijn mocht de SPD nergens meer zelfstandig opereren in de SBZ.] Buiten Oost-Berlijn werd SED wel de grootste partij in de Länder (bondslanden). (zie: Landdagverkiezingen in de SBZ in 1946). In de daaropvolgende jaren werd de SED de leidende partij binnen de SBZ en leidde zij de Duitse Volkscongressen, de tijdelijke parlementen van de SBZ.
De SED in de beginjaren van de DDR Aan het einde van de jaren 40 was de Koude Oorlog een feit. Een sterk, onafhankelijk, verenigd Duitsland was zowel volgens de Sovjet-Unie als volgens de Westerse mogendheden niet zonder meer wenselijk. De Sovjet-Unie streefde naar een neutraal niet-gebonden verenigd Duitsland, de Westerse mogendheden streefden naar een Westers georiënteerd verenigd Duitsland. Doordat de Sovjet-Unie en het Westen het niet eens werden over de status van een verenigd Duitsland bleef hereniging uit. Er ontstonden in 1949 twee Duitslanden: de Bondsrepubliek Duitsland, een samenvoeging van de Britse, Amerikaanse en Franse bezettingszones, en de Duitse Democratische Republiek die bestond uit de vroegere SBZ.
Nog in 1949 maakte de leiding van de SED een einde aan het experiment van een "Duitse weg naar het socialisme" en van eerlijke verdeling van partijposten onder KPD'ers en SPD'ers. Tijdens het Eerste Partijcongres van de SED in januari 1949 wisten de Stalinisten een partijprogram door te drukken. Het partijprogram maakte een einde aan de wereldbeschouwelijke neutraliteit ("eigen weg naar het socialisme") en introduceerde het marxisme-leninisme. 150.000 SED'ers werden uit de partij gezet. Onder hen waren vroegere sociaaldemocraten, KPO'ers, SAP'ers en KPD-immigranten uit West-Duitsland. Het partijprogram voorzag in de oprichting van traditionele bestuursorganen binnen een communistische partij zoals het Centraal Comité (Zentralkomitee) en het Politbureau (Politbüro) en een Partijsecretariaat (Sekretariat).
Op 25 juli 1950 werd Walter Ulbricht tot secretaris-generaal van de SED gekozen. Hij werd hiermee de machtigste man van de partij. De invloed van de beide voorzitters Pieck en Grotewohl nam sterk af; (het voorzitterschap van de partij werd in 1954 afgeschaft). In oktober 1949 werd Pieck president van de DDR en Grotewohl premier.
Vanaf het begin van de DDR was de SED de leidende partij van het land. De andere blokpartijen, de CDUD, LDPD, DBD en NDPD kregen veel minder macht, maar waren wel lid van de regering. In de Volkskammer bezat de SED de absolute meerderheid (zie: Volkskammer en Volkskammerverkiezingen).
Tijdens het Tweede Partijcongres van de SED in 1952 werd besloten tot uitbouw van het socialisme in de DDR. Dit hield o.a. in de centralisering van de staatsmacht (afschaffing van de Länder en de introductie van veertien Bezirke), de introductie van een planeconomie (o.a. collectivisering van de landbouw), en de opbouw van eigen strijdkrachten (Nationale Volksarmee)
De grondwet van de DDR over de leidende rol van de SED: "De Duitse Democratische Republiek is een socialistische staat van arbeiders en boeren. De politieke organisatie van het werkende volk in stad en land staat onder leiding van de arbeidersklasse en haar marxistisch-leninistische partij."[De SED wordt niet met name genoemd om de mogelijkheid van een naamsverandering van de partij niet uit te sluiten.]
De keiharde stalinistische koers van de SED leidde in 1953 tot een volksopstand, die met grof geweld werd onderdrukt.
In 1962 werd de West-Berlijnse afdeling van de SED losgekoppeld van de moederpartij en kreeg de naam Sozialistische Einheitspartei Westberlins (Socialistische Eenheidspartij van West-Berlijn).
Leidende rol van de SED De artikelen 1 van de grondwetten van 6 april 1968 en van 7 oktober 1974 bepaalden dat de "marxistisch-leninistische partij" (de SED) het werkende volk in de DDR leidde. Het kwam erop neer dat wettelijk was vastgelegd dat de SED een leidende rol vervulde in de DDR. Dit was niet bijzonder, in de meeste grondwetten van socialistische en communistische landen was er een leidende rol voor de communistische partij weggelegd. Maar ook in niet-communistische landen kenden men (al dan niet grondwettelijk vastgelegd) partijen die een leidende rol vervulden. Dit betekende veel verantwoording voor een leidende partij. Zolang een partij geen misbruik maakte van haar leidende rol kan een land tot (economische) voorspoed komen en heerst er redelijke stabiliteit. De hoogste leiding van de SED maakte echter wel misbruik van de leidende rol van de partij.Onder de SED'ers vond men veel oprechte partijmensen, met name onder de gewone partijmannen en vrouwen, die na de val van de muur gedesillusioneerd zouden raken over de misstanden van de partijleiding
Eind jaren 60 trad een zekere liberalisering in. Walter Ulbricht werd in 1971 als eerste secretaris aan de kant geschoven en vervangen door Erich Honecker (3 mei 1971). Honecker beloofde voortzetting van de liberalisering en moedigde kunstenaars en intellectuelen aan om voorzichtig af te wijken van het socialistisch realisme. Maar al gauw kwam deze liberalisering tot stilstand en verstarde het leven in de DDR.
Einde van de SED